Pedagogische Ethiek
Vragen
Tara van der Sar
Inhoudsopgave
Inleiding....................................................................................................3
De Categorische Imperatief van Immanuel Kant wordt nog wel eens
verward met de Gouden Regel (Golden Rule), en er is ook enige
verwantschap, maar ze zijn niet hetzelfde............................................8
Het denken in termen van mensenrechten past goed bij
deontologische ethische benaderingen, maar minder goed bij
utilistische.............................................................................................9
a) Leg uit waarom het concept van rechten van mensen wringt met
act-utilisme (act utilitarianism).............................................................9
b) Kan het regelutilisme (rule utilitarianism) beter met het concept
van rechten uit de voeten? Waarom wel/niet?......................................9
In haar tekst “What abolishing the family would not do” betoogt Anca
Gheaus dat partijdigheid (partiality) van ouders ten opzichte van hun
kinderen wenselijk is. In hun artikel “The place of equality in
educational justice” spreken Harry Brighouse en Adam Swift (op p. 24)
over legitieme partijdigheid (legitimate partiality); niet alles wat
ouders voor hun kinderen willen doen is volgens hen legitiem. Valt de
partijdigheid waar Gheaus het over heeft binnen de grenzen van wat
Brighouse en Swift legitieme partijdigheid noemen?..........................10
Waarom is directief onderwijzen (directive teaching) volgens Michael
Hand niet legitiem bij kwesties die volgens zijn epistemische criterium
controversieel zijn? Anders gezegd: waarom mag een leraar een
epistemisch controversiële kwestie niet directief onderwijzen?..........11
Leg uit wat het verschil is tussen act-utilisme en rule-utilisme.
Bespreek daarna welke van de twee beter kan omgaan met het
bezwaar dat utilisme individuele personen kan opofferen voor het
grotere geheel.....................................................................................12
Waarom is Kants ethiek een deontologische theorie? Leg in je
antwoord ook uit welke rol de begrippen plicht, maxime en autonomie
spelen..................................................................................................13
Leg uit wat natural law theory onder ‘het goede’ verstaat. Bespreek
vervolgens één sterke kant en één probleem van deze theorie.........14
, 2
Wat is volgens deugdethiek het belangrijkste verschil tussen de vraag
‘Wat moet ik doen?’ en de vraag ‘Wat voor mens moet ik zijn?’
Waarom is dat verschil belangrijk?......................................................14
Vergelijk een kinderrechtenbenadering met een zorgethische
benadering van opvoeding. Waar leggen deze benaderingen elk het
accent, en waarin vullen ze elkaar mogelijk aan?...............................15
Leg uit wat Arneils kritiek is op oudere sociaal-contracttheorieën in
hun beeld van het kind. Is deze kritiek normatief, empirisch, of beide?
............................................................................................................15
Waarom vinden Brighouse en Swift dat educational equality belangrijk
is, maar niet het enige relevante principe binnen educational justice?
............................................................................................................16
Wat bedoelt Michael Hand met zijn epistemische criterium voor
controversiële kwesties in onderwijs? Noem ook een mogelijk
probleem van dit criterium..................................................................16
Leg uit wat het verschil is tussen moreel relativisme en moreel
objectivisme. Geef één probleem van relativisme..............................17
Waarom is het onderscheid tussen ‘doing’ en ‘allowing’ (doen vs laten
gebeuren) belangrijk in deontologische theorieën?............................17
Wat bedoelt Kant met het idee dat mensen nooit louter als middel
gebruikt mogen worden? Geef een voorbeeld....................................18
Wat is het verschil tussen hedonisme en utilisme? Leg ook uit hoe ze
met elkaar samenhangen...................................................................18
Waarom is autonomie een belangrijk begrip in zowel Kantiaanse ethiek
als in onderwijs?..................................................................................19
Waarom kan volledige gelijkheid (egalitarisme) problematisch zijn
volgens Brighouse en Swift?...............................................................19
Wat is indoctrinatie en waarom wordt dit als problematisch gezien in
onderwijs?...........................................................................................20
Wat betekent ‘rights-in-trust’ en hoe verschilt dit van gewone rechten?
............................................................................................................20
Casus: commercieel draagmoederschap............................................21
CASUS: ABORTUS................................................................................23
SOCIALE MEDIA & PRIVACY..................................................................29
ONDERWIJS (SELECTIE).......................................................................30
EUTHANASIE BIJ EEN 17-JARIGE PATIËNT.............................................31
AI EN STUDENTEN...............................................................................34
, 3
ONGELIJKE SCHOOLKANSEN................................................................36
VERKOOP VAN ORGANEN....................................................................38
KLIMAATACTIVISME EN WETSOREDING...............................................40
PREVENTIEF FOULLIEREN....................................................................42
Inleiding
• Dit is een open-boek-tentamen, dus je mag alle literatuur van de cursus erbij
houden, evenals de powerpoints van de colleges en je aantekeningen bij beide.
• Het is vanzelfsprekend echter wel de bedoeling dat je zelf de vragen
beantwoordt. Het is daarom niet toegestaan om materialen (boeken,
aantekeningen) van anderen, zoals medestudenten, te gebruiken.
• Het tentamen bestaat uit twee delen. In deel 1 krijg je vier vragen, waarvan je
er drie moet beantwoorden; je mag zelf kiezen welke drie je beantwoordt. Deze
vragen testen je begrip van de stof. Probeer zo helder en volledig mogelijk te
antwoorden, maar geen irrelevante zaken op te schrijven (dat is immers iets
anders dan volledigheid). In deel 2 krijg je een casus, waarover je tot een moreel
oordeel moet komen via ofwel de methode van moreel redeneren ofwel de
methode van morele reflectie (zie hoofdstuk 4 van het boek van Burnor & Raley);
de keuze is ook hier weer aan jezelf. De vragen in onderdeel 1 zijn meestal al
niet heel kort te beantwoorden, maar de vraag in onderdeel 2 vraagt om een nog
veel uitgebreider antwoord. Woordminima en -maxima zijn er echter niet.
🧠 1. MOREEL REDENEREN (volgens de literatuur)
🔹 Wat is het?
Volgens de tekst is moreel redeneren een vast patroon van
denken:
Principle + Descriptive claim(s) → Judgment
Dus:
1. Principe (moral principle)
= een algemene regel (geldt voor iedereen)
Bijvoorbeeld: “Je moet geen schade toebrengen”
2. Descriptieve claim(s)
= feiten over de situatie (geen oordeel, alleen
beschrijving)
Bijvoorbeeld: “Als ik dit doe, raakt iemand gewond”
3. Oordeel (judgment)
= wat jij moet doen in deze specifieke situatie
👉 Samen leiden ze logisch tot een conclusie
🔹 Voorbeeld (heel simpel)
Principe: Je moet niet liegen
Beschrijving: Als ik dit zeg, lieg ik
👉 Oordeel: Ik moet de waarheid spreken
🔹 Belangrijk inzicht uit de tekst
Principes zijn algemeen
Oordelen zijn specifiek
, 4
De beschrijving maakt de link tussen beide
👉 Zonder beschrijving kun je geen concrete conclusie
trekken
🔹 Nog belangrijker (voor hoge punten)
Je kunt ook principes tegen elkaar afwegen
Zoals in de tekst:
“Je moet niet liegen”
“Je moet levens beschermen”
👉 Dan heb je een hoger principe nodig:
“Leven beschermen is belangrijker dan eerlijkheid”
🎯 Hoe gebruik je dit op een casus?
🔹 Stap-voor-stap (dit kun je letterlijk volgen)
1. Kies een principe (of meerdere)
Bijvoorbeeld:
autonomie
niet schaden
eerlijkheid
geluk maximaliseren
2. Beschrijf de situatie (descriptive claims)
Zeg wat er feitelijk gebeurt:
wie zijn betrokken
wat gebeurt er
wat zijn de gevolgen
3. Trek een conclusie (judgment)
Wat moet je doen?
4. (Voor 8+) → los conflicten op
Als twee principes botsen:
👉 geef aan welk principe zwaarder weegt en waarom
🔥 Ezelsbrug:
👉 Regel + Feiten = Conclusie
💭 2. MORELE REFLECTIE (volgens de literatuur)
🔹 Wat is het?
Volgens de tekst is dit een heel andere manier van
denken:
Geen vaste principes → maar kijken naar situatie, personen
en relaties
Het patroon is:
Descriptive claims +
Moral considerations (personen) +
Moral considerations (relaties)
→ Judgment
🔹 1. Descriptive claims (feiten – geen oordeel!)
Dit zijn objectieve beschrijvingen van de situatie.
👉 Voorbeelden:
Mijn vriend heeft een belangrijk tentamen morgen