Leerdoelen verpleegkundige
kennis 4
Geneeskunde- aanmaak van bloedcellen tot ontstaan van
trombose.
Leerdoelen:
1. Kenmerken en functies van bloedcellen, bepaalde bloedgroepen en
gevolgen.
2. Stollingscascade en medicatie invloed.
3. Afwijkingen van het bloed zoals anemie of trombose.
Leerdoel 1:
Bloedfuncties:
Transport van opgeloste gassen, voedingsstoffen, hormonen en
afvalproducten.
Stabiliseren Ph en ionensamenstelling van de interstitiële vloeistof
(vocht tussen cellen).
Beperking vloeistofverlies bij verwonding door stollingscascade.
Verdediging tegen gifstoffen en ziekteverwekkers.
Lichaamstemperatuur stabiliseren.
Bloed bevat veel plasma (plasma-eiwitten, opgeloste stoffen en water). 3
belangrijkste plasma-eiwitten zijn:
Albuminen, handhaven de osmotische druk.
Globulinen, antistoffen en transporteiwitten.
Fibrinogeen, rol bij bloedstolling.
Immunoglobulinen zijn antistoffen die lichaamsvreemde eiwitten en
ziekteverwekkers aanvallen.
Erytrocyten (rode bloedcellen) bevatten hemoglobine, dit bindt zuurstof en
koolstofdioxide en vervoert. Erytrocyten worden hergebruikt. Bij
veroudering/beschadiging scheurt een cel deel (hemolyse), dit wordt via
de urine uitgescheiden. Als dit in over mate gebeurt verkleurt de urine
(hemoglobinurie).
Vorming van erytrocyten (erytropoëse) vindt plaats in het rode beenmerg
(myeloïde weefsel). Dit wordt gestimuleerd door erytopoëtine (EPO) dat
wordt gevormd door de nieren en lever. EPO wordt afgegeven tijdens
bloedarmoede, bij afname bloedtoevoer naar de nieren, afname zuurstof
in het bloed en bij beschadiging van het gaswisselingoppervlak.
Leukocyten (witte bloedcellen) helpen het lichaam verdediging, er zijn
grannulocyten en agranulocyten.
4 kenmerken:
In staat tot amoeboïde bewegingen.
, Kunnen bloedstroom verlaten.
Aangetrokken tot chemische prikkels.
In staat tot fagocytose, afbraak.
Soorten witte bloedcellen:
Neutrofielen, eerste verdedigers van lichaam.
Eosinofielen, rol bij allergische reacties en bestrijding parasieten.
Basofielen, rol in allergische reacties en reguleren ontstekingen.
Monocyten, opruimen van afval en ziekteverwekkers.
Lymfocyten, gericht op specifieke afweer.
Trombocyten (bloedplaatjes) bevorderen het stollingsproces en helpen
beschadigde bloedvaten sluiten.
4 bloedgroepen, bij een verschillende combinatie vindt een kruisreactie
plaats. Lichaamsvreemde erytrocyten gaan dan samenklonteren
(agglutinatie).
Resuspositief (Rh+) geeft aan dat het resusantigeen op het oppervlak van
de erytrocyt aanwezig is. Iemand die dit antigeen niet heeft is
resusnegatief (Rh-).
Transfusiereacties zijn onderverdeeld in een niet-hemolytische en wel
hemolytische reactie.
Milde symptomen:
Misselijkheid, huiduitslag, jeuk en stijging van temp.
Ernstige symptomen:
Koorts, koude rillingen, onrust, ademhalingsproblemen, hypotensie,
tachycardie, anurie, oedeem en shock.
Leerdoel 2:
De stollingscascade is het proces waarmee je lichaam een bloedstolsel
vormt om bloedingen te stoppen.
1. Beschadiging bloedvat leidt tot activering cascade.
2. Aanmaak trombine wat leidt tot aanmaak fibrinedraden.
3. Draden vangen bloedplaatjes en bloedcellen op die een stolsel
vormen.
Leerdoel 3:
Anemie -> te laag aantal erytrocyten of hemoglobine.
Risicofactoren:
Bloedverlies.
Verminderde opname of tekort van voedingsstoffen.
Ziektes.
Zwangerschap.
Erfelijke factoren.
Symptomen:
Uiting of compensatie van zuurstof tekort in weefsels.
Moeheid, duizelig, hoofdpijn, zwakte en oorsuizen.
, Ernstiger: bleekheid, tachycardie, pijn op de borst, kortademigheid,
flauwvallen, hartfalen, shock, icterus en donkere urine.
Diagnostiek ->
Anamnese en lichamelijk onderzoek gericht op buik, lymfeklieren en
icterus.
Labonderzoek van Hb, MCV (cel volume) en ferritine gehalte (ijzer).
Behandeling is alleen afhankelijk van de oorzaak.
Trombofilie-> verhoogde stollingsneiging waarbij verhoogd risico is op
trombose.
Risicofactoren:
Erfelijk-niet aangeboren.
Bijkomende aandoeningen.
Medicatie gebruik met oestrogeen.
Zwangerschap of kraamperiode.
Trauma of operatie.
Immobilisatie.
3 beïnvloedende factoren:
1. Schade aan de vaatwand.
2. Veneuze stase, afwijkende bloedstroom.
3. Verhoogde stollingsneiging.
Symptomen zijn afhankelijk van de locatie, kan leiden tot veneuze stuwing
met zwelling, roodheid en warmte.
Ook kan ischemie voorkomen of uitval.
Behandeling is gericht op medicatie.
kennis 4
Geneeskunde- aanmaak van bloedcellen tot ontstaan van
trombose.
Leerdoelen:
1. Kenmerken en functies van bloedcellen, bepaalde bloedgroepen en
gevolgen.
2. Stollingscascade en medicatie invloed.
3. Afwijkingen van het bloed zoals anemie of trombose.
Leerdoel 1:
Bloedfuncties:
Transport van opgeloste gassen, voedingsstoffen, hormonen en
afvalproducten.
Stabiliseren Ph en ionensamenstelling van de interstitiële vloeistof
(vocht tussen cellen).
Beperking vloeistofverlies bij verwonding door stollingscascade.
Verdediging tegen gifstoffen en ziekteverwekkers.
Lichaamstemperatuur stabiliseren.
Bloed bevat veel plasma (plasma-eiwitten, opgeloste stoffen en water). 3
belangrijkste plasma-eiwitten zijn:
Albuminen, handhaven de osmotische druk.
Globulinen, antistoffen en transporteiwitten.
Fibrinogeen, rol bij bloedstolling.
Immunoglobulinen zijn antistoffen die lichaamsvreemde eiwitten en
ziekteverwekkers aanvallen.
Erytrocyten (rode bloedcellen) bevatten hemoglobine, dit bindt zuurstof en
koolstofdioxide en vervoert. Erytrocyten worden hergebruikt. Bij
veroudering/beschadiging scheurt een cel deel (hemolyse), dit wordt via
de urine uitgescheiden. Als dit in over mate gebeurt verkleurt de urine
(hemoglobinurie).
Vorming van erytrocyten (erytropoëse) vindt plaats in het rode beenmerg
(myeloïde weefsel). Dit wordt gestimuleerd door erytopoëtine (EPO) dat
wordt gevormd door de nieren en lever. EPO wordt afgegeven tijdens
bloedarmoede, bij afname bloedtoevoer naar de nieren, afname zuurstof
in het bloed en bij beschadiging van het gaswisselingoppervlak.
Leukocyten (witte bloedcellen) helpen het lichaam verdediging, er zijn
grannulocyten en agranulocyten.
4 kenmerken:
In staat tot amoeboïde bewegingen.
, Kunnen bloedstroom verlaten.
Aangetrokken tot chemische prikkels.
In staat tot fagocytose, afbraak.
Soorten witte bloedcellen:
Neutrofielen, eerste verdedigers van lichaam.
Eosinofielen, rol bij allergische reacties en bestrijding parasieten.
Basofielen, rol in allergische reacties en reguleren ontstekingen.
Monocyten, opruimen van afval en ziekteverwekkers.
Lymfocyten, gericht op specifieke afweer.
Trombocyten (bloedplaatjes) bevorderen het stollingsproces en helpen
beschadigde bloedvaten sluiten.
4 bloedgroepen, bij een verschillende combinatie vindt een kruisreactie
plaats. Lichaamsvreemde erytrocyten gaan dan samenklonteren
(agglutinatie).
Resuspositief (Rh+) geeft aan dat het resusantigeen op het oppervlak van
de erytrocyt aanwezig is. Iemand die dit antigeen niet heeft is
resusnegatief (Rh-).
Transfusiereacties zijn onderverdeeld in een niet-hemolytische en wel
hemolytische reactie.
Milde symptomen:
Misselijkheid, huiduitslag, jeuk en stijging van temp.
Ernstige symptomen:
Koorts, koude rillingen, onrust, ademhalingsproblemen, hypotensie,
tachycardie, anurie, oedeem en shock.
Leerdoel 2:
De stollingscascade is het proces waarmee je lichaam een bloedstolsel
vormt om bloedingen te stoppen.
1. Beschadiging bloedvat leidt tot activering cascade.
2. Aanmaak trombine wat leidt tot aanmaak fibrinedraden.
3. Draden vangen bloedplaatjes en bloedcellen op die een stolsel
vormen.
Leerdoel 3:
Anemie -> te laag aantal erytrocyten of hemoglobine.
Risicofactoren:
Bloedverlies.
Verminderde opname of tekort van voedingsstoffen.
Ziektes.
Zwangerschap.
Erfelijke factoren.
Symptomen:
Uiting of compensatie van zuurstof tekort in weefsels.
Moeheid, duizelig, hoofdpijn, zwakte en oorsuizen.
, Ernstiger: bleekheid, tachycardie, pijn op de borst, kortademigheid,
flauwvallen, hartfalen, shock, icterus en donkere urine.
Diagnostiek ->
Anamnese en lichamelijk onderzoek gericht op buik, lymfeklieren en
icterus.
Labonderzoek van Hb, MCV (cel volume) en ferritine gehalte (ijzer).
Behandeling is alleen afhankelijk van de oorzaak.
Trombofilie-> verhoogde stollingsneiging waarbij verhoogd risico is op
trombose.
Risicofactoren:
Erfelijk-niet aangeboren.
Bijkomende aandoeningen.
Medicatie gebruik met oestrogeen.
Zwangerschap of kraamperiode.
Trauma of operatie.
Immobilisatie.
3 beïnvloedende factoren:
1. Schade aan de vaatwand.
2. Veneuze stase, afwijkende bloedstroom.
3. Verhoogde stollingsneiging.
Symptomen zijn afhankelijk van de locatie, kan leiden tot veneuze stuwing
met zwelling, roodheid en warmte.
Ook kan ischemie voorkomen of uitval.
Behandeling is gericht op medicatie.