Mens in context
Doel:
- Je kunt theoretische begrippen uitleggen, toepassen en kritisch
beschouwen in relatie tot een casus uit de beroepspraktijk.
Toetsing:
- Een casustoets waarin je 4 concepten moet uitleggen en toepassen en
een kritische beschouwing moet schrijven.
Uitleggen:
- Beschrijf wat er wordt bedoeld met de concepten. Let op: dit is dus meer
dan een definitie reproduceren. Uitleggen betekent dat je een concept
inzichtelijk maakt voor iemand die er nog geen verstand van heeft.
- Ga na of er meerdere deelaspecten zijn die bij het concept horen en die
ook uitleg behoeven.
- Leg de concepten uit alsof je het aan iemand uitlegt die er niks van snapt.
- Uitleggen hoe het samenhangt in de omgeving en relevant is voor sociaal
werk.
- Je moet oefenen met uitleggen in eigen woorden om de theorie goed
eigen te maken.
- Het is handig om bij het uitleggen van een concept even een mindmap
maken en zo doormiddel van die deelbegrippen het hele concept
uitleggen.
Toepassen:
1. Beschrijf hoe de concepten met de casus samenhangen.
2. Licht toe wat de concepten voor verdiepend inzicht geven over de casus.
Kritisch beschouwen (advies geven)
- Geef vanuit het perspectief van de sociaal werker een kritische
beschouwing over hoe je de persoon uit de casus kunt helpen tot zijn
recht te komen in wisselwerking met zijn sociale omgeving. Betrek bij je
argumenten in ieder geval het volgende concept:
- Perspectiefverschuiving hoe kan ik het individu tot haar waarde helpen
door te kijken naar haar omgeving. Het is heel belangrijk om naar de
omgeving te kijken.
- Goede zin om kritische beschouwing mee af te sluiten is: “Kortom, om
Nina te helpen tot haar recht te komen in wisselwerking met haar
omgeving, is het van belang om haar neurodivergentie te omarmen en
niet te proberen aan te passen aan de maatschappelijke normen.
,Les 1: Ondersteuning bij leefstijl en stress:
Uitleggen:
Stress:
- Stress is een lichamelijke reactie op een bedreiging. Het is een soort ingebouwd
alarmsysteem voor de mens. Mensen ervaren stress bij een acute dreiging. Bij stress
maakt het lichaam zich klaar om te vechten, vluchten of bevriezen. Dit zijn de drie
bekendste reacties op gevaar: stressreacties. Echter zijn er onderzoeken die beweren
dat er nog een vierde mogelijkheid is: zorgen en verbinden (tend-and befriend). Bij
deze reactie zoek je bewust andere mensen op voor het vragen van hulp en steun.
Deze reactie zie je bij vrouwen vaker voorkomen dan bij mannen. Dit kan je verklaren
vanuit de oertijd, aangezien vrouwen fysiek kwetsbaarder zijn en afhankelijk van hun
omgeving. Wanneer mensen stress ervaren schiet je lichaam dus in de alarmstand: je
bloeddruk schiet omhoog; je hartslag ook en je spieren spannen zich aan. Stress
werkt doormiddel van hormonen: adrenaline en noradrenaline. Wanneer stress
langer duurt, wordt er een tweede hormoon aangemaakt: cortisol. Er komen veel
situaties voor waarbij stress een hele belangrijke functie heeft, dan spreek je van
eustress. Stress is functioneel in gevaarlijke situaties, en zelfs bij spannende dingen
zoals een presentatie of sollicitatiegesprek is stress functioneel: je bent klaarwakker
en scherp, als je stress hebt gaap je nooit. Stress heeft dus belangrijke functies en is
oorspronkelijk bedoeld om je in veiligheid te brengen. Normaal gesproken zakt de
stress weer weg wanneer de dreiging is verdwenen, de directe stressreacties zwakken
dan af naar een normaal niveau. Helaas is dit niet altijd zo. Langdurige stress kan je
uitputten en lichamelijke of psychische klachten geven. Stressveroorzakers worden
stressoren genoemd, dit zijn de prikkels of situaties die stress veroorzaken (deadlines,
presentaties, conflicten). Chronische stressoren zijn nergens goed voor, denk hierbij
aan armoede, een lastige thuissituatie, een slechte gezondheid en dergelijke.
Stressbronnen zijn de gebieden in iemands leven waar stressoren vandaan komen. Je
kunt het vergelijken met de basis waar spanningen groeien. Een stressor kan een
conflict of deadline zijn, terwijl een stressbron verwijst naar de bredere context: waar
komt die stressor uit voort? Voorbeelden van stressbronnen zijn: werk of studie,
gezondheid, financiën, gezin of relaties of je woonomgeving. Het is belangrijk om te
weten dat stressbronnen vaak met elkaar verbonden zijn. Iemand met financiële
zorgen kan daardoor spanning in relaties ervaren. Stress gaat in eerste instantie om
iets lichamelijks, hoewel de geest hier evengoed bij betrokken kan zijn. Bij chronische
stress ga je piekeren. De stress is in het dagelijks leven te veel aanwezig en je kunt de
negatieve gedachten niet stoppen. Vaak is dat een aanleiding om hulp te zoeken.
Voor sociaal werkers is het belangrijk om kennis over stress te hebben, omdat het een
veelvoorkomend thema is in het sociaal werk en het hoogstwaarschijnlijk bij elke
problematiek een rol speelt.
Samenvattend: stress is een natuurlijke reactie, maar of het gezond of ongezond is,
hangt af van de duur, de intensiteit en iemands draagkracht/draaglast.
Coping stijlen:
, - Coping gaat over de manier waarop mensen omgaan met stress, tegenslag of lastige
situaties. Het zijn manieren waarop iemand probeert grip te krijgen op een lastige
situatie. Dit kan bewust of onbewust gebeuren. Wanneer we het hebben over een
coping stijl, bedoelen we de manier die iemand vaak of automatisch gebruikt. Er zijn
7 verschillende coping stijlen. Allereerst is er actief aanpakken, waarbij iemand zijn of
haar problemen direct onder ogen ziet en probeert op te lossen. Daarnaast bestaat
sociale steun zoeken, waarbij contact met anderen centraal staat om spanning te
verlichten of oplossingen te vinden. Een andere stijl is de palliatieve reactie, waarbij
iemand ontspanning zoekt of zichzelf afleidt om de spanning te verminderen,
bijvoorbeeld door te sporten of iets leuks te doen. Verder is vermijden ook een van
de zeven coping stijlen en ontlopen mensen hierbij hun problemen of stellen ze het
uit in de hoop dat het vanzelf verdwijnt. Een passief reactiepatroon houdt in dan
iemand zich terugtrekt, piekert of afwacht zonder veel initiatief te nemen. Expressie
van emoties is een stijl waarbij gevoelens duidelijk en direct geuit worden,
bijvoorbeeld door boosheid of verdriet te tonen. Tot slot is er geruststellende
gedachten, waarbij iemand zichzelf moed inspreekt of de situatie relativeert om
spanning minder te maken.
Omgevingsdeterminanten:
- Omgevingsdeterminanten zijn factoren in iemands leefomgeving die van invloed zijn
op gezondheid, welzijn en gedrag. Het woord determinant betekent iets dat invloed
uitoefent, omgevingsdeterminanten zijn factoren van buitenaf. Het gaat hierom de
fysieke omgeving (huisvesting, groenvoorziening, veiligheid), de sociale omgeving
(steun van familie, vrienden, buurt) en bredere maatschappelijke context (zoals
inkomen, werkgelegenheid, opleidingsniveau, toegang tot zorg. Volgens
Bronfenbrenner ontwikkelt een mens zich altijd in wisselwerking met deze lagen van
de omgeving, van het gezin tot de maatschappij als geheel. Ook in het balansmodel
van Bakker zien we omgevingsdeterminanten terug als belangrijke invloeden op
draagkracht en draaglast. Wel is het belangrijk om te onthouden dat deze
determinanten niet los staan van iemands persoonlijke eigenschappen. Ze werken
samen: een sterke familieband kan gespannenheid in sociale situaties dempen, terwijl
een lastige familieband de stress juist kan versterken; heel logisch eigenlijk. Daarom
zijn omgevingsdeterminanten ook zo belangrijk voor sociaal werkers, omdat ze
hierdoor leren kijken naar de bredere context, en niet alleen problemen individueel
bekijken.
Gedragsdeterminanten van persoonlijke aard (negen):
- Dit zijn factoren die vanuit het individu zelf komen en bepalen waarom iemand zich
op een bepaalde manier gedraagt. Het woord determinant betekent iets dat richting
geeft of invloed uitoefent. Bij gedragsdeterminanten ligt de focus op de interne
, kenmerken van een persoon, in tegenstelling tot omgevings-of maatschappelijke
factoren.
- Er zijn negen gedragsdeterminanten van persoonlijke aard. Ten eerste is een
belangrijk deelaspect de cognitieve factoren, zoals kennis, overtuigingen en
gedachten. Iemand die goed weet hoe belangrijk beweging is, en gelooft dat dit
belangrijk is, heeft meer kans om bijvoorbeeld te sporten. Ten tweede zijn de
vaardigheden belangrijk, zelfs wanneer iemand weet wat goed is, lukt het alleen
wanneer hij of zij de praktische capaciteit heeft om dat gedrag uit te voeren. Ten
derde is de attitude belangrijk, dit betreft de houding van iemand tegenover bepaald
gedrag, een positieve houding vergroot de kans dat het gedrag wordt uitgevoerd. Ook
zijn waarden van groot belang bij het beïnvloeden van gedrag, omdat diepgewortelde
principes iemands keuzes veel richting geven. Daarnaast zijn overtuigingen van
invloed, bijvoorbeeld dat roken ontspanning biedt. Verder spelen de verwachte
uitkomsten een rol: iemand schat in wat de gevolgen van bepaald gedrag zijn, wat
invloed heeft op iemands beslissingen. Daarbij zijn emoties belangrijk; gevoelens van
angst kunnen gedrag remmen en een grote belemmering zijn. Ten achtste spelen
motivatie en intentie een grote rol om bepaald gedrag uit te voeren of te veranderen.
Daarnaast spelen persoonlijkheidskenmerken een rol, dit zijn eigenschappen die
vaak al vanaf de geboorte aanwezig zijn. Iemand die geboren wordt met veel
doorzettingsvermogen heeft een grotere kans om te gaan studeren dan iemand
waarbij dit het tegenovergestelde is. Tot slot valt de gezondheidstoestand hier ook
onder: iemand met een chronische ziekte of beperking neemt vaak andere keuzes en
grenzen dan iemand zonder die belemmeringen.
Wat bijzonder is aan deze determinanten, is dat ze nooit helemaal los staan van de
omgeving. Iemand die van nature veel doorzettingsvermogen heeft is eerder geneigd
om door te studeren, maar dit wordt ook voor een groot deel beïnvloed door de
opvoeding en externe factoren in iemands leven. Zo zou het kunnen dat iemand met
veel doorzettingsvermogen maar een lastige jeugd er niet voor kiest om door te
studeren, maar iemand met minder doorzettingsvermogen en een goede jeugd er wel
voor kiest om door te studeren. Het is voor sociaal werkers dan ook van groot belang
om inzicht te hebben in iemands persoonlijke gedragsdeterminanten. Omdat je
hierdoor begrijpt wat iemands krachten en valkuilen zijn en hoe je hier de juiste
ondersteuning voor kan bieden.
Leefstijl:
- Leefstijl gaat over de manier waarop je leeft en hoe dat van invloed is op je welzijn.
Bij leefstijl kan je denken aan slaapgedrag, voeding, alcohol en drugs, seksualiteit,
relaties zonnebaden en lichaamsbeweging. Dat zijn de belangrijkste componenten.
Een goede leefstijl heeft een positieve invloed op je welzijn en een slechte leefstijl
toet het omgekeerde. We spreken van een goede leefstijl als iemand voldoende
Doel:
- Je kunt theoretische begrippen uitleggen, toepassen en kritisch
beschouwen in relatie tot een casus uit de beroepspraktijk.
Toetsing:
- Een casustoets waarin je 4 concepten moet uitleggen en toepassen en
een kritische beschouwing moet schrijven.
Uitleggen:
- Beschrijf wat er wordt bedoeld met de concepten. Let op: dit is dus meer
dan een definitie reproduceren. Uitleggen betekent dat je een concept
inzichtelijk maakt voor iemand die er nog geen verstand van heeft.
- Ga na of er meerdere deelaspecten zijn die bij het concept horen en die
ook uitleg behoeven.
- Leg de concepten uit alsof je het aan iemand uitlegt die er niks van snapt.
- Uitleggen hoe het samenhangt in de omgeving en relevant is voor sociaal
werk.
- Je moet oefenen met uitleggen in eigen woorden om de theorie goed
eigen te maken.
- Het is handig om bij het uitleggen van een concept even een mindmap
maken en zo doormiddel van die deelbegrippen het hele concept
uitleggen.
Toepassen:
1. Beschrijf hoe de concepten met de casus samenhangen.
2. Licht toe wat de concepten voor verdiepend inzicht geven over de casus.
Kritisch beschouwen (advies geven)
- Geef vanuit het perspectief van de sociaal werker een kritische
beschouwing over hoe je de persoon uit de casus kunt helpen tot zijn
recht te komen in wisselwerking met zijn sociale omgeving. Betrek bij je
argumenten in ieder geval het volgende concept:
- Perspectiefverschuiving hoe kan ik het individu tot haar waarde helpen
door te kijken naar haar omgeving. Het is heel belangrijk om naar de
omgeving te kijken.
- Goede zin om kritische beschouwing mee af te sluiten is: “Kortom, om
Nina te helpen tot haar recht te komen in wisselwerking met haar
omgeving, is het van belang om haar neurodivergentie te omarmen en
niet te proberen aan te passen aan de maatschappelijke normen.
,Les 1: Ondersteuning bij leefstijl en stress:
Uitleggen:
Stress:
- Stress is een lichamelijke reactie op een bedreiging. Het is een soort ingebouwd
alarmsysteem voor de mens. Mensen ervaren stress bij een acute dreiging. Bij stress
maakt het lichaam zich klaar om te vechten, vluchten of bevriezen. Dit zijn de drie
bekendste reacties op gevaar: stressreacties. Echter zijn er onderzoeken die beweren
dat er nog een vierde mogelijkheid is: zorgen en verbinden (tend-and befriend). Bij
deze reactie zoek je bewust andere mensen op voor het vragen van hulp en steun.
Deze reactie zie je bij vrouwen vaker voorkomen dan bij mannen. Dit kan je verklaren
vanuit de oertijd, aangezien vrouwen fysiek kwetsbaarder zijn en afhankelijk van hun
omgeving. Wanneer mensen stress ervaren schiet je lichaam dus in de alarmstand: je
bloeddruk schiet omhoog; je hartslag ook en je spieren spannen zich aan. Stress
werkt doormiddel van hormonen: adrenaline en noradrenaline. Wanneer stress
langer duurt, wordt er een tweede hormoon aangemaakt: cortisol. Er komen veel
situaties voor waarbij stress een hele belangrijke functie heeft, dan spreek je van
eustress. Stress is functioneel in gevaarlijke situaties, en zelfs bij spannende dingen
zoals een presentatie of sollicitatiegesprek is stress functioneel: je bent klaarwakker
en scherp, als je stress hebt gaap je nooit. Stress heeft dus belangrijke functies en is
oorspronkelijk bedoeld om je in veiligheid te brengen. Normaal gesproken zakt de
stress weer weg wanneer de dreiging is verdwenen, de directe stressreacties zwakken
dan af naar een normaal niveau. Helaas is dit niet altijd zo. Langdurige stress kan je
uitputten en lichamelijke of psychische klachten geven. Stressveroorzakers worden
stressoren genoemd, dit zijn de prikkels of situaties die stress veroorzaken (deadlines,
presentaties, conflicten). Chronische stressoren zijn nergens goed voor, denk hierbij
aan armoede, een lastige thuissituatie, een slechte gezondheid en dergelijke.
Stressbronnen zijn de gebieden in iemands leven waar stressoren vandaan komen. Je
kunt het vergelijken met de basis waar spanningen groeien. Een stressor kan een
conflict of deadline zijn, terwijl een stressbron verwijst naar de bredere context: waar
komt die stressor uit voort? Voorbeelden van stressbronnen zijn: werk of studie,
gezondheid, financiën, gezin of relaties of je woonomgeving. Het is belangrijk om te
weten dat stressbronnen vaak met elkaar verbonden zijn. Iemand met financiële
zorgen kan daardoor spanning in relaties ervaren. Stress gaat in eerste instantie om
iets lichamelijks, hoewel de geest hier evengoed bij betrokken kan zijn. Bij chronische
stress ga je piekeren. De stress is in het dagelijks leven te veel aanwezig en je kunt de
negatieve gedachten niet stoppen. Vaak is dat een aanleiding om hulp te zoeken.
Voor sociaal werkers is het belangrijk om kennis over stress te hebben, omdat het een
veelvoorkomend thema is in het sociaal werk en het hoogstwaarschijnlijk bij elke
problematiek een rol speelt.
Samenvattend: stress is een natuurlijke reactie, maar of het gezond of ongezond is,
hangt af van de duur, de intensiteit en iemands draagkracht/draaglast.
Coping stijlen:
, - Coping gaat over de manier waarop mensen omgaan met stress, tegenslag of lastige
situaties. Het zijn manieren waarop iemand probeert grip te krijgen op een lastige
situatie. Dit kan bewust of onbewust gebeuren. Wanneer we het hebben over een
coping stijl, bedoelen we de manier die iemand vaak of automatisch gebruikt. Er zijn
7 verschillende coping stijlen. Allereerst is er actief aanpakken, waarbij iemand zijn of
haar problemen direct onder ogen ziet en probeert op te lossen. Daarnaast bestaat
sociale steun zoeken, waarbij contact met anderen centraal staat om spanning te
verlichten of oplossingen te vinden. Een andere stijl is de palliatieve reactie, waarbij
iemand ontspanning zoekt of zichzelf afleidt om de spanning te verminderen,
bijvoorbeeld door te sporten of iets leuks te doen. Verder is vermijden ook een van
de zeven coping stijlen en ontlopen mensen hierbij hun problemen of stellen ze het
uit in de hoop dat het vanzelf verdwijnt. Een passief reactiepatroon houdt in dan
iemand zich terugtrekt, piekert of afwacht zonder veel initiatief te nemen. Expressie
van emoties is een stijl waarbij gevoelens duidelijk en direct geuit worden,
bijvoorbeeld door boosheid of verdriet te tonen. Tot slot is er geruststellende
gedachten, waarbij iemand zichzelf moed inspreekt of de situatie relativeert om
spanning minder te maken.
Omgevingsdeterminanten:
- Omgevingsdeterminanten zijn factoren in iemands leefomgeving die van invloed zijn
op gezondheid, welzijn en gedrag. Het woord determinant betekent iets dat invloed
uitoefent, omgevingsdeterminanten zijn factoren van buitenaf. Het gaat hierom de
fysieke omgeving (huisvesting, groenvoorziening, veiligheid), de sociale omgeving
(steun van familie, vrienden, buurt) en bredere maatschappelijke context (zoals
inkomen, werkgelegenheid, opleidingsniveau, toegang tot zorg. Volgens
Bronfenbrenner ontwikkelt een mens zich altijd in wisselwerking met deze lagen van
de omgeving, van het gezin tot de maatschappij als geheel. Ook in het balansmodel
van Bakker zien we omgevingsdeterminanten terug als belangrijke invloeden op
draagkracht en draaglast. Wel is het belangrijk om te onthouden dat deze
determinanten niet los staan van iemands persoonlijke eigenschappen. Ze werken
samen: een sterke familieband kan gespannenheid in sociale situaties dempen, terwijl
een lastige familieband de stress juist kan versterken; heel logisch eigenlijk. Daarom
zijn omgevingsdeterminanten ook zo belangrijk voor sociaal werkers, omdat ze
hierdoor leren kijken naar de bredere context, en niet alleen problemen individueel
bekijken.
Gedragsdeterminanten van persoonlijke aard (negen):
- Dit zijn factoren die vanuit het individu zelf komen en bepalen waarom iemand zich
op een bepaalde manier gedraagt. Het woord determinant betekent iets dat richting
geeft of invloed uitoefent. Bij gedragsdeterminanten ligt de focus op de interne
, kenmerken van een persoon, in tegenstelling tot omgevings-of maatschappelijke
factoren.
- Er zijn negen gedragsdeterminanten van persoonlijke aard. Ten eerste is een
belangrijk deelaspect de cognitieve factoren, zoals kennis, overtuigingen en
gedachten. Iemand die goed weet hoe belangrijk beweging is, en gelooft dat dit
belangrijk is, heeft meer kans om bijvoorbeeld te sporten. Ten tweede zijn de
vaardigheden belangrijk, zelfs wanneer iemand weet wat goed is, lukt het alleen
wanneer hij of zij de praktische capaciteit heeft om dat gedrag uit te voeren. Ten
derde is de attitude belangrijk, dit betreft de houding van iemand tegenover bepaald
gedrag, een positieve houding vergroot de kans dat het gedrag wordt uitgevoerd. Ook
zijn waarden van groot belang bij het beïnvloeden van gedrag, omdat diepgewortelde
principes iemands keuzes veel richting geven. Daarnaast zijn overtuigingen van
invloed, bijvoorbeeld dat roken ontspanning biedt. Verder spelen de verwachte
uitkomsten een rol: iemand schat in wat de gevolgen van bepaald gedrag zijn, wat
invloed heeft op iemands beslissingen. Daarbij zijn emoties belangrijk; gevoelens van
angst kunnen gedrag remmen en een grote belemmering zijn. Ten achtste spelen
motivatie en intentie een grote rol om bepaald gedrag uit te voeren of te veranderen.
Daarnaast spelen persoonlijkheidskenmerken een rol, dit zijn eigenschappen die
vaak al vanaf de geboorte aanwezig zijn. Iemand die geboren wordt met veel
doorzettingsvermogen heeft een grotere kans om te gaan studeren dan iemand
waarbij dit het tegenovergestelde is. Tot slot valt de gezondheidstoestand hier ook
onder: iemand met een chronische ziekte of beperking neemt vaak andere keuzes en
grenzen dan iemand zonder die belemmeringen.
Wat bijzonder is aan deze determinanten, is dat ze nooit helemaal los staan van de
omgeving. Iemand die van nature veel doorzettingsvermogen heeft is eerder geneigd
om door te studeren, maar dit wordt ook voor een groot deel beïnvloed door de
opvoeding en externe factoren in iemands leven. Zo zou het kunnen dat iemand met
veel doorzettingsvermogen maar een lastige jeugd er niet voor kiest om door te
studeren, maar iemand met minder doorzettingsvermogen en een goede jeugd er wel
voor kiest om door te studeren. Het is voor sociaal werkers dan ook van groot belang
om inzicht te hebben in iemands persoonlijke gedragsdeterminanten. Omdat je
hierdoor begrijpt wat iemands krachten en valkuilen zijn en hoe je hier de juiste
ondersteuning voor kan bieden.
Leefstijl:
- Leefstijl gaat over de manier waarop je leeft en hoe dat van invloed is op je welzijn.
Bij leefstijl kan je denken aan slaapgedrag, voeding, alcohol en drugs, seksualiteit,
relaties zonnebaden en lichaamsbeweging. Dat zijn de belangrijkste componenten.
Een goede leefstijl heeft een positieve invloed op je welzijn en een slechte leefstijl
toet het omgekeerde. We spreken van een goede leefstijl als iemand voldoende