Kennislabs
BS1:
Week 1
Ziekte oorzaak: Dat wat ervoor zorgt dat de ziekte of aandoening tot stand komt.
—> leer van de oorzaken van aandoeningen heet etiologie
Oorzaken kunnen worden verdeeld in twee verschillende factoren:
1. Endogeen
—> overerving (genetische afwijking)
2. Exogeen
—> infectie (ziek door micro organisme)
—> fysische factoren ( ongeluk, temperatuur, straling, geluidsoverlast, etc)
—> chemische sto en (alchohol, drugs, medicatie)
—> voeding gerelateerde factoren
Er zijn verschillende soorten oorzaken:
- Idiopatische aandoening
- Oorzaak onbekend
- Iatrogene aandoening
- Ontstaan ten gevolge van ingreep (bijv bloeding na operatie)
- Congenitale aandoening
- Aangeboren (erfelijk of ontstaan bij zwangerschap (denk aan hazenlip))
Pathogenese
Reactie van het lichaam op de oorzaak; dit kan op verschillende manieren:
- In ammatie; ontsteking als reactie op de infectie met een bacterie, virus of schimmel
- Abnormale activiteit van het immuunsysteem; gebeurd bij allergieën
- Neoplasma (nieuwvorming); ongecontroleerde abnormale celdeling kan zorgen dat een tumor
ontstaat
- Ischemie; ontstaat als er een tekort aan doorbloeding is in een orgaan. Door een
doorbloedingsstoornis kan het aangedane orgaan niet meer goed functioneren.
- Metabole stoornissen; een metabole stofwisseling op celniveau is verstoord
- Degeneratie; afnemen van de normale functie, dit kan vaak gebeuren door ouderdom
Risico factoren vergroten de kans op aandoening of ziekte
Endogene risicofactoren Exogene risicofactoren
Leeftijd Fysische factoren; geluid, licht, straling, etc
Geslacht Chemische sto en; asbestos, etc
Overgewicht Stressfactoren; oorlog, trauma, etc
Andere aandoeningen Leefstijlfactoren; voeding, middelengebruik,
gedrag, etc
Terminologie behandeling
- Curatief; behandeling gericht op genezing (antibiotica) / palliatief; geen genezing mogelijk,
gericht op kwaliteit van leven en comfort (pijnbestrijding bij iemand die ongeneselijk ziek is)
- Causaal; gericht op de oorzaak van de ziekte (door overgewicht diabetes krijgt hulp bij
afvallen) / symptomatisch; gericht op de symptomen (neusspray bij verkoudheid/paracetamol
bij hoofdpijn)
- Substitutie; medicijnen die een lichaamseigen stof vervangen (insuline bij diabetes)
- Complementair; ondersteunende behandelingen (psychosociale begeleiding bij iemand met
kanker)
- Alternatief; nut is niet wetenschappelijk bewezen (accupunctuur)
fl ff ff
,Terminologie behandeling
- Prognose; voorspelling over hoe een ziekte zal verlopen (wordt iemand beter? Of niet? En
hoelang heeft iemand nog? Met welke klachten?)
- Acuut; infectie (blaasontsteking) / chronisch; langdurig (kanker, COPD, diabetes)
- Remissie; ziekte is in rust, lange tijd geen klachten (ziekte van kroon) / exacerbatie; ziekte
speelt weer op en er worden weer klachten ervaren
- Recidief; lijkt alsof ziekte weg is, maar keert uiteindelijk toch terug
- Complicatie; ongewenste gebeurtenissen (bloeding bij operatie —> kan nadelige gevolgen
hebben voor de prognose)
- Restverschijnselen; verschijnselen die blijven na het genezen van een ziekte/aandoening
(blijvende verlamming na een herseninfarct/longcovid)
- Terminaal; de levensverwachting is korter dan 3 maanden (vaak gebruikt in de oncologie)
Geslachtschromosomen
bevatten informatie over
geslacht maar bevatten ook
andere informatie
Autochromosomen bevatten alle
overige informatie, bijv over
uiterlijk
Chromosoom bestaat uit DNA,
het erfelijk materiaal met daarop
instructies voor eiwitvorming.
Een stukje van het DNA waarop
de informatie staat om een stuk
eiwit te vormen, noemen we een
gen.
De genen in de ei- & zaadcel
,bepalen welke eigenschappen een kind krijgt, zoals de haarkleur.
In het plaatje hierboven hebben de vader en het kind twee keer hetzelfde allel voor haarkleur, dit
noemen ze homozygoot. De moeder heeft een allel voor bruin haar en een allel voor blond haar,
dus 2 verschillende allelen, dit noemen ze heterozygoot.
De moeder heeft bruin haar; het allel voor bruin haar is dus dominant. Dit betekend dat het allel
voor blond haar recessief. Het recessieve allel komt dus alleen tot uiting als er 2 recessieve allelen
zijn, zoals bij de vader en het kind.
Dit gebeurt ook bij overerving van ziekten. ‘Foute’ allelen worden overgedragen door de ouders.
Deze overerving kan op verschillende manieren plaatsvinden:
Bij autosomale recessieve overerving bevindt het aangedane gen zich op een autosoom. Het allel
is recessief en komt alleen tot uiting als het kind er twee heeft.
, Bij autosomaal dominante overerving is het allel met de ziekte dominant. Het gen bevindt zich op
het autosoom dus het geslacht maakt niet uit.
Bij geslachtsgebonden recessieve overerving bevindt het aangedane gen zich op een
geslachtschromosoom. In het voorbeeld hierboven is het gen x-gebonden. Een dochter kan dus
altijd compenseren met een ‘gezond’ x chromosoom, en een zoon niet.
Er bestaat ook geslachtsgebonden dominante overerving, maar dit is erg zeldzaam.
BS1:
Week 1
Ziekte oorzaak: Dat wat ervoor zorgt dat de ziekte of aandoening tot stand komt.
—> leer van de oorzaken van aandoeningen heet etiologie
Oorzaken kunnen worden verdeeld in twee verschillende factoren:
1. Endogeen
—> overerving (genetische afwijking)
2. Exogeen
—> infectie (ziek door micro organisme)
—> fysische factoren ( ongeluk, temperatuur, straling, geluidsoverlast, etc)
—> chemische sto en (alchohol, drugs, medicatie)
—> voeding gerelateerde factoren
Er zijn verschillende soorten oorzaken:
- Idiopatische aandoening
- Oorzaak onbekend
- Iatrogene aandoening
- Ontstaan ten gevolge van ingreep (bijv bloeding na operatie)
- Congenitale aandoening
- Aangeboren (erfelijk of ontstaan bij zwangerschap (denk aan hazenlip))
Pathogenese
Reactie van het lichaam op de oorzaak; dit kan op verschillende manieren:
- In ammatie; ontsteking als reactie op de infectie met een bacterie, virus of schimmel
- Abnormale activiteit van het immuunsysteem; gebeurd bij allergieën
- Neoplasma (nieuwvorming); ongecontroleerde abnormale celdeling kan zorgen dat een tumor
ontstaat
- Ischemie; ontstaat als er een tekort aan doorbloeding is in een orgaan. Door een
doorbloedingsstoornis kan het aangedane orgaan niet meer goed functioneren.
- Metabole stoornissen; een metabole stofwisseling op celniveau is verstoord
- Degeneratie; afnemen van de normale functie, dit kan vaak gebeuren door ouderdom
Risico factoren vergroten de kans op aandoening of ziekte
Endogene risicofactoren Exogene risicofactoren
Leeftijd Fysische factoren; geluid, licht, straling, etc
Geslacht Chemische sto en; asbestos, etc
Overgewicht Stressfactoren; oorlog, trauma, etc
Andere aandoeningen Leefstijlfactoren; voeding, middelengebruik,
gedrag, etc
Terminologie behandeling
- Curatief; behandeling gericht op genezing (antibiotica) / palliatief; geen genezing mogelijk,
gericht op kwaliteit van leven en comfort (pijnbestrijding bij iemand die ongeneselijk ziek is)
- Causaal; gericht op de oorzaak van de ziekte (door overgewicht diabetes krijgt hulp bij
afvallen) / symptomatisch; gericht op de symptomen (neusspray bij verkoudheid/paracetamol
bij hoofdpijn)
- Substitutie; medicijnen die een lichaamseigen stof vervangen (insuline bij diabetes)
- Complementair; ondersteunende behandelingen (psychosociale begeleiding bij iemand met
kanker)
- Alternatief; nut is niet wetenschappelijk bewezen (accupunctuur)
fl ff ff
,Terminologie behandeling
- Prognose; voorspelling over hoe een ziekte zal verlopen (wordt iemand beter? Of niet? En
hoelang heeft iemand nog? Met welke klachten?)
- Acuut; infectie (blaasontsteking) / chronisch; langdurig (kanker, COPD, diabetes)
- Remissie; ziekte is in rust, lange tijd geen klachten (ziekte van kroon) / exacerbatie; ziekte
speelt weer op en er worden weer klachten ervaren
- Recidief; lijkt alsof ziekte weg is, maar keert uiteindelijk toch terug
- Complicatie; ongewenste gebeurtenissen (bloeding bij operatie —> kan nadelige gevolgen
hebben voor de prognose)
- Restverschijnselen; verschijnselen die blijven na het genezen van een ziekte/aandoening
(blijvende verlamming na een herseninfarct/longcovid)
- Terminaal; de levensverwachting is korter dan 3 maanden (vaak gebruikt in de oncologie)
Geslachtschromosomen
bevatten informatie over
geslacht maar bevatten ook
andere informatie
Autochromosomen bevatten alle
overige informatie, bijv over
uiterlijk
Chromosoom bestaat uit DNA,
het erfelijk materiaal met daarop
instructies voor eiwitvorming.
Een stukje van het DNA waarop
de informatie staat om een stuk
eiwit te vormen, noemen we een
gen.
De genen in de ei- & zaadcel
,bepalen welke eigenschappen een kind krijgt, zoals de haarkleur.
In het plaatje hierboven hebben de vader en het kind twee keer hetzelfde allel voor haarkleur, dit
noemen ze homozygoot. De moeder heeft een allel voor bruin haar en een allel voor blond haar,
dus 2 verschillende allelen, dit noemen ze heterozygoot.
De moeder heeft bruin haar; het allel voor bruin haar is dus dominant. Dit betekend dat het allel
voor blond haar recessief. Het recessieve allel komt dus alleen tot uiting als er 2 recessieve allelen
zijn, zoals bij de vader en het kind.
Dit gebeurt ook bij overerving van ziekten. ‘Foute’ allelen worden overgedragen door de ouders.
Deze overerving kan op verschillende manieren plaatsvinden:
Bij autosomale recessieve overerving bevindt het aangedane gen zich op een autosoom. Het allel
is recessief en komt alleen tot uiting als het kind er twee heeft.
, Bij autosomaal dominante overerving is het allel met de ziekte dominant. Het gen bevindt zich op
het autosoom dus het geslacht maakt niet uit.
Bij geslachtsgebonden recessieve overerving bevindt het aangedane gen zich op een
geslachtschromosoom. In het voorbeeld hierboven is het gen x-gebonden. Een dochter kan dus
altijd compenseren met een ‘gezond’ x chromosoom, en een zoon niet.
Er bestaat ook geslachtsgebonden dominante overerving, maar dit is erg zeldzaam.