Deel 1: Amerika (1585-1833)
Motieven voor kolonisatie vanaf eind 16e eeuw:
Economisch:
- Engeland wilde net als Spanje en Portugal, die koloniën
hadden in Noord-Amerika, profteren van rijkdommen van
Amerika.
- Een alternatieve route naar Azië vinden voor winstgevende
handel.
- Er was kans op het vinden van zilver- en goudmijnen.
- In Amerika was land genoeg om een eigen boerenbedrijf te
starten en te handelen met de inheemse bevolking.
- Politiek: Noord-Amerika als uitvalbasis gebruiken tegen
Spanje in de oorlog met Spanje.
- Religieus: Een samenleving ontwikkelen op basis van
streng protestantse voorschriften.
1620: Pilgrim Fathers (strenge protestanten) stichtten de kolonie Massachusetts.
Virginia → plantage-economie wegens het klimaat → ontstaan zuidelijke plantagekoloniën.
Noorden → vestigingskoloniën, er trokken heel veel Britten om zich daar als gemeenschap
te vestigen. De economische nadruk lag op handel en nijverheid, niet op grootschalig
landbouw.
Noordelijke koloniën Zuidelijke koloniën
Economisch kenmerk Nadruk op nijverheid en Nadruk op grootschalige
handel. landbouw op de plantages.
Sociaal- Hoog percentage Hoog percentage slavenarbeid,
maatschappelijk stedelijke bevolking, grootschalige landbouw, weinig
kenmerk geschoold en stedelijke bevolking.
ondernemend.
Conflicten met de native Americans:
- Steeds vaker vestigden kolonisten zich in hun grondgebied,
- Verschillende indianenvolken vormden geen eenheid, waardoor ze niet effectief konden
samenwerken tegen hun gezamenlijke vijand.
- Verspreiding Europese ziektes.
1627: kolonisatie Caribisch eiland Barbados.
1655: kolonisatie Jamaica.
1672: oprichting RAC (Royal African Company) door de driehoekshandel. Kreeg het
monopolie op de Engelse goud- en slavenhandel.
1