Leeswerk – Financieel management in de publieke sector
Week 1: Inleiding
Bij (2011) + Gradus (2009) + Von Hagen (2007) + Ros (2009) + Sanders (2010)
Bij (2011): Fondsvorming
Samenvatting
Voor het Rijk geldt dat de begrotingsfondsen sterk aan belang inboeten. Het
AOW-spaarfonds wordt (met recht en rede) opgeheven en het Fonds Economische
Structuurversterking wordt leeggehaald. Alleen de verdeelfondsen (gemeente- en
provinciefonds) en de fondsen die uitgaven en inkomsten in de tijd egaliseren
(Infrastructuurfonds en het op te richten Deltafonds) blijven over. Daar staat
tegenover dat vooral gemeenten en provincies fondsconstructies ontdekt
hebben, als instrument voor het stimuleren van de economische activiteiten in de
regio, en dat veelal in samenwerking met private partijen. Voor succesvolle
projecten is het echter vereist dat er voldoende kansen zijn voor private partijen
op het behalen van een rendement, terwijl de risico’s voor de publieke
deelnemers voorzienbaar, aanvaardbaar en beheersbaar blijven. Ten slotte geldt
voor de EU dat de fondsen van groot belang blijven. Ook de EU zet hierbij in op
het faciliteren van de samenwerking met private partijen, bijvoorbeeld in het
kader van stadsvernieuwing.
Inleiding
Fondsen hebben een meer bescheiden plaats gekregen binnen het comptabele
stelsel van de Rijksoverheid. Ook decentrale overheden en de EU maken gebruik
van dit instrument.
Voor- en nadelen
Voordeel:
- Een fonds biedt de mogelijkheid om bepaalde inkomsten te oormerken, zodat
deze alleen ingezet kunnen worden voor een specifiek doel.
o Dat kan wenselijk zijn als de lasten gedragen worden door een goed af
te bakenen groep en de baten ook ten goede komen aan diezelfde
doelgroep.
o Het leggen van een relatie tussen lasten en baten door middel van
beprijzing en fondsvorming, wordt door sommigen zelfs gezien als een
mogelijkheid om de allocatieve efficiëntie positief te beïnvloeden.
- Er kan een zekere waarborg worden geboden tegen het wegvloeien naar de
algemene middelen, zodat ook op lange termijn een grotere mate van
zekerheid bestaat over de bekostiging van een specifieke activiteit.
- Het is mogelijk om derden te betrekken bij het beheer over een fonds en
kunnen in bepaalde gevallen zelfs private partijen in financiële zin
participeren.
- De beheersvorm en beheersregels worden zodanig gekozen, dat deze
toegesneden zijn op de activiteiten van het fonds.
- Fondsen kunnen ook goede diensten bewijzen als ‘spaarpot’, voor toekomstige
uitgaven.
o Een variant hierop is het verzekeringsmotief, waarbij in het fonds
middelen apart gezet worden, voor het geval een onzeker maar
voorzienbaar risico intreedt.
- Een fonds kan ingezet worden om middelen van de centrale overheid te laten
vloeien naar decentrale overheden, zoals bij het Gemeente- en Provinciefonds.
o Dan kunnen via het fonds de veiligheidsgraden bij de besteding door de
decentrale overheden, worden gemarkeerd.
,Nadeel:
- Het hoofdbezwaar is dat niet langer alle uitgaven op een optimale en integrale
manier tegen elkaar afgewogen kunnen worden.
o Publieke middelen dienen op een dusdanige manier aangewend te
worden, dat deze middelen ook het hoogste maatschappelijke nut
opleveren. Het feit dat een euro in een fonds gestort moet worden en
vervolgens slechts voor dat ene doel ingezet mag worden, doet afbreuk
aan dit principe.
- Het instellen van veel fondsen, maakt het niet eenvoudiger om het overzicht
te bewaren over de overheidsfinanciën.
o Indien volksvertegenwoordiger dit overzicht kwijt raken, komt dat de
kwaliteit van de besluitvorming niet ten goede.
- De ‘potjescultuur’ kan ook tot rigiditeit en inflexibiliteit leiden, indien
langjarige verplichtingen ten laste van het fonds worden aangegaan.
- Door de ‘bevoorrechte’ positie van deze categorie van uitgaven wordt een
inbreuk gemaakt op de integrale afweging door het kabinet.
- Het gevaar bestaat dat het uitgavenniveau afhankelijk wordt van het
inkomstenpeil, waardoor er een bestedingsdrang ontstaat.
Fondsenvorming bij het Rijk
Fondsen zijn er in vele vormen en maten
Het AOW-spaarfonds gaf de aanspraken weer van de AOW-premiebetalers op de
schatkist. Het probleem met het AOW-spaarfonds was echter dat door de gekozen
constructie de netto vermogenspositie van de overheid niet verandert, maar dat de
middelen van het fonds wegvallen tegen hetgeen geleend is op de kapitaalmarkt om
de storting in het fonds mogelijk te maken.
- Om in de toekomst de bekostiging van de AOW zeker te stellen, moeten tegen
die tijd alsnog de belastingen verhoogd of andere overheidsuitgaven verlaagd
worden. -> het kabinet deelt deze opvatting en heeft een wetsvoorstel in
voorbereiding om het af te schaffen.
Het doel van het Fonds Economische Structuurversterking (FES) is om te garanderen
dat een deel van het ondergrondse aardgasvermogen omgezet wordt in een
bovengronds vermogen, door middel van investeringen van nationaal belang die de
economische structuur versterken.
Ook het Waddenfonds zal in de bestaande vorm verdwijnen. Het gaat namelijk over
van het Rijk naar de provincies, Friesland, Groningen en Noord-Holland.
Zelfs de toekomst van het Diergezondheidsfonds is niet onomstreden, omdat de
productschappen op de grond van een convenant een deel van de voeding van dit
fonds verzorgen.
Het BTW-compensatiefonds maakt het verrekenen van BTW wel mogelijk en heft de
verstoring in afweging op. Het BTW-compensatiefonds wordt gevoed uit de algemene
middelen van het Rijk.
,Het Deltafonds zal ten doel hebben de bekostiging van activiteiten op het terrein van
de waterveiligheid, zoetwatervoorziening en de waterkwaliteit.
De vraag kan gesteld worden of er gezien de scepsis over het oormerken van
middelen er in de toekomst nog wel plaats is voor begrotingsfondsen, wellicht met
uitzondering van de zuivere verdeelfondsen. Wat resteert, is het motief om een zeker
mate van continuïteit te bieden in de uitgaven- en inkomstenstromen, waarbij
sommige belanghebbenden ook de hoop koesteren dat in budgettair moeilijke tijden
deze uitgaven de bezuinigingsdans zullen ontspringen.
Een blijvend en reëel voordeel van begrotingsfondsen vormt de mogelijkheid om ‘te
sparen’ voor uitgaven die zich met pieken voordoen, waarbij de middelen die in een
bepaald jaar niet nodig zijn overgeheveld kunnen worden naar een volgend jaar.
Naast de ‘echte’ begrotingsfondsen, zijn er ook fondsen die niet artikel 9 van de
Comptabiliteitswet als grondslag hebben. Het betreft bijvoorbeeld stichtingen, die
van het Rijk een financiële bijdrage krijgen en vervolgens subsidies gaan verlenen.
- Het voordeel van deze private fondsen is echter wel dat ook direct
betrokkenen een rol kunnen krijgen bij de verdeling van middelen, waarbij
zowel expertise als het creëren van draagvlak van belang zijn. Daarbij is het
vervolgens weer de kunst om te voorkomen dat een selecte groep van
belanghebbenden al graaiend plaatsneemt naar de subsidiepot.
Ten slotte bestaat er bij het Rijk naast het begrotingsfonds ook nog een
begrotingsreserve.
Decentrale overheden
Niet alleen het Rijk kan fondsen instellen, ook decentrale overheden kunnen dat.
Daar waar het Rijk een minder grote rol lijkt toe te kennen aan fondsen, tonen
decentrale overheden juist een grotere belangstelling voor dit instrument.
- Gemeenten en provincies willen graag de opgaven op het terrein van onder
meer de gebiedsontwikkeling en de leefomgeving uitvoeren, maar worden
geconfronteerd met teruglopende financiële middelen.
- Een mogelijkheid om in de regio nog initiatieven te kunnen financieren, is het
bundelen van middelen.
- Nog aantrekkelijker wordt het wanneer private partijen ook geld willen
investeren.
Veel van de provinciale activiteiten zijn gericht op het aanzwengelen van regionale
economische activiteiten, waarbij de middelen uit het fonds ingezet worden als
vliegwiel. Dit is natuurlijk niet zonder risico’s:
- Overheid heeft niet goed nagedacht over de manier waarop private partijen er
ook aan kunnen verdienen.
- Sommige fondsen hebben het karakter van een revolving fund.
Europese Unie
De Europese Unie heeft een lange traditie daar waar het fondsen betreft. De
belangrijkste fondsen zijn momenteel de structuurfondsen. De structuurfondsen
beogen de welvaartsverschillen tussen de regio’s en tussen de lidstaten te
verkleinen.
- Het EFRO (Europees Fonds voor Regionale Ontwikkeling) richt zich wat betreft
Nederland op onder meer het versterken van de regionale concurrentiekracht
en vergroten van de werkgelegenheid.
- Het Europees Sociaal Fonds (ESF) is opgericht om het vinden van werk en het
overstappen naar een nieuwe baan makkelijker te maken.
- Het Cohesiefonds heeft als doel het op peil brengen van de economie van
economisch achtergebleven lidstaten.
, Gradus (2009): Begrotingsbeleid in turbulentie: open-einderegelingen
Samenvatting
Zowel vanuit een goede werking van de uitgavenkaders als vanuit het structurele
perspectief van de vergrijzing en de arbeidsmarkt is een kritische herziening van
openeinderegelingen met overschrijdingen noodzakelijk. De huidige budgettaire
problematiek als gevolg van de kredietcrisis onderstreept deze noodzaak. In dit
artikel wordt ingegaan op de AWBZ en de kinderopvang. Voor beide regelingen
worden aanbevelingen gedaan, die overschrijdingen terugdringen en beide
regelingen beter doen functioneren. Tevens wordt ingegaan op de sociale
zekerheidsregelingen, die ook een forse overschrijding laten zien. Ook hier
worden enkele aanbevelingen gedaan.
Kinderopvang
In internationaal perspectief is de Nederlandse overheidsbijdrage aan de
kinderopvang hoog.
De extra impulsen in Nederland hebben geleid tot een formalisering van
informele opvang. Het groeiende gebruik van de kinderopvangregeling heeft
verschillende oorzaken waaronder het goedkoper worden van de kinderopvang
en de verplichte werkgeversbijdrage.
De huidige ingrepen die zowel aangrijpen bij de aanpassingen in de
ouderbijdragentabel alsmede bij het tegengaan van oneigenlijk gebruik zijn dan
ook onontkoombaar omdat de effecten pop de arbeidsparticipatie nihil zijn.
- Bij de huidige maatregelen is van belang dat de keuzevrijheid overeind
moet blijven.
AWBZ (Nu: WLZ)
Op lange termijn wordt de budgettaire houdbaarheid van de Wlz bedreigd door
de dubbele vergrijzing: het aantal ouderen boven de 75 dat is aangewezen op
verzorging en verpleging zal de komende decennia sterk toenemen. Tegelijkertijd
kan de beschikbaarheid van mantelzorg onder druk komen te staan als gevolg
van kleinere gezinnen en de toenemende arbeidsparticipatie van vooral vrouwen.
Week 1: Inleiding
Bij (2011) + Gradus (2009) + Von Hagen (2007) + Ros (2009) + Sanders (2010)
Bij (2011): Fondsvorming
Samenvatting
Voor het Rijk geldt dat de begrotingsfondsen sterk aan belang inboeten. Het
AOW-spaarfonds wordt (met recht en rede) opgeheven en het Fonds Economische
Structuurversterking wordt leeggehaald. Alleen de verdeelfondsen (gemeente- en
provinciefonds) en de fondsen die uitgaven en inkomsten in de tijd egaliseren
(Infrastructuurfonds en het op te richten Deltafonds) blijven over. Daar staat
tegenover dat vooral gemeenten en provincies fondsconstructies ontdekt
hebben, als instrument voor het stimuleren van de economische activiteiten in de
regio, en dat veelal in samenwerking met private partijen. Voor succesvolle
projecten is het echter vereist dat er voldoende kansen zijn voor private partijen
op het behalen van een rendement, terwijl de risico’s voor de publieke
deelnemers voorzienbaar, aanvaardbaar en beheersbaar blijven. Ten slotte geldt
voor de EU dat de fondsen van groot belang blijven. Ook de EU zet hierbij in op
het faciliteren van de samenwerking met private partijen, bijvoorbeeld in het
kader van stadsvernieuwing.
Inleiding
Fondsen hebben een meer bescheiden plaats gekregen binnen het comptabele
stelsel van de Rijksoverheid. Ook decentrale overheden en de EU maken gebruik
van dit instrument.
Voor- en nadelen
Voordeel:
- Een fonds biedt de mogelijkheid om bepaalde inkomsten te oormerken, zodat
deze alleen ingezet kunnen worden voor een specifiek doel.
o Dat kan wenselijk zijn als de lasten gedragen worden door een goed af
te bakenen groep en de baten ook ten goede komen aan diezelfde
doelgroep.
o Het leggen van een relatie tussen lasten en baten door middel van
beprijzing en fondsvorming, wordt door sommigen zelfs gezien als een
mogelijkheid om de allocatieve efficiëntie positief te beïnvloeden.
- Er kan een zekere waarborg worden geboden tegen het wegvloeien naar de
algemene middelen, zodat ook op lange termijn een grotere mate van
zekerheid bestaat over de bekostiging van een specifieke activiteit.
- Het is mogelijk om derden te betrekken bij het beheer over een fonds en
kunnen in bepaalde gevallen zelfs private partijen in financiële zin
participeren.
- De beheersvorm en beheersregels worden zodanig gekozen, dat deze
toegesneden zijn op de activiteiten van het fonds.
- Fondsen kunnen ook goede diensten bewijzen als ‘spaarpot’, voor toekomstige
uitgaven.
o Een variant hierop is het verzekeringsmotief, waarbij in het fonds
middelen apart gezet worden, voor het geval een onzeker maar
voorzienbaar risico intreedt.
- Een fonds kan ingezet worden om middelen van de centrale overheid te laten
vloeien naar decentrale overheden, zoals bij het Gemeente- en Provinciefonds.
o Dan kunnen via het fonds de veiligheidsgraden bij de besteding door de
decentrale overheden, worden gemarkeerd.
,Nadeel:
- Het hoofdbezwaar is dat niet langer alle uitgaven op een optimale en integrale
manier tegen elkaar afgewogen kunnen worden.
o Publieke middelen dienen op een dusdanige manier aangewend te
worden, dat deze middelen ook het hoogste maatschappelijke nut
opleveren. Het feit dat een euro in een fonds gestort moet worden en
vervolgens slechts voor dat ene doel ingezet mag worden, doet afbreuk
aan dit principe.
- Het instellen van veel fondsen, maakt het niet eenvoudiger om het overzicht
te bewaren over de overheidsfinanciën.
o Indien volksvertegenwoordiger dit overzicht kwijt raken, komt dat de
kwaliteit van de besluitvorming niet ten goede.
- De ‘potjescultuur’ kan ook tot rigiditeit en inflexibiliteit leiden, indien
langjarige verplichtingen ten laste van het fonds worden aangegaan.
- Door de ‘bevoorrechte’ positie van deze categorie van uitgaven wordt een
inbreuk gemaakt op de integrale afweging door het kabinet.
- Het gevaar bestaat dat het uitgavenniveau afhankelijk wordt van het
inkomstenpeil, waardoor er een bestedingsdrang ontstaat.
Fondsenvorming bij het Rijk
Fondsen zijn er in vele vormen en maten
Het AOW-spaarfonds gaf de aanspraken weer van de AOW-premiebetalers op de
schatkist. Het probleem met het AOW-spaarfonds was echter dat door de gekozen
constructie de netto vermogenspositie van de overheid niet verandert, maar dat de
middelen van het fonds wegvallen tegen hetgeen geleend is op de kapitaalmarkt om
de storting in het fonds mogelijk te maken.
- Om in de toekomst de bekostiging van de AOW zeker te stellen, moeten tegen
die tijd alsnog de belastingen verhoogd of andere overheidsuitgaven verlaagd
worden. -> het kabinet deelt deze opvatting en heeft een wetsvoorstel in
voorbereiding om het af te schaffen.
Het doel van het Fonds Economische Structuurversterking (FES) is om te garanderen
dat een deel van het ondergrondse aardgasvermogen omgezet wordt in een
bovengronds vermogen, door middel van investeringen van nationaal belang die de
economische structuur versterken.
Ook het Waddenfonds zal in de bestaande vorm verdwijnen. Het gaat namelijk over
van het Rijk naar de provincies, Friesland, Groningen en Noord-Holland.
Zelfs de toekomst van het Diergezondheidsfonds is niet onomstreden, omdat de
productschappen op de grond van een convenant een deel van de voeding van dit
fonds verzorgen.
Het BTW-compensatiefonds maakt het verrekenen van BTW wel mogelijk en heft de
verstoring in afweging op. Het BTW-compensatiefonds wordt gevoed uit de algemene
middelen van het Rijk.
,Het Deltafonds zal ten doel hebben de bekostiging van activiteiten op het terrein van
de waterveiligheid, zoetwatervoorziening en de waterkwaliteit.
De vraag kan gesteld worden of er gezien de scepsis over het oormerken van
middelen er in de toekomst nog wel plaats is voor begrotingsfondsen, wellicht met
uitzondering van de zuivere verdeelfondsen. Wat resteert, is het motief om een zeker
mate van continuïteit te bieden in de uitgaven- en inkomstenstromen, waarbij
sommige belanghebbenden ook de hoop koesteren dat in budgettair moeilijke tijden
deze uitgaven de bezuinigingsdans zullen ontspringen.
Een blijvend en reëel voordeel van begrotingsfondsen vormt de mogelijkheid om ‘te
sparen’ voor uitgaven die zich met pieken voordoen, waarbij de middelen die in een
bepaald jaar niet nodig zijn overgeheveld kunnen worden naar een volgend jaar.
Naast de ‘echte’ begrotingsfondsen, zijn er ook fondsen die niet artikel 9 van de
Comptabiliteitswet als grondslag hebben. Het betreft bijvoorbeeld stichtingen, die
van het Rijk een financiële bijdrage krijgen en vervolgens subsidies gaan verlenen.
- Het voordeel van deze private fondsen is echter wel dat ook direct
betrokkenen een rol kunnen krijgen bij de verdeling van middelen, waarbij
zowel expertise als het creëren van draagvlak van belang zijn. Daarbij is het
vervolgens weer de kunst om te voorkomen dat een selecte groep van
belanghebbenden al graaiend plaatsneemt naar de subsidiepot.
Ten slotte bestaat er bij het Rijk naast het begrotingsfonds ook nog een
begrotingsreserve.
Decentrale overheden
Niet alleen het Rijk kan fondsen instellen, ook decentrale overheden kunnen dat.
Daar waar het Rijk een minder grote rol lijkt toe te kennen aan fondsen, tonen
decentrale overheden juist een grotere belangstelling voor dit instrument.
- Gemeenten en provincies willen graag de opgaven op het terrein van onder
meer de gebiedsontwikkeling en de leefomgeving uitvoeren, maar worden
geconfronteerd met teruglopende financiële middelen.
- Een mogelijkheid om in de regio nog initiatieven te kunnen financieren, is het
bundelen van middelen.
- Nog aantrekkelijker wordt het wanneer private partijen ook geld willen
investeren.
Veel van de provinciale activiteiten zijn gericht op het aanzwengelen van regionale
economische activiteiten, waarbij de middelen uit het fonds ingezet worden als
vliegwiel. Dit is natuurlijk niet zonder risico’s:
- Overheid heeft niet goed nagedacht over de manier waarop private partijen er
ook aan kunnen verdienen.
- Sommige fondsen hebben het karakter van een revolving fund.
Europese Unie
De Europese Unie heeft een lange traditie daar waar het fondsen betreft. De
belangrijkste fondsen zijn momenteel de structuurfondsen. De structuurfondsen
beogen de welvaartsverschillen tussen de regio’s en tussen de lidstaten te
verkleinen.
- Het EFRO (Europees Fonds voor Regionale Ontwikkeling) richt zich wat betreft
Nederland op onder meer het versterken van de regionale concurrentiekracht
en vergroten van de werkgelegenheid.
- Het Europees Sociaal Fonds (ESF) is opgericht om het vinden van werk en het
overstappen naar een nieuwe baan makkelijker te maken.
- Het Cohesiefonds heeft als doel het op peil brengen van de economie van
economisch achtergebleven lidstaten.
, Gradus (2009): Begrotingsbeleid in turbulentie: open-einderegelingen
Samenvatting
Zowel vanuit een goede werking van de uitgavenkaders als vanuit het structurele
perspectief van de vergrijzing en de arbeidsmarkt is een kritische herziening van
openeinderegelingen met overschrijdingen noodzakelijk. De huidige budgettaire
problematiek als gevolg van de kredietcrisis onderstreept deze noodzaak. In dit
artikel wordt ingegaan op de AWBZ en de kinderopvang. Voor beide regelingen
worden aanbevelingen gedaan, die overschrijdingen terugdringen en beide
regelingen beter doen functioneren. Tevens wordt ingegaan op de sociale
zekerheidsregelingen, die ook een forse overschrijding laten zien. Ook hier
worden enkele aanbevelingen gedaan.
Kinderopvang
In internationaal perspectief is de Nederlandse overheidsbijdrage aan de
kinderopvang hoog.
De extra impulsen in Nederland hebben geleid tot een formalisering van
informele opvang. Het groeiende gebruik van de kinderopvangregeling heeft
verschillende oorzaken waaronder het goedkoper worden van de kinderopvang
en de verplichte werkgeversbijdrage.
De huidige ingrepen die zowel aangrijpen bij de aanpassingen in de
ouderbijdragentabel alsmede bij het tegengaan van oneigenlijk gebruik zijn dan
ook onontkoombaar omdat de effecten pop de arbeidsparticipatie nihil zijn.
- Bij de huidige maatregelen is van belang dat de keuzevrijheid overeind
moet blijven.
AWBZ (Nu: WLZ)
Op lange termijn wordt de budgettaire houdbaarheid van de Wlz bedreigd door
de dubbele vergrijzing: het aantal ouderen boven de 75 dat is aangewezen op
verzorging en verpleging zal de komende decennia sterk toenemen. Tegelijkertijd
kan de beschikbaarheid van mantelzorg onder druk komen te staan als gevolg
van kleinere gezinnen en de toenemende arbeidsparticipatie van vooral vrouwen.