ONDERZOEKSMETHODEN
& STATISTIEK
CORRELATIONEEL – EXPERIMENTEEL - KWALITATIEF
SAMENVATTING
UNIVERSITEIT UTRECHT
1
,CORRELATIONEEL ONDERZOEK
Hoorcollege 1 t/m 4
2
,SECTIE 1: Surveyonderzoek & Datacolledctie (HC1 & HC4)
1.1 Wat is een survey?
Een survey is een methode waarbij onderzoekers bij een steekproef gestandaardiseerde vragen
afnemen om systematisch gegevens te verzamelen over kenmerken, opvattingen, ervaringen of gedrag.
Surveys zijn geschikt om brede uitspraken te doen over een populatie via gemiddelden, percentages of
verschillen tussen subgroepen.
Respondenten beantwoorden meestal vragen over hun eigen leven, gedachten en gedrag. Surveys
kunnen ook sociale instellingen bestuderen (scholen, bedrijven, religieuze instellingen). Dan werkt men
met sleutelinformanten (key informants): één deskundige per organisatie die namens de organisatie
informatie geeft.
Survey vs. enquête: De term ‘survey’ verwijst naar de hele onderzoeksmethode; ‘enquête’ verwijst
specifiek naar het instrument (de vragenlijst). Beide termen worden in de sociale wetenschappen vaak
door elkaar gebruikt.
1.1.1 Primaire versus secundaire data
Primaire data: gegevens die onderzoekers zelf verzamelen via een eigen onderzoeksopzet. Biedt controle
over meetinstrumenten, steekproeftrekking en afnamemethode, maar kost tijd en geld.
Secundaire data: gegevens die eerder door anderen zijn verzameld en opnieuw worden gebruikt voor een
nieuwe onderzoeksvraag. Efficiënt en vaak grote steekproeven, maar sluiten niet altijd perfect aan en
kwaliteit hangt af van eerdere designkeuzes.
1.1.2 Doelen van surveyonderzoek
• Beschrijving van de sociale werkelijkheid (prevalentie van opvattingen, gedragingen,
demografische kenmerken)
• Onderzoek naar relaties tussen variabelen (correlaties)
• Generaliseren naar een doelpopulatie op basis van een representatieve steekproef
• Voorspellingen doen op basis van relevante predictoren
ALERT: Sterke causale conclusies kunnen in de regel alleen overtuigend worden onderbouwd met een
gerandomiseerd experiment. Bij correlationeel onderzoek blijft altijd de mogelijkheid bestaan van
omgekeerde causaliteit of invloed van derde variabelen.
1.2 Vraagtypen en antwoordformaten
Closed-ended vragen: vragen waarbij respondenten een antwoord kiezen uit vooraf vastgelegde
antwoordcategorieën. Efficiënt om te coderen en te analyseren; maakt vergelijkingen tussen personen en
groepen eenvoudig.
Open-ended vragen: vragen waarbij respondenten antwoorden in eigen woorden formuleren, zonder
vooraf vastgestelde antwoordopties. Leveren rijkere informatie op, maar zijn arbeidsintensiever om te
verwerken en minder uniform in interpretatie.
De vooraf vastgelegde keuzemogelijkheden bij gesloten vragen worden antwoordcategorieën genoemd.
De kwaliteit van een survey hangt sterk af van hoe goed deze categorieën aansluiten bij wat
respondenten daadwerkelijk denken en ervaren.
3
, 1.3 Timing en onderzoeksdesign
1.3.1 Cross-sectioneel design (dwarsdoorsnede)
Een cross-sectioneel design is een onderzoeksopzet waarbij gegevens op één meetmoment worden
verzameld en daarmee een momentopname van de populatie wordt verkregen.
- Geschikt om groepen te vergelijken, maar de interpretatie is beperkt: het kan associaties
aantonen, maar biedt zwakke onderbouwing voor causaliteit, omdat de tijdsvolgorde van oorzaak
en gevolg niet zichtbaar is.
Beperkingen: Alleen momentopnamen mogelijk; geen causale conclusies over verandering;
cohortverwarring (leeftijd vs. generatie-effecten) kan optreden.
1.3.2 Longitudinaal design
Een longitudinaal design is een onderzoeksopzet waarbij gegevens op meerdere tijdstippen worden
verzameld om stabiliteit en verandering door de tijd heen te bestuderen.
1.3.2.1 Panelonderzoek
Bij panelonderzoek worden dezelfde personen op meerdere meetmomenten gevolgd en opnieuw
bevraagd. Hierdoor is het mogelijk om individuele verandering te meten en om sterker te redeneren over
tijdsvolgorde en mogelijke oorzakelijke relaties.
Voordelen: Veranderingen binnen personen meetbaar; onderscheid tussen leeftijds-, periode- en
cohorteffecten; sterkere (maar niet definitieve) causale inferenties mogelijk.
Risico’s: Uitval (attrition), panelconditionering, tijdrovend en kostbaar.
Attritie (uitval): deelnemers vallen tussen meetmomenten uit door verhuizing, ziekte, overlijden of weigering.
Attritie is problematisch wanneer uitval selectief is — als bijvoorbeeld relatief vaker lager opgeleide of
ongezondere deelnemers uitvallen, ontstaat een dataset die de populatie steeds minder goed
weerspiegelt, waardoor conclusies te rooskleurig kunnen worden.
Panelconditionering: door herhaalde deelname kunnen respondenten leren hoe de vragen werken,
eerdere antwoorden onthouden of verwachtingen ontwikkelen over wat “consistent” lijkt. Dit kan
antwoorden systematisch beïnvloeden, los van echte verandering in het onderliggende construct.
1.3.2.2 Herhaald cross-sectioneel onderzoek
Bij herhaald cross-sectioneel onderzoek wordt een meting op meerdere tijdstippen uitgevoerd, maar
telkens bij andere personen uit dezelfde populatie. Hierdoor kunnen trends op populatieniveau worden
beschreven, vaak tegen lagere kosten en met minder risico op leereffecten.
ALERT: Het belangrijke methodologische verschil met panelonderzoek: herhaald cross-sectioneel
onderzoek kan géén veranderingen binnen personen meten. Eventuele verschillen tussen
meetmomenten kunnen niet zonder meer worden geïnterpreteerd als individuele verandering.
1.3.2.3 Kernverschillen: Longitudinaal vs. Herhaald Cross-sectioneel
Kenmerk Panelonderzoek Herhaald cross-sectioneel
Deelnemers Dezelfde personen Steeds nieuwe steekproef
Individuele verandering Ja, meetbaar Nee, niet mogelijk
Panelconditionering Risico aanwezig Kan niet optreden
Attritie Belangrijk risico Niet van toepassing
Kosten Hoog Lager
Causale inferentie Sterker (temporele volgorde) Zwakker
4