Written by students who passed Immediately available after payment Read online or as PDF Wrong document? Swap it for free 4.6 TrustPilot
logo-home
Summary

Samenvatting Ontwikkelingspsychologie voor leerkrachten basisonderwijs paragraaf 2.3 en 2.4

Rating
-
Sold
3
Pages
8
Uploaded on
16-10-2014
Written in
2014/2015

Samenvatting van 8 pagina's voor het vak Ontwikkelingspsychologie aan de AA

Institution
Course

Content preview

Ontwikkelingspsychologie voor leerkrachten in het basisonderwijs

2.3 begrippen uit de ontwikkelingspsychologie

Het geheel van sociaal-culturele factoren vormt ook de leefwereld van een kind. Het gezin, de
school, de buurt en leeftijdgenoten zijn voorbeelden van de leefwereld en invloed daarop, van het
kind.

Onder de belevingswereld verstaan we de wijze waarop kinderen hun leefwereld ervaren. Het ene
kind kan een ruimte als heel gezellig ervaren terwijl een ander kind het erg benauwd vindt. Het is
belangrijk niet in een ontwikkelingsstereotiep te denken. Jou klas kan daar vanaf wijken en dan
kijken we nog niet eens per kind. Kleuters zijn nog vooral gericht op egocentrisme en de
aanschouwelijke wereld. In de middenbouw komt de scheiding van fantasie en werkelijkheid. De
bovenbouw heeft de realiteit voorop staan, krijgen meer inzicht in sociale relaties en kinderen gaan
abstract redeneren.

De klassieke ontwikkelingspsychologie was vooral een beschrijvende wetenschap. Er werd zo
nauwkeurig mogelijk per leeftijd beschreven wat je op verschillende gebieden van de persoonlijkheid
ontwikkelt. Daaruit werden ontwikkelingsnormen gemaakt, wat je minimaal op een leeftijd moet
kunnen. De klassieke ontwikkelingspsychologie gaat er vanuit dat volwassen worden het eindpunt van
de ontwikkeling is. Voor de ontwikkeling van de mens in deze manier van denken zijn drie dingen
belangrijk:
 De chronische leeftijd, op een bepaalde leeftijd mag je bepaalde gedragingen verwachten.
 De biologische leeftijd, de menselijke ontwikkeling wordt min of meer bepaald door fysieke
factoren.
 De sociale context, uitgangspunt is dat ontwikkeling bepaald wordt door invloed van de
omgeving.
In de moderne ontwikkelingspsychologie probeert men de processen te verklaren die aan de basis
liggen van gedrag en gedragsverandering. Deze is dus verklarend i.p.v. beschrijvend.

Levenslooppsychologie heeft ervoor gezorgd dat we anders kijken naar de kinderlijke ontwikkeling.
Er wordt niet alleen gekeken naar wat van binnenuit het kind ontwikkelt, maar ook naar wat door het
kind in relatie met de omgeving ontwikkeld wordt. Dus wat zij zelf vormgeven. Ook wordt het gezien
als levenslang proces en niet het doorlopen van fasen.

Aanleg, nature (genen, ontwikkeling gaat vanzelf) vs. Omgeving, nurture (opvoeding etc.).
Nurture: de mensen komt ter wereld als een onbeschreven blad, tabula rasa, dat na de geboorte
ingevuld gaat worden. Wie je bent en wat je gaat worden is volledig afhankelijk van de
omstandigheden (behaviorisme). Pavlov en Skinner, conditioneringsmethode, met straf en belonen.

Een derde stroming vindt interactie het belangrijke aspect van de ontwikkeling. Vorming van de
persoonlijkheid komt tot stand onder invloed van enerzijds de erfelijke gegevens en anderzijds de
culturele omgeving. Vygotsky bijvoorbeeld.

De ecologische benadering: Bronfenbrenner, de mens past zich aan zijn omgeving aan, maar kan
deze ook beïnvloeden. De ecologische pedagogiek gaat uit van de interacties tussen mensen en hun
omgeving en dat dit de ontwikkeling bepaalt. Het is goed om onderscheid te maken tussen: processen
die te maken hebben met rechtstreekse interacties van een kind met zijn omgeving (gezin, buurt,
vriendjes, en factoren die verder van het kind afliggen (werkeloosheid, onderwijsbeleid, instituties
zoals de kerk en school). De ecologische benadering is een denkmodel die je laat denken over
ontwikkeling in relatie tot aanleg en opvoeding. Volgens Bronfenbrenner is de opvoeder een van de
belangrijkste factoren voor de kwaliteit van de interacties. Om de ontwikkeling te bevorderen moet de
opvoeder letten op:
 De activiteit van het kind, niet alleen wat het kind doet maar vooral hoe. De mate van
betrokkenheid speelt daarbij een rol.
 De interacties van het kind, om individuele ontwikkeling te stimuleren zijn wederkerige
interacties nodig, dus als opvoeder en kind positief op elkaar reageren. Geleidelijk kan het
kind meer zeggenschap krijgen.

,  De rol van het ontwikkelende kind in interacties, ontwikkeling wordt namelijk bevorderd als er
sprake is van interacties in verschillende rollen. De ene keer speelt het kind winkelier, de
andere keer de klant.

Narratief-biologisch perspectief: wat mensen nu doen en denken is gekleurd door hun ervaringen
uit het verleden en hun verwachtingen over hun toekomst.

Gardner ontwikkelde de theorie van Meervoudige Intelligentie en hij stelde van dat intelligenties zich
ontwikkelen. Vanuit een kind ontwikkelen zich intelligenties als reactie op wat de omgeving biedt, dit is
een interactief proces. Intelligentie is daarmee volgens Gardner een dynamisch begrip. Hij spreekt
van acht intelligenties en sluit niet uit dat er meer ontdekt zullen worden.

2.4 ontwikkelingstheorieën in het kort

De psychoanalytische theorie van Freud (1856-1939). Vroegere jeugdervaring bepalen volgens
hem voor een groot deel de persoonlijkheid van de volwassene. Hij stelde dat het denken en het
handelen van de mens wordt bepaald door het libido, eigenlijk alles wat lichamelijk een prettige
sensatie geeft, zoals plassen, zoenen duimzuigen). Het Ich of Ego, ziet hij als puur driftmatig. Het
ontwikkelt zich in het eerste jaar en het belangrijkste is dat er geleerd wordt om er op een acceptabele
manier uiting aan te geven. Aangeboren driften komen uit het Es. In het tweede jaar ervaart het kind
allerlei regels om zich aan te houden. Het kind houdt zich eraan uit angst voor straf. Vanaf het vijfde
jaar ontstaat de gewetensfunctie: Überich of Superego. Er komen conflicten tussen het naar
bevrediging zoekende Es en het verbiedende Superego. Het Ego zoekt naar oplossingen.
De visie dat vroegere conflicten bepalend zijn voor de latere persoonlijkheid: genetisch
gezichtspunt. Sublimeren: het kind leert dat instinctieve impulsen ook omgebogen kunnen worden
tot acceptabele uitingen. Bijvoorbeeld anale impulsen in pottenbakken of met modder schilderen.

Minder geslaagde afweerreacties of afweermechanismen: verdringing (weghouden of vergeten van
herinneringen en gevoelens), ontkenning (onplezierige gebeurtenissen worden simpelweg niet
gezien), projectie (negatieve eigenschap aan iemand anders toekennen), reactieformatie (je laat
gedrag zien wat tegenovergesteld is van wat je zou willen laten zien), rationalisme (met behulp van
allerlei redeneringen dingen goedpraten).

Ontwikkelingsfasen volgens Freud:
 De orale fase (0 tot 0,5 jaar), zuigen is de belangrijkste vorm van lust.
 De anale fase (1,5 tot 2,5 à 3 jaar), sensaties die verbonden zijn aan ontlasting. Ook wel de
koppigheidsfase, de ontwikkeling van zelfstandigheid en autonomie is belangrijk.
 De fallische fase (3 tot 6 à 7 jaar), genitale gebied. Kleuters ontdekken het geslachtsverschil.
De jongen is bang dat hij ook zijn penis zal kwijtraken, want hij denkt dat dit bij het meisje is
gebeurd (castratieangst). De zoon voelt zich hierbij aangetrokken tot de moeder en ziet de
vader als concurrent (oedipuscomplex). De oplossing is identificatie met de vader en later
eenzelfde vrouw als hem willen. Meisjes zouden penisnijd hebben. De relatie van het meisje
tot de moeder is ambivalent: haat-liefdeverhouding. Ze moet zich leren los te maken van de
moeder en te richten op de vader (elektracomplex). Kleuters ontwikkelen dus gevoelens voor
de ouder van het andere geslacht. Een sterk afwijzende of toegevende houding van de
ouders kan veroorzaken dat het kind hier geen goede oplossing voor vindt. Dit zou latere
reacties kunnen verstoren.
 De latentiefase (7 tot 11 jaar), de driftimpulsen worden minder en er komt meer energie vrij
voor leren en sociale contacten buiten het gezin.
 De genitale fase (>11 jaar), in de puberteit breken de seksuele gevoelens los. De erotiek is
vanaf dat moment gericht op andere personen.

Zowel teveel als te weinig bevrediging kan tot stagnering van de ontwikkeling leiden. Freud noemt dit
fixatie. Als een kind terugvalt op eerdere fasen noemt Freud dit regressie.

Piagets theorie over de cognitieve ontwikkeling (1896-1980), het gaat om de verstandelijke
ontwikkeling en niet om het leren. De mogelijkheid van denken ligt in mensen opgeslagen, leren wordt
van buitenaf aangestuurd. Een kind doet nieuwe kennis op door interactie. Kennis verwerven is niet
een passief opslaan van informatie, maar het resultaat van een interactief leerproces. Hij zei dat
kinderen geboren worden met aangeboren reflexen en een aangeboren neiging om actief met de

, omgeving om te gaan. Adaptie: verandering in wijze van denken, om effectief te kunnen functioneren
in relatie tot de omgeving. Aanpassing aan de omgeving dus. Organisatie: nieuwe aanpassingen
integreren in bestaande systemen.
Adaptie bestaat uit twee complementaire processen: assimilatie (aanpassing in denkschema) en
accommodatie (uitbreiding van denkschema). Assimilatie is het proces waarmee bestaande kennis
en vaardigheden worden gebruikt in nieuwe situaties. Accommodatie is het proces van aanpassing
van bestaande vaardigheden of kennis om met nieuwe situaties om te kunnen gaan.
Equilibratie is als het gedrag van een kind in overeenstemming is met de eisen die de omgeving aan
het kind stelt. Dit geldt voor zowel het handelen als voor het denken. Een kind zal bijvoorbeeld op het
strand leren niet alles meer in zijn mond te stoppen of een leerkracht die zijn lessen moet aanpassen
als leerlingen het niet begrijpen.

Piaget beschrijft verschillende stadia van cognitieve ontwikkeling. De volgorde hiervan ligt vast,
maar het verloopt niet bij iedereen even snel.
1. De sensomotorische periode (0-2 jaar). Het kind reageert motorisch op wat hij waarneemt.
Voor kinderen bestaan voorwerpen niet meer als zij het niet meer kunnen zien, tot ongeveer
1.5 jaar. Het kind leert onderscheid te maken tussen zichzelf en de omgeving. Door interactie
met de omgeving worden vroege schema’s aangepast aan nieuwe situaties.
2. De pre-operationele periode (2-7 jaar). Het denken van het kind wordt steeds minder
egocentrisch. Het denken is nog niet logisch, maar het kind kan dingen van verschillende
kanten bekijken. Kenmerkend voor deze periode zijn: egocentrisme (kan nog niet in een ander
verplaatsen), animisme (leven toekennen aan niet levende dingen), artificialisme (geloven dat
alles door mensen is gemaakt), realisme (psychische dingen als gedachten en dromen als
fysische werkelijkheid zien). Bijvoorbeeld het proefje met het smalle en brede glas.
3. De concreet-operationele periode (7-11 jaar). Het egocentrische verdwijnt en het kind kan
situaties van verschillende kanten bekijken. Hij leer veranderingen in te schatten en er logisch
mee om te gaan. Dit lukt voorlopig het beste met concreet materiaal.
4. De formeel-operationele periode (vanaf 11 jaar). Het kind is nu in staat om zonder concreet
materiaal, abstracte problemen op te lossen. Het vermogen om logische denkoperaties uit te
voeren met hypothetische gedachten ontstaat.

Kanttekeningen: sommige kinderen bezitten vaardigheden al eerder en het blijkt niet zo stapsgewijs te
verlopen. Kinderen zitten met de ene vaardigheid soms in een ander stadium dan met een andere
vaardigheid. Andere onderzoekers toonden aan dat kinderen veel meer aangeboren vermogens
hebben dan Piaget aannam.

Erikson en de psychosociale ontwikkeling (1902-1994). Hij ontwikkelde een nieuwe dimensie aan
de theorie van Freud, door observaties in verschillende culturen. Het is een theorie over de
ontwikkeling van de interacties tussen het kind en de sociale omgeving. Hij stelt dat veiligheid en
geborgenheid belangrijk zijn voor de ontwikkeling, net als Freud.
Erikson spreekt van een eigen identiteit ontwikkelen als iemand een unieke persoonlijkheid heeft
ontwikkeld en zich daarnaast kan identificeren met je omgeving. Hij stelt dat de mate van succes
waarmee een fase afgesloten is bepalend is voor de manier waarop de volgende fase wordt
doorlopen. In elke fase los je een conflict op en de oplossing vormt de basis van de volgende fase.
Ontwikkelingsfasen volgens Erikson:
1. 0-1 jaar: vertrouwen tegenover wantrouwen. Als er basaal (primair) wantrouwen ontstaat zie
je dit later bij het afwijzen en claimen van anderen. Hieruit ontstaat ook het snel afwisselen
van relaties.
2. 2-3 jaar: autonomie tegenover schaamte en twijfel. Vaardigheden als zindelijk zijn en zich
aankleden ontwikkelen. Door o.a. opvoeders word de basis gelegd voor het gevoel van
eigenwaarde en zelfcontrole. Bij negatieve benadering kan twijfel of schaamte ontstaan en
hierdoor faalangst.
3. 3-6 jaar. Initiatief tegenover schuldgevoel. Kinderen worden meer autonoom en nemen meer
initiatief en beleven plezier aan vaardigheden die ze beheersen. Ze willen veel leren, maar
daardoor komen zij soms in conflict. Begeleiding met veel begrip van de ouders is belangrijk.
Een kind moet zich bevestigd voelen, zich waardevol ervaren.
4. 7-12 jaar: ijver tegenover minderwaardigheid. Het kind leert veel vaardigheden op school en
op sociaal terrein en heeft veel bevestiging nodig van ouders en leerkrachten. Als dit niet
gebeurt ontstaan gevoelens van minderwaardigheid en niet gewaardeerd worden.

Written for

Institution
Study
Course

Document information

Uploaded on
October 16, 2014
Number of pages
8
Written in
2014/2015
Type
SUMMARY
$4.19
Get access to the full document:

Wrong document? Swap it for free Within 14 days of purchase and before downloading, you can choose a different document. You can simply spend the amount again.
Written by students who passed
Immediately available after payment
Read online or as PDF

Get to know the seller
Seller avatar
reneederoo

Get to know the seller

Seller avatar
reneederoo Amstel Academie
Follow You need to be logged in order to follow users or courses
Sold
3
Member since
11 year
Number of followers
3
Documents
1
Last sold
9 year ago

0.0

0 reviews

5
0
4
0
3
0
2
0
1
0

Recently viewed by you

Why students choose Stuvia

Created by fellow students, verified by reviews

Quality you can trust: written by students who passed their tests and reviewed by others who've used these notes.

Didn't get what you expected? Choose another document

No worries! You can instantly pick a different document that better fits what you're looking for.

Pay as you like, start learning right away

No subscription, no commitments. Pay the way you're used to via credit card and download your PDF document instantly.

Student with book image

“Bought, downloaded, and aced it. It really can be that simple.”

Alisha Student

Working on your references?

Create accurate citations in APA, MLA and Harvard with our free citation generator.

Working on your references?

Frequently asked questions