Hoofdstuk 1: Introduction to Research
Leraren, counselors, administratieve mensen, ouders en studenten/leerlingen hebben informatie
nodig om hun ‘’werk’’ te kunnen doen. Onderzoek is één van de manieren om kennis te vergaren, er
zijn ook nog meerdere manieren hoe je dat kunt doen. Maar kennis via de wetenschappelijk
methode is vaak veel accurater en betrouwbaarder.
Waarom methodologie?
> Doorprikken van prietpraat, valse intuïtie en zogenaamde autoriteit
> Wetenschappelijk geschoolde levenslang lerende professional
> Zelfstandig uitvoeren van onderzoek
Verschillende manieren hoe we tot informatie/kennis kunnen komen:
1. Sensorische ervaring
De informatie die we binnenkrijgen door onze zintuigen is de meest onmiddelijke manier die
we hebben om iets te weten. Deze zintuigelijke informatie kunnen we daarentegen ook
verfijnen, door bijvoorbeeld een thermometer te raadplegen om te weten hoe warm of koud
het is. Maar onze zintuigen kunnen ons ook misleiden, bv. de kip die we hebben geproefd
blijkt een konijn te zijn. Sensorische informatie is onbetrouwbaar en incompleet. We kunnen
niet vertrouwen op onze zintuigen alleen, maar moeten altijd kijken naar wat we weten
door middel van andere bronnen.
2. Overeenstemming met anderen
We kunnen onze zintuigelijke ervaringen delen met een ander. E kunnen de accuraatheid en
de authenticiteit van de zintuigelijke ervaringen checken bij de ander. Bv. Smaakt de soep bij
jou ook zo zout?
Er is een groot voordeel van het checken van wat we horen en zien met anderen. Zo helpt
het ons om de dingen die niet waar zijn uit te sluiten en onze levens veel intelligenter te
leiden door ons te focussen op de dingen die waar zijn. Het helpt ons ook doordat anderen
ons kunnen waarschuwen als we dingen missen. Maar ook deze manier is niet waterdicht, zo
kan de informatie die we krijgen door overeenstemming met anderen ook niet altijd waar
zijn. Mensen kunnen zich ook vergissen, het is geen garantie voor de waarheid.
3. De mening van de expert
We kunnen ook een expert raadplegen op een bepaald gebied waar we meer van willen
weten. We zijn namelijk geneigd om een expert in een bepaald vakgebied waar deze voor
heeft gestudeerd te geloven naar wat hij/zij zegt. Zo kunnen we dus ook weer informatie
verkrijgen. Bv. we geloven een arts toch wel als hij of zij zegt dat oom Charlie een slecht hart
heeft?! Maar ook experts kunnen zich vergissen. De informatie die experts hebben is puur op
basis van wat zij geleerd hebben van het lezen en denken, van het luisteren en het
observeren van andderen en vanuit hun eigen ervaring. Maar hierin kunnen ook zij zich
hebben vergist. Want er is geen expert die echt alles weet van zijn/haar vakgebied. Experts
geven ons puur een mening die gebaseerd is op wat hij/zij weet van zijn/haar vakgebied.
4. Logica
‘Alle mensen zijn sterfelijk.
Sally is een mens.
Daarom, Sally is sterfelijk.’
, Dit is hoe we vaak redeneren. We generaliseren iets vanuit onze ervaring over de
sterfelijkheid van individuen (de eerste statement – de major premise). We hebben nog
nooit een mens gezien die onsterfelijk is dus dan zullen alle mensen wel sterfelijk zijn. Dan
zien we Sally en concluderen dat zij een mens is , puur op basis van sensorische ervaring (de
tweede statement – de minor premise). En vandaaruit concluderen we dat Sally, omdat ze
een mens is, sterfelijk is (het derde statement – de conlusie). Want als de eerste twee
statements waar zijn, dan moet de derde dat ook wel zijn.
Maar ook deze methode is niet waterdicht, want het klopt alleen als de eerste en de tweede
statement waar zijn dat de de derde ook waar is. Maar vaak is het zo dat één van de eerste
twee niet waar is, waardoor de conclusie dus ook niet waar is. Logica brengt je dus ook niet
zo ver.
5. De wetenschappelijke methode
= een propositie/bewering wordt aan een empirische toets onderworpen. Wij mensen zijn
allemaal in staat om connecites te maken – om relaties en associaties te zien – door de
sensorische informatie die we bezitten. Maar de dingen die we zien, we weten nooit 100% of
deze wel werkelijk waar zijn. We hebben dan te maken met gokken en ingevingen (de
hypothese). Wat we dan eigenlijk moeten doen is deze gokken en ingevingen onderwerpen
aan een test om te zien of het nog steeds overeind blijft staan onder verschillende condities.
Een belangrijk kenmerk van deze wetenschappelijke methode is dat het een publieke
methode is, wat betekent dat het onderzoek herhaalt kan worden door iedereen die de
uitkomst betwijfelt. Procedures, speculaties en conclusies zijn pas wetenschappelijk op het
moment dat deze publiekelijk zijn. Er is dus een mogelijkheid tot verwerping of aanvaarding.
We zijn dus eigenlijk op zoek naar dingen die ons ongelijk geven. En er is sprake van
herhaalbaarheid (replicatie).
Falsificationisme = je probeert je onderzoekshypothese te weerleggen. Dit principe is
gebaseerd op een bepaalde logica Modus Tollens (zie logica).
Belangrijk is dus om steeds je uiterste best te doen om je theorie te ontkrachten, dit draagt
bij aan het zoeken naar de waarheid.
Empiricisme bestaat uit zintuigelijke waarnemingen en observaties en experimenten.
De vijf stappen die we doorlopen als er sprake is van een probleem wat ons stoort en hoe we
dan tot een intelligente beslissing komen:
a) Het probleem, iets wat ons stoort, waar we tegenaan lopen. Een klacht of een vraag. Vaak
een storing in het normale routine.
b) Het probleem wordt preciezer gedefinierd, wat wordt er precies mee bedoeld? Wat is nou
precies het doel van het onderzoek? Heldere probleemstelling maken.
c) Welke informatie zouden we nodig hebben om het probleem op te lossen? Hierin zijn
twee mogelijkheden: 1) bestuderen wat we al weten of 2) een onderzoek uitvoeren. De
eerste is een vereistte voor de tweede. Hierin moeten we dan ook kennis hebben van de vele
verschillende mogelijkheden hoe we informatie kunnen verkrijgen.
d) Hoe organiseren we de informatie die we hebben verkregen? En soms kunnen we niks van
de informatie maken (informatie overload).
e) De informatie wordt geinterpreteerd. En ook hierin kunnen er ook fouten ontstaan, iets
wat we verkeerd intepreteren.
, Hypothese = de mogelijke verklaringen voor een probleem of een fenomeen. Deze
hypothese kan gelijk aan het begin van het onderzoek worden gemaakt maar kan ook
ontstaan tijdens het onderzoek of zelfs aan het eind van het onderzoek.
Twee cruciale kenmerken van wetenschappelijk onderzoek:
- Vrijheid van denken: de wetenschapper moet zo open en menselijk mogelijk zijn voor de
verschillende manieren van het bekijken van het probleem.
- Publieke procedures: het proces moet zo publiekelijk mogelijk is, het moet herhaalbaar
kunnen zijn.
De methode is over het algemeen dus: identificeren van een probleem of een vraag – het
probleem verhelderen – bepalen of informatie nodig is en hoe je het verkrijgt – het
organiseren van de informatie – het intepreteren van de resultaten.
Een algemene misvatting voor wetenschap is het idee dat er vaste, voor eens en voor altijd
antwoorden zijn voor bepaalde vragen. Soms zijn we geneigd om een overgesimplificeerd
antwoord te geven op een hele complexe vraag. Maar dit is dus niet de bedoeling.
Eén van de manieren om onderzoek te doen is volgens de empirische cyclus. In de fase van
inductie is alles geoorloofd, in de fase van deductie en toetsing moet je strikt houden aan de
spelregels voor het onderzoek.
De verschillende typen onderzoek:
Iedereen is wel (on)bewust bezig is een soort van formeel onderzoek. We observeren, we
analyseren, we vragen ons af, we veronderstellen, we evalueren etc. Maar dit doen we vaak niet
systematisch.
Onderzoek (research) = elke soort van het zorgvuldig, systematisch, geduldig bestuderen en
onderzoeken in een bepaald kennisveld.
Basis onderzoek/ Fundamenteel of ‘zuiver’ onderzoek= het verhelderen van onderliggende
processen, wat de hypothese vaak aan duidt als theorie. Hierbij gaat het om fundamentele vragen en
is theorie-gestuurd.
Bv. het verfijnen van een of meer stadia van Erikson’s psycholgische theorie van ontwikkeling.
Toegepast onderzoek = het onderzoeken van het effect van bepaalde onderwijskundige praktijken.
Bij toegepast onderzoek gaat het vaak om maatschappelijke problemen en ben je op zoek naar
oplossingen met behulp van theorieën.
Bv. een bepaalde theorie over hoe kinderen leren lezen toepassen op een eerste groep die nog niet
kunnen lezen.
Onderzoek bestaat meestal uit beide.
KWANTITATIEF ONDERZOEK
Experimenteel onderzoek
Is de meest concluderende methode, geeft het meeste uitsluitsel over wat nou precies
oorzaak en wat nou gevolg is. Hetgeen wat hiervoor het beste resultaat geeft is het
experiment, hiermee krijg je het meest duidelijk wat nou oorzaak en wat gevolg is. De
Leraren, counselors, administratieve mensen, ouders en studenten/leerlingen hebben informatie
nodig om hun ‘’werk’’ te kunnen doen. Onderzoek is één van de manieren om kennis te vergaren, er
zijn ook nog meerdere manieren hoe je dat kunt doen. Maar kennis via de wetenschappelijk
methode is vaak veel accurater en betrouwbaarder.
Waarom methodologie?
> Doorprikken van prietpraat, valse intuïtie en zogenaamde autoriteit
> Wetenschappelijk geschoolde levenslang lerende professional
> Zelfstandig uitvoeren van onderzoek
Verschillende manieren hoe we tot informatie/kennis kunnen komen:
1. Sensorische ervaring
De informatie die we binnenkrijgen door onze zintuigen is de meest onmiddelijke manier die
we hebben om iets te weten. Deze zintuigelijke informatie kunnen we daarentegen ook
verfijnen, door bijvoorbeeld een thermometer te raadplegen om te weten hoe warm of koud
het is. Maar onze zintuigen kunnen ons ook misleiden, bv. de kip die we hebben geproefd
blijkt een konijn te zijn. Sensorische informatie is onbetrouwbaar en incompleet. We kunnen
niet vertrouwen op onze zintuigen alleen, maar moeten altijd kijken naar wat we weten
door middel van andere bronnen.
2. Overeenstemming met anderen
We kunnen onze zintuigelijke ervaringen delen met een ander. E kunnen de accuraatheid en
de authenticiteit van de zintuigelijke ervaringen checken bij de ander. Bv. Smaakt de soep bij
jou ook zo zout?
Er is een groot voordeel van het checken van wat we horen en zien met anderen. Zo helpt
het ons om de dingen die niet waar zijn uit te sluiten en onze levens veel intelligenter te
leiden door ons te focussen op de dingen die waar zijn. Het helpt ons ook doordat anderen
ons kunnen waarschuwen als we dingen missen. Maar ook deze manier is niet waterdicht, zo
kan de informatie die we krijgen door overeenstemming met anderen ook niet altijd waar
zijn. Mensen kunnen zich ook vergissen, het is geen garantie voor de waarheid.
3. De mening van de expert
We kunnen ook een expert raadplegen op een bepaald gebied waar we meer van willen
weten. We zijn namelijk geneigd om een expert in een bepaald vakgebied waar deze voor
heeft gestudeerd te geloven naar wat hij/zij zegt. Zo kunnen we dus ook weer informatie
verkrijgen. Bv. we geloven een arts toch wel als hij of zij zegt dat oom Charlie een slecht hart
heeft?! Maar ook experts kunnen zich vergissen. De informatie die experts hebben is puur op
basis van wat zij geleerd hebben van het lezen en denken, van het luisteren en het
observeren van andderen en vanuit hun eigen ervaring. Maar hierin kunnen ook zij zich
hebben vergist. Want er is geen expert die echt alles weet van zijn/haar vakgebied. Experts
geven ons puur een mening die gebaseerd is op wat hij/zij weet van zijn/haar vakgebied.
4. Logica
‘Alle mensen zijn sterfelijk.
Sally is een mens.
Daarom, Sally is sterfelijk.’
, Dit is hoe we vaak redeneren. We generaliseren iets vanuit onze ervaring over de
sterfelijkheid van individuen (de eerste statement – de major premise). We hebben nog
nooit een mens gezien die onsterfelijk is dus dan zullen alle mensen wel sterfelijk zijn. Dan
zien we Sally en concluderen dat zij een mens is , puur op basis van sensorische ervaring (de
tweede statement – de minor premise). En vandaaruit concluderen we dat Sally, omdat ze
een mens is, sterfelijk is (het derde statement – de conlusie). Want als de eerste twee
statements waar zijn, dan moet de derde dat ook wel zijn.
Maar ook deze methode is niet waterdicht, want het klopt alleen als de eerste en de tweede
statement waar zijn dat de de derde ook waar is. Maar vaak is het zo dat één van de eerste
twee niet waar is, waardoor de conclusie dus ook niet waar is. Logica brengt je dus ook niet
zo ver.
5. De wetenschappelijke methode
= een propositie/bewering wordt aan een empirische toets onderworpen. Wij mensen zijn
allemaal in staat om connecites te maken – om relaties en associaties te zien – door de
sensorische informatie die we bezitten. Maar de dingen die we zien, we weten nooit 100% of
deze wel werkelijk waar zijn. We hebben dan te maken met gokken en ingevingen (de
hypothese). Wat we dan eigenlijk moeten doen is deze gokken en ingevingen onderwerpen
aan een test om te zien of het nog steeds overeind blijft staan onder verschillende condities.
Een belangrijk kenmerk van deze wetenschappelijke methode is dat het een publieke
methode is, wat betekent dat het onderzoek herhaalt kan worden door iedereen die de
uitkomst betwijfelt. Procedures, speculaties en conclusies zijn pas wetenschappelijk op het
moment dat deze publiekelijk zijn. Er is dus een mogelijkheid tot verwerping of aanvaarding.
We zijn dus eigenlijk op zoek naar dingen die ons ongelijk geven. En er is sprake van
herhaalbaarheid (replicatie).
Falsificationisme = je probeert je onderzoekshypothese te weerleggen. Dit principe is
gebaseerd op een bepaalde logica Modus Tollens (zie logica).
Belangrijk is dus om steeds je uiterste best te doen om je theorie te ontkrachten, dit draagt
bij aan het zoeken naar de waarheid.
Empiricisme bestaat uit zintuigelijke waarnemingen en observaties en experimenten.
De vijf stappen die we doorlopen als er sprake is van een probleem wat ons stoort en hoe we
dan tot een intelligente beslissing komen:
a) Het probleem, iets wat ons stoort, waar we tegenaan lopen. Een klacht of een vraag. Vaak
een storing in het normale routine.
b) Het probleem wordt preciezer gedefinierd, wat wordt er precies mee bedoeld? Wat is nou
precies het doel van het onderzoek? Heldere probleemstelling maken.
c) Welke informatie zouden we nodig hebben om het probleem op te lossen? Hierin zijn
twee mogelijkheden: 1) bestuderen wat we al weten of 2) een onderzoek uitvoeren. De
eerste is een vereistte voor de tweede. Hierin moeten we dan ook kennis hebben van de vele
verschillende mogelijkheden hoe we informatie kunnen verkrijgen.
d) Hoe organiseren we de informatie die we hebben verkregen? En soms kunnen we niks van
de informatie maken (informatie overload).
e) De informatie wordt geinterpreteerd. En ook hierin kunnen er ook fouten ontstaan, iets
wat we verkeerd intepreteren.
, Hypothese = de mogelijke verklaringen voor een probleem of een fenomeen. Deze
hypothese kan gelijk aan het begin van het onderzoek worden gemaakt maar kan ook
ontstaan tijdens het onderzoek of zelfs aan het eind van het onderzoek.
Twee cruciale kenmerken van wetenschappelijk onderzoek:
- Vrijheid van denken: de wetenschapper moet zo open en menselijk mogelijk zijn voor de
verschillende manieren van het bekijken van het probleem.
- Publieke procedures: het proces moet zo publiekelijk mogelijk is, het moet herhaalbaar
kunnen zijn.
De methode is over het algemeen dus: identificeren van een probleem of een vraag – het
probleem verhelderen – bepalen of informatie nodig is en hoe je het verkrijgt – het
organiseren van de informatie – het intepreteren van de resultaten.
Een algemene misvatting voor wetenschap is het idee dat er vaste, voor eens en voor altijd
antwoorden zijn voor bepaalde vragen. Soms zijn we geneigd om een overgesimplificeerd
antwoord te geven op een hele complexe vraag. Maar dit is dus niet de bedoeling.
Eén van de manieren om onderzoek te doen is volgens de empirische cyclus. In de fase van
inductie is alles geoorloofd, in de fase van deductie en toetsing moet je strikt houden aan de
spelregels voor het onderzoek.
De verschillende typen onderzoek:
Iedereen is wel (on)bewust bezig is een soort van formeel onderzoek. We observeren, we
analyseren, we vragen ons af, we veronderstellen, we evalueren etc. Maar dit doen we vaak niet
systematisch.
Onderzoek (research) = elke soort van het zorgvuldig, systematisch, geduldig bestuderen en
onderzoeken in een bepaald kennisveld.
Basis onderzoek/ Fundamenteel of ‘zuiver’ onderzoek= het verhelderen van onderliggende
processen, wat de hypothese vaak aan duidt als theorie. Hierbij gaat het om fundamentele vragen en
is theorie-gestuurd.
Bv. het verfijnen van een of meer stadia van Erikson’s psycholgische theorie van ontwikkeling.
Toegepast onderzoek = het onderzoeken van het effect van bepaalde onderwijskundige praktijken.
Bij toegepast onderzoek gaat het vaak om maatschappelijke problemen en ben je op zoek naar
oplossingen met behulp van theorieën.
Bv. een bepaalde theorie over hoe kinderen leren lezen toepassen op een eerste groep die nog niet
kunnen lezen.
Onderzoek bestaat meestal uit beide.
KWANTITATIEF ONDERZOEK
Experimenteel onderzoek
Is de meest concluderende methode, geeft het meeste uitsluitsel over wat nou precies
oorzaak en wat nou gevolg is. Hetgeen wat hiervoor het beste resultaat geeft is het
experiment, hiermee krijg je het meest duidelijk wat nou oorzaak en wat gevolg is. De