LKT-TAAL
1 Mondelinge taalvaardigheid
1.1 Taalverwerving
Taalverwervingstheorieën
Er zijn verschillende theorieën die proberen te verklaren hoe kinderen taal leren.
Behaviorisme Kinderen leren een taal door imitatie van de omgeving. Frequente woorden als papa en mama leren
zij als eerst. Door goedkeuring van ouders zal een kind woorden vaker zeggen.
Creatieve Wordt ook wel mentalisme genoemd, omdat kinderen een aangeboren (mentaal)
constructieheorie taalvermogen hebben, waarbij zij zelf structuur in een taal kunnen ontdekken. Hierdoor kunnen
kinderen op een creatieve manier, met behulp van het taalvermogen, zelf de taal construeren.
Interactionele Het aangeboren taalvermogen en het taalaanbod van de omgeving zijn belangrijk bij het leren van
benadering een taal. Combinatie van behaviorisme en de creatieve constructietheorie.
2 Eerstetaalverwerving
De taalverwerving van een kind kan worden onderverdeeld in 2 fases:
Prelinguale periode (0 jaar – 1 jaar)
Linguale periode
o Vroeglinguale periode (1 jaar - 2,5 jaar)
o Differentiatiefase (2,5 jaar – 5 jaar)
o Voltooiingsfase (Vanaf 5 jaar)
Prelinguale periode
Baby’s gebruiken nog geen echte woorden, maar wel geluiden om signalen te geven aan de
buitenwereld.
Huilen De eerste 6 weken: Door middel van huilen geeft een kind signalen aan de buitenwereld.
Vocaliseren 6 – 20 weken: Een baby produceert zelf klinkers of vocalen. Een kind ontdekt de klank in een taal en
oefent zijn spraakmechanisme
Vocaal spel 4 – 6 maanden: Een baby experimenteert met klanken, zowel klinkers als medeklinkers.
Brabbelfase Vanaf 7 maanden tot 1 jaar: Een baby produceert betekenisloze klankgroepen en de klanken worden
aangepast aan de moedertaal.
Linguale periode
Vroeglinguale Vanaf ongeveer het eerste jaar gaan kinderen echte woorden en zinnen gebruiken. Een kind gaat van
fase brabbelen naar betekenisvol taalgebruik doordat zij zinnen leren vormen.
, Vroeglinguale fase
Eenwoordzin 1 – 1,5 jaar: Een kind ontdekt dat woorden verwijzen naar de werkelijkheid en spreekt in zinnen van
1 woord. Een woord kan het karakter van een zin hebben.
Een kind kan vragend een woord stellen of een ontkennende zin maken door een woord te noemen en
daarbij nee te schudden.
Tweewoordzin 1,5 – 2 jaar: Kinderen gaan woorden combineren en spreken in zinnen van 2 woorden
Meerwoordzin Vanaf 2 jaar: Kinderen spreken in zinnen van 3 of meer woorden en de woordenschat groeit sterk.
Differentiatiefase
2,5 – 5 jaar: Taalgebruik gaat lijken op dat van volwassenen. Kinderen maken steeds langere zinnen
en de woordenschat groeit snel.
Overgeneralisaties Kinderen ontdekken zelf regelmatigheden in de taal, wat ook leidt tot het onjuist toepassen van
taalregels.
Loopt, gevald of meegebrengt
Voltooiingsfase
5-9 jaar: Alle processen die in de differentiatiefase zijn begonnen, worden nu uitgebreid. De
taalontwikkeling gebeurt niet meer spelenderwijs, doordat kinderen via onderwijs leren over de taal.
Aan het eind van deze fase gebruikt een kind de taal op dezelfde wijze als een volwassene. Er is dan
alleen nog verschil in grootte van de woordenschat.
Taalniveaus
Taal is ingedeeld op niveaus die op elkaar voortbouwen. Het leren van een taal is een totaalproces,
waarbij een kind met al deze niveaus van een taal tegelijk bezig is.
Fonologisch De taalontwikkeling begint met het vormen van losse spraakklanken zoals ‘ah, ah’ of ‘buh’. Kinderen
ervaren hoe woorden klinken en worden uitgesproken.
Morfologisch Ook horen kinderen hoe woorden zijn opgebouwd en geleidelijk leren ze de regels voor de opbouw
van woorden, zoals regelmatige of onregelmatige afleidingen, vervoegingen en verbuigingen.
Syntactisch Kinderen horen de volgorde van woorden in een zin en krijgen hier inzicht in. Ze kunnen steeds
volledigere zinnen vormen.
Semantisch Kinderen leren niet in 1 keer de exacte betekenis van een woord, maar hierin ontwikkelen zij zich. Dit
leren zij dus in de loop van de tijd.
Pragmatisch Kinderen leren hoe je taal gebruikt in sociale situaties (communicatieve competentie).
Orthografisch Uiteindelijk leren kinderen hoe je woorden schrijft.
3 Tweede taalverwerving
Het proces van het leren van een tweede taal is anders dan die van een eerste taal. Kinderen kunnen
, Simultane twee talen tegelijk aanleren. Als kinderen voor het 3 e levensjaar een tweede taal leren valt dit onder
tweetaligheid simultane taalverwerving.
Successieve Als een kind na het 3e levensjaar een nieuwe taal leert, gebruikt hij de kennis van de eerste taal. Ook
tweetaligheid is er verschil in tijd waarbinnen de taalontwikkeling plaatsvindt, afhankelijk van hoe vaak iemand in
aanraking komt met de tweede taal.
Interfentie- Fouten die ontstaan door verschillen in de eerste en tweede taal, zoals het onjuiste gebruik van
fouten lidwoorden of de uitspraak
1.2 Taalgebruik
1.2.1 Functies van taal
Taalfuncties Er zijn verschillende redenen waarom we taal gebruiken. Taal heeft verschillende functies, waarin we
onderscheid maken:
Communicatieve (sociale) taalfunctie
Cognitieve (conceptualiserende) taalfunctie
Expressieve taalfunctie
Communicatieve of sociale taalfunctie
Hoe gebruik je taal in de omgang met andere mensen. Een spreker wil steeds een boodschap
doorgeven aan een hoorder.
Zelfhandhaving Je kan taal gebruiken om jezelf of je bezit te verdedigen.
Voor jezelf opkomen of aangeven dat iets van jou is.
Zelfsturing Met je woorden ordenen wat je gaat doen en je plannen aankondigen.
Sturing van anderen Taal gebruiken om anderen te sturen en beïnvloeden.
Dit doe je door bijvoorbeeld een vraag te stellen als: Zullen we gaan?
Structurering van Taal gebruiken om het gespreksverloop te beïnvloeden.
het gesprek
Conceptualiserende of cognitieve taalfunctie
Taal gebruiken als hulpmiddel om je gedachten te ordenen en een greep te krijgen op de
werkelijkheid. Dit kan op verschillende manieren.
Rapporteren Je beschrijft wat je ziet of meemaakt.
Redeneren Dit is een stap verder dan rapporteren. Je bewerkt gebeurtenissen door een extra denkstap in te
bouwen. Je legt verbanden en trekt conclusies.
“Vanmorgen werd ik wakker en toen hebben papa en Bente eerst voor mij gezongen en toen moest ik mee
naar beneden en toen stond daar een nieuwe fiets.”
1 Mondelinge taalvaardigheid
1.1 Taalverwerving
Taalverwervingstheorieën
Er zijn verschillende theorieën die proberen te verklaren hoe kinderen taal leren.
Behaviorisme Kinderen leren een taal door imitatie van de omgeving. Frequente woorden als papa en mama leren
zij als eerst. Door goedkeuring van ouders zal een kind woorden vaker zeggen.
Creatieve Wordt ook wel mentalisme genoemd, omdat kinderen een aangeboren (mentaal)
constructieheorie taalvermogen hebben, waarbij zij zelf structuur in een taal kunnen ontdekken. Hierdoor kunnen
kinderen op een creatieve manier, met behulp van het taalvermogen, zelf de taal construeren.
Interactionele Het aangeboren taalvermogen en het taalaanbod van de omgeving zijn belangrijk bij het leren van
benadering een taal. Combinatie van behaviorisme en de creatieve constructietheorie.
2 Eerstetaalverwerving
De taalverwerving van een kind kan worden onderverdeeld in 2 fases:
Prelinguale periode (0 jaar – 1 jaar)
Linguale periode
o Vroeglinguale periode (1 jaar - 2,5 jaar)
o Differentiatiefase (2,5 jaar – 5 jaar)
o Voltooiingsfase (Vanaf 5 jaar)
Prelinguale periode
Baby’s gebruiken nog geen echte woorden, maar wel geluiden om signalen te geven aan de
buitenwereld.
Huilen De eerste 6 weken: Door middel van huilen geeft een kind signalen aan de buitenwereld.
Vocaliseren 6 – 20 weken: Een baby produceert zelf klinkers of vocalen. Een kind ontdekt de klank in een taal en
oefent zijn spraakmechanisme
Vocaal spel 4 – 6 maanden: Een baby experimenteert met klanken, zowel klinkers als medeklinkers.
Brabbelfase Vanaf 7 maanden tot 1 jaar: Een baby produceert betekenisloze klankgroepen en de klanken worden
aangepast aan de moedertaal.
Linguale periode
Vroeglinguale Vanaf ongeveer het eerste jaar gaan kinderen echte woorden en zinnen gebruiken. Een kind gaat van
fase brabbelen naar betekenisvol taalgebruik doordat zij zinnen leren vormen.
, Vroeglinguale fase
Eenwoordzin 1 – 1,5 jaar: Een kind ontdekt dat woorden verwijzen naar de werkelijkheid en spreekt in zinnen van
1 woord. Een woord kan het karakter van een zin hebben.
Een kind kan vragend een woord stellen of een ontkennende zin maken door een woord te noemen en
daarbij nee te schudden.
Tweewoordzin 1,5 – 2 jaar: Kinderen gaan woorden combineren en spreken in zinnen van 2 woorden
Meerwoordzin Vanaf 2 jaar: Kinderen spreken in zinnen van 3 of meer woorden en de woordenschat groeit sterk.
Differentiatiefase
2,5 – 5 jaar: Taalgebruik gaat lijken op dat van volwassenen. Kinderen maken steeds langere zinnen
en de woordenschat groeit snel.
Overgeneralisaties Kinderen ontdekken zelf regelmatigheden in de taal, wat ook leidt tot het onjuist toepassen van
taalregels.
Loopt, gevald of meegebrengt
Voltooiingsfase
5-9 jaar: Alle processen die in de differentiatiefase zijn begonnen, worden nu uitgebreid. De
taalontwikkeling gebeurt niet meer spelenderwijs, doordat kinderen via onderwijs leren over de taal.
Aan het eind van deze fase gebruikt een kind de taal op dezelfde wijze als een volwassene. Er is dan
alleen nog verschil in grootte van de woordenschat.
Taalniveaus
Taal is ingedeeld op niveaus die op elkaar voortbouwen. Het leren van een taal is een totaalproces,
waarbij een kind met al deze niveaus van een taal tegelijk bezig is.
Fonologisch De taalontwikkeling begint met het vormen van losse spraakklanken zoals ‘ah, ah’ of ‘buh’. Kinderen
ervaren hoe woorden klinken en worden uitgesproken.
Morfologisch Ook horen kinderen hoe woorden zijn opgebouwd en geleidelijk leren ze de regels voor de opbouw
van woorden, zoals regelmatige of onregelmatige afleidingen, vervoegingen en verbuigingen.
Syntactisch Kinderen horen de volgorde van woorden in een zin en krijgen hier inzicht in. Ze kunnen steeds
volledigere zinnen vormen.
Semantisch Kinderen leren niet in 1 keer de exacte betekenis van een woord, maar hierin ontwikkelen zij zich. Dit
leren zij dus in de loop van de tijd.
Pragmatisch Kinderen leren hoe je taal gebruikt in sociale situaties (communicatieve competentie).
Orthografisch Uiteindelijk leren kinderen hoe je woorden schrijft.
3 Tweede taalverwerving
Het proces van het leren van een tweede taal is anders dan die van een eerste taal. Kinderen kunnen
, Simultane twee talen tegelijk aanleren. Als kinderen voor het 3 e levensjaar een tweede taal leren valt dit onder
tweetaligheid simultane taalverwerving.
Successieve Als een kind na het 3e levensjaar een nieuwe taal leert, gebruikt hij de kennis van de eerste taal. Ook
tweetaligheid is er verschil in tijd waarbinnen de taalontwikkeling plaatsvindt, afhankelijk van hoe vaak iemand in
aanraking komt met de tweede taal.
Interfentie- Fouten die ontstaan door verschillen in de eerste en tweede taal, zoals het onjuiste gebruik van
fouten lidwoorden of de uitspraak
1.2 Taalgebruik
1.2.1 Functies van taal
Taalfuncties Er zijn verschillende redenen waarom we taal gebruiken. Taal heeft verschillende functies, waarin we
onderscheid maken:
Communicatieve (sociale) taalfunctie
Cognitieve (conceptualiserende) taalfunctie
Expressieve taalfunctie
Communicatieve of sociale taalfunctie
Hoe gebruik je taal in de omgang met andere mensen. Een spreker wil steeds een boodschap
doorgeven aan een hoorder.
Zelfhandhaving Je kan taal gebruiken om jezelf of je bezit te verdedigen.
Voor jezelf opkomen of aangeven dat iets van jou is.
Zelfsturing Met je woorden ordenen wat je gaat doen en je plannen aankondigen.
Sturing van anderen Taal gebruiken om anderen te sturen en beïnvloeden.
Dit doe je door bijvoorbeeld een vraag te stellen als: Zullen we gaan?
Structurering van Taal gebruiken om het gespreksverloop te beïnvloeden.
het gesprek
Conceptualiserende of cognitieve taalfunctie
Taal gebruiken als hulpmiddel om je gedachten te ordenen en een greep te krijgen op de
werkelijkheid. Dit kan op verschillende manieren.
Rapporteren Je beschrijft wat je ziet of meemaakt.
Redeneren Dit is een stap verder dan rapporteren. Je bewerkt gebeurtenissen door een extra denkstap in te
bouwen. Je legt verbanden en trekt conclusies.
“Vanmorgen werd ik wakker en toen hebben papa en Bente eerst voor mij gezongen en toen moest ik mee
naar beneden en toen stond daar een nieuwe fiets.”