PB0122
Ontwikkelingspsychologie
Robert S. Feldman
9e editie
Samenvatting
December 2025
1
, Samenvatting Ontwikkelingspsychologie
Inhoudsopgave
Samenvatting 3
Hoofdstuk 1 Een inleiding in de ontwikkeling van het kind 3
Hoofdstuk 2 theoretische perspectieven en onderzoek 6
Hoofdstuk 3 Het begin van het leven 18
Hoofdstuk 4 De geboorte en het pasgeboren kind 27
Hoofdstuk 5 De fysieke ontwikkeling in de babytijd 32
Hoofdstuk 6 De cognitieve ontwikkeling in de babytijd 40
Hoofdstuk 7 De sociaal-emotionele ontwikkeling en de persoonlijkheidsontwikkeling 46
Hoofdstuk 8 De fysieke ontwikkeling in de peuter- en kleutertijd 54
Hoofdstuk 9 De cognitieve ontwikkeling in de peuter- en kleutertijd 61
Hoofdstuk 10 De sociaal-emotionele ontwikkeling en de persoonlijkheidsontwikkeling 68
Hoofdstuk 11 De fysieke ontwikkeling in de schooltijd 74
Hoofdstuk 12 De cognitieve ontwikkeling in de schooltijd 78
Hoofdstuk 13 De sociaal-emotionele ontwikkeling en de persoonlijkheidsontwikkeling 84
Begrippen 92
2
, Samenvatting Ontwikkelingspsychologie
Hoofdstuk 1 Een inleiding in de ontwikkeling van het kind
Ontwikkelingspsychologie = de wetenschappelijke studie van patronen van groei,
verandering en stabiliteit bij mensen gedurende hun hele leven, van conceptie tot en met de
volwassenheid.
- Wetenschappelijke benadering
- Menselijke ontwikkeling (verschillen tussen mensen en algemene principes)
- Veranderen en groeien vs stabiliteit
- Levensfasen (conceptie tot en met de dood)
Ontwikkelingsdomeinen in de ontwikkelingspsychologie
- Fysieke ontwikkeling = ontwikkeling die betrekking heeft op de fysieke opbouw van
het lichaam, zoals de hersenen, het zenuwstelsel, de spieren, de zintuigen en de
behoefte aan eten, drinken en slaap.
o Rijping = blijvende fysieke of psychologische verandering als gevolg van
biologische groeiprocessen.
- Cognitieve ontwikkeling = ontwikkeling die betrekking heeft op intellectuele
vermogens, zoals denken, leren, herinneren en probleem oplossen.
- Sociaal-emotionele ontwikkeling = ontwikkeling die betrekking heeft op sociale
relaties, interacties met anderen en op het omgaan met emoties (waaronder seksuele
ontwikkeling) en persoonlijkheidsontwikkeling = ontwikkeling van duurzame
gedragingen en (karakter)eigenschappen die de ene persoon van de andere
onderscheiden (waaronder morele ontwikkeling).
Ontwikkelingsfasen
- Prenatale periode van conceptie tot geboorte
- Babytijd van geboorte tot 2 jaar
- Peuter- en kleutertijd van 2 tot 6 jaar
- Schooltijd van 6 tot 12 jaar
- Adolescentie van 12 tot 20 jaar
Sociale constructie is een idee over de realiteit dat algemeen geaccepteerd is, afhankelijk van
de maatschappij en cultuur in een bepaalde tijdsgeest.
Bovenstaande fasen zijn niet allemaal duidelijk afgebakend. Per persoon kan de leeftijd van
doorstroom naar de volgende fase verschillen
3
,Alternatieve fasen / aanvullende specifieke ontwikkelingsfasen
- Prepuberteit voorafgaand de puberteit, waarin hormonale veranderingen al in
het lichaam plaatsvinden, zonder dat deze aan de buitenkant
zichtbaar zijn.
- Puberteit periode van geslachtsrijping
- Ontluikende 18 tot 25 jaar, ontdekkingsfase van eigen identiteit
volwassenheid
Cohort = een groep mensen die in een bepaalde periode leven, waardoor zij voor een deel
gelijke ervaringen opdoen.
- Sociaal-historische gebeurtenissen:
o Oorlogen
o Economische groei en crises
o Hongersnoden
o Epidemieën
- Normatieve gebeurtenissen: redelijk algemene gebeurtenissen
o Normatieve historische invloeden = socialeomgevingsinvloeden en
biologische invloeden die verbonden zijn met de specifieke maatschappelijke
situatie in een historische tijd, zoals de vuurwerkramp in Enschede in 2000.
o Normatieve leeftijdsgebonden invloeden = biologische invloeden en
omgevingsinvloeden die vergelijkbaar zijn voor menseen in een bepaalde
leeftijdsgroep.
o Normatieve sociaal-culturele invloeden = cultuur, etnische afkomst, sociale
klasse en subculturen
- Niet normatieve gebeurtenissen = persoonlijke ingrijpende gebeurtenissen waar de
persoon al dan niet zelf invloed op heeft
Invloedrijke personen
- Binet (1857-1911) intelligentie van kinderen, geheugen en hoofdrekenen
- Hall (1844-1924) denken en gedrag van kinderen onderzoeken met
vragenlijsten
- Hollingworth (1886-1939) ontwikkeling van kinderen, intelligentietests en
hoogbegaafdheid
- Montessori (1870-1952) ‘leer mij het zelf te doen’
Vraagstukken binnen de ontwikkelingspsychologie
- Continue vs discontinue verandering
o Continue verandering = geleidelijke kwantitatieve ontwikkeling, waarbij
prestaties op een bepaald niveau voortvloeien uit die op de vorige niveaus.
o Discontinue verandering = ontwikkeling die in aparte stappen of stadia
plaatsvindt, en waarbij elk stadium gedrag oplevert dat kwalitatief anders is
dan gedrag in eerdere stadia.
4
, - Kritieke en gevoelige perioden (de invloed van de omgeving)
o Kritieke periode = een specifieke tijdsspanne in de ontwikkeling waarin een
bepaalde gebeurtenis of het uitblijven daarvan de grootste – en zelfs
onomkeerbare – gevolgen heeft,
o Stimuli = prikkels, oftewel veranderingen in de uitwendige of inwendige
omgeving waarop een organisme reageert,
o Plasticiteit = de mate waarin een zich ontwikkelend gedragspatroon of fysieke
structuur veranderbaar is.
o Gevoelige periode = een afgebakende tijdspanne, meestal vroeg in het leven,
waarin mensen extra gevoelig zijn voor bepaalde omgevingsinvloeden, of juist
het ontbreken daarvan, en sterk ontvankelijk zijn voor het leren van specifieke
vaardigheden.
- Levensloopmodel vs focus op specifieke perioden
o Verschuiving in overtuiging welke fase het meest van belang is, door
ontdekking dat er in elk levensstadium sprake is van ontwikkelingsgroei en -
verandering en grote invloed van sociale omgeving op ontwikkeling
- De relatieve invloed van nature en nurture op de ontwikkeling
o Nature-nurturedebat = de discussie over de oorsprong van ons gedrag en
onze eigenschappen; in hoeverre komen deze voort uit onze aanleg en in
hoeverre uit onze opvoeding en leefomgeving.
o De vraag is niet welke van de twee aan de orde is, maar in welke mate beide
van belang zijn.
- Gevolgen voor opvoeding en sociaal beleid
o Biopsychosociaal
o
Toekomstvisie
- Vakgebied specialiseert, waardoor nieuwe onderzoeksgebieden en perspectieven
ontstaan.
- Epigenetica en onderzoek naar werking van onze hersenen
- Diversiteitsvraagstukken
- Ontwikkelingspsychologie zal in steeds meer vakgebieden ingezet worden
- Inzichten uit de ontwikkelingspsychologie zullen ook een grotere invloed hebben op
maatschappelijke kwesties.
- Toename van technologie (big data en e-health)
5
, Hoofdstuk 2 theoretische perspectieven en onderzoek
Theorie = een geheel van verklaringen en voorspellingen ten aanzien van een verschijnsel dat
een raamwerk biedt om de relaties tussen een reeks feiten of principes te begrijpen.
Psychodynamisch perspectief = benadering binnen de psychologie die ervan uitgaat dat
gedrag wordt gemotiveerd door innerlijke krachten, herinneringen en conflicten, waarvan een
persoon zich nauwelijks bewust is en waarover hij weinig controle heeft.
- Freud (1856-1939)
- Onbewuste is het deel van iemands persoonlijke wensen, verlangens en behoeften
bevat, die verstoten zijn van het bewustzijn wegens de verstorende aard.
- Id = het primitieve, ongeorganiseerde, aangeboren deel van de persoonlijkheid dat
opereert vanuit het genotsprincipe.
- Ego = het rationele en . deel van de persoonlijkheid, dat opereert vanuit het
realilteitsprincipe.
- Superego = het aspect van de persoonlijkheid dat iemands geweten vertegenwoordigt
en het onderscheid maakt tussen goed en kwaad.
- Vorming van persoonlijkheid
o Psychoseksuele ontwikkeling = vijf fasen die kinderen volgens Freud
doorlopen, waarin genot of bevrediging telkens is gericht op een andere
biologische functie en een ander deel van het lichaam (zie tabel 2.1 op blz 32)
▪ Orale fase
▪ Anale fase
▪ Fallische fase
▪ Latentiefase
▪ Genitale fase
Wanneer er iets misgaat in een bepaalde fase, kan dit leiden tot fixatie = een
blijvende focus op een eerder psychoseksueel stadium als gevolg van een
onopgelost conflict.
▪ Voorbeelden zijn bij fixaties ontstaan in de orale fase, neiging tot
nagelbijten, eten, of praten, maar ook symbolische fixatie zoals
‘bijtend’ sarcasme.
Psychosociale ontwikkeling = de veranderingen in onze interacties met anderen in hoe we
aankijken tegen het gedrag van anderen en tegen onszelf als onderdeel van de maatschappij.
- Erikson (1902-1994)
- Nadruk op sociale interactie met anderen, en ontwikkeling gedurende gehele
levensloop in 8 fasen.
o De vijf fasen beschreven volgens Freud
o Eerste volwassenheid
o Volwassenheid
o Rijpheid
Adolescentie is volgens Erikson het startpunt van de eigen identiteit
6
,Kritiek op psychoanalyse
- Dat mensen in hun jeugd stadia van psychoseksuele ontwikkeling doorlopen, die de
persoonlijkheid in de volwassenheid bepalen, is door onderzoek niet bevestigd.
- Onderzoeksgroep van Freud beperkt tot rijke middenklassers, uit een streng, puriteins
tijdperk. Of zijn theorieen ook gelden voor multiculturele bevolkingsgroepen is maar
de vraag.
- Freuds theorieen zijn op te vatten als seksistisch en discriminerend voor vrouwen.
- Kritiek op Erikson is dat hij zijn theorieen ook meer richt op de ontwikkeling van
mannen dan op die van vrouwen. Sommige punten zijn bovendien te vaag.
Behavioristisch perspectief = benadering binnen de psychologie die ervan uitgaat dat je
moet kijken naar waarneembaar gedrag en externe stimuli in de omgeving om de
ontwikkeling van het individu te begrijpen.
- Externe stimuli = verschijnselen in de wereld om ons heen, die door onze zintuigen
worden waargenomen en reacties teweegbrengen.
- Nurture belangrijker dan nature
- Ontwikkeling is kwantitatief en niet kwalitatief
- Stimulus-respons leren = vormen van leren die we kunnen beschrijven in termen van
externe stimuli (prikkels uit de omgeving) en responsen (gedragingen als reactie
daarop), zoals klassieke en operante conditionering.
- Basis van CGT, een van de meest toegepaste behandelvormen
- Verklaart de grote invloed van rolmodellen (zoals influencers)
Klassieke conditionering = vorm van leren waarbij een organisme door de koppeling van
twee stimuli leert reageren op een neutrale stimulus die dat type respons normaal gesproken
niet uitlokt.
- Pavlov (1849-1936)
- Vorm van leren waarin gedrag dat geassocieerd wordt met een ongeconditioneerde
stimulus (eten) verbonden wordt aan een andere, neutrale stimulus (geluid), ook wel
een geconditioneerde stimulus genoemd. Dit resulteert in een geconditioneerde
respons (kwijlen)
- Watson: ene stimulus wordt vervangen door een andere
- Generalisatie = de geconditioneerde respons treedt niet alleen op wanneer de
geconditioneerde stimulus wordt aangeboden, maar ook bij vergelijkbare stimuli.
- Klassieke conditionering kan in het bijzonder optreden bij intense en negatieve
emoties.
7
, Operante conditionering = vorm van leren waarbij een vrijwillige respons wordt versterkt of
verzwakt, door de associatie met respectievelijke positieve of negatieve consequenties.
- Skinner (1904-1990)
- Doelbewust leren reageren op omgeving om gewenste consequenties tot stand te
brengen.
- Bekrachtiging = het proces waarbij in reactie op bepaald gedrag een gewenste
stimulus wordt aangeboden of een ongewenste stimulus wordt weggenomen, wat de
kans vergroot dat het gedrag zich herhaalt.
o Positieve bekrachtiging = toedienen van gewenste stimulus
o Negatieve bekrachtiging = wegnemen van een ongewenste stimulus
o Positieve straf = introductie van een onplezierige of pijnlijke stimulus
o Negatieve straf = verwijderen van een gewenste stimulus
- Gedrag dat beloond wordt, zal iemand sneller herhalen, terwijl gedrag dat geen
beloning oplevert of bestraft wordt, wordt waarschijnlijk niet voortgezet. Dit leidt tot
gedragsmodificatie. Voorbeeld is een stickerbeloningssysteem op basisscholen.
Sociaal-cognitieve leertheorie = benadering binnen de psychologie waarbij de nadruk ligt op
leren door het gedrag van een andere persoon (een model) te observeren en na te doen.
- Modeling = voordoen van gedrag.
- De kans dat gedrag geïmiteerd wordt is groot wanneer het gedrag bij model wordt
beloond.
- Vier principes
o Aandacht: je neemt het gedrag van een model waar
o Retentie: je kunt je het gedrag op een later tijdstip nog herinneren
o Reproductie: je kunt het gedrag dat je je herinnert reproduceren
o Motivatie: je bent gedreven om het gedrag te leren en uit te voeren, doordat je
ziet dat het iets oplevert en/of doordat je op een bepaalde manier opkijkt tegen
het model.
Kritiek op behavioristisch perspectief
- Mens wordt beschouwd als black boxes, de interne belevingswereld is niet
waarneembaar, en daarom ook geen studie interesse.
o 2e generatie CGT focus op inhoudverandering van disfunctionele gedachten
(cognities)
o 3e generatie CGT meer focus op mindfulnessvaardigheden, acceptatie en
effectiever omgaan met emoties en cognities → ACT
o 4e generatie (positieve) CGT focus op ontdekken van competenties en op
gewenste toekomst.
o Let op: verschil is accentverschuiving, geen compleet nieuwe therapie.
8