HC1
Niet mogen, kunnen, willen meedoen
Willen meedoen: optelsom bij mogen en kunnen meedoen.
A. SCP (2004): dimensies van sociale uitsluiting:
Sociaal-culturele uitsluiting
1. onvoldoende participatie aan (in)formele netwerken, sociaal isolement en
onvoldoende sociale betrokkenheid.
2. onvoldoende naleving van centrale waarden en normen in de samenleving.
Structureel-Economische uitsluiting [armoede]
1. Materiele deprivatie: ontbreken van bepaalde duurzame goederen (b.v.
wasmachine) of het zich niet kunnen veroorloven van elementaire zaken (b.v.
warme maaltijd)
2. Sociale grondrechten: recht op of toegang tot op medische zorg, huisvesting
en onderwijs.
B. Ward: cultureel symbolische en materiele uitsluiting
Cultureel symbolische uitsluiting: normen sluiten iedereen uit die niet ‘normaal’ is.
Daarbij beklemtoont Ward de rol van structurele uitsluiting tov individuele
verantwoordelijkheid: de buitengeslotene participeren niet voldoende omdat de
structuur dit onmogelijk maakt. Economische uitsluiting is vaak een gevolg hiervan,
omvat dan de economische aspecten zoals ook hierboven bij SCP benoemd.
Sociale uitsluiting volgens Schuyt (3 dimensies)
- Er niet bij mogen horen; er niet bij kunnen horen; er niet (meer) bij willen horen
- Leidt tot ongemakkelijke gevoelens, zowel bij uitsluiters als de uitgeslotenen.
- “Zulke mensen zijn er, maar ze zijn niet opgenomen. Ze zijn geen vreemdelingen
meer, maar nog lang niet een der onzen, nog minder one of the boys.”
Mogen meedoen – opzettelijke discriminatie - outgroeps
- Bij niet mee mogen doen worden groepen opzettelijk gediscrimineerd of er buiten
gehouden. Ze worden op meer of minder subtiele wijze naar de marge van de
samenleving geschoven. Omdat hun normen- en waardenset afwijkt van de
dominante groep, de mate ervan wordt vaak verdreven door de dominante groep.
, - De geschiedenis zit vol van voorbeelden van opzettelijke discriminatie: joden,
katholieken, zwarte Afrikanen, Roma/Sinti, homoseksuelen.
- Bij niet mee mogen doen richten we ons op mensen die worden uitgesloten door
processen van stigmatisering, hierbij zijn de volgende concepten van belang:
o Vooroordelen: Negatieve gevoelens richting leden van een bepaalde
groepering, omdat ze tot die groepering behoren of worden getekend.
o Stereotypering: Negatieve ideeën over leden van een bepaalde groepering,
omdat ze tot die groepering behoren of worden gerekend.
o Discriminatie: Negatief gedrag tegenover leden van een bepaalde groepering,
omdat ze tot die groepering behoren of worden gerekend.
Kunnen meedoen – onvermogen, bv beperking of het onvermogen om een baan vast te
houden (ook eigen schuld dikke bult mechanisme)
- “Uitsluiting slaat ook op het “er niet bij kunnen horen”, bijvoorbeeld door handicaps,
gebreken of onvermogen om een goede, vaste baan te vinden of om een goede baan
vast te houden.
- Vanwege meritocratische opvattingen wordt dit proces vaak geïnterpreteerd als
“eigen schuld, dikke bult!”
- Over wie praten we dan? Werklozen, (ex)gedetineerden, soms zelfs mensen met een
fysieke of mentale beperking.
,Voorbeelden:
- Één op 12 jongeren kampt met psychische klachten.
- 8 procent van de 12- tot 25-jarigen kampt met psychische klachten. Dat blijkt uit de
Gezondheidsenquête van het CBS.
Willen meedoen – zelfuitsluiting na afkeuring door anderen
- “Is het geen wonder dat veel uitgeslotenen zelf besluiten om er niet meer bij te
willen horen?”
- Zelfuitsluiting/zelfstigmatisering is vaak een rechtstreeks gevolg van ervaringen van
afkeuring en eerder uitsluiting van de kant van ouders, schoolleiders, politie en
andere gezagdragers.
- Zelfstigma onder meer door internalisering van publiek stigma.
Sociale uitsluiting is een cumulatie van bovenstaande.
Sociale uitsluiting bevat 4 dimensies.
- Morele dimensie: een dominant idee gevormd door de machthebbende groep die
bepalingsmacht heeft.
- Economische dimensie: rendement: wat lever je op? Of wat kost je voor de
samenleving? Vaak samen met morele dimensie: “ze” zijn lui, achterlijk, etc.
Verschillende uitgesloten groepen slagen er niet allemaal even goed in om op te
komen voor hun rechten, posities en behandeling. Mensen met een beperking bijv.
Beter dan mensen met een detentieverleden.
- Sociale dimensie: de mate van sociale weerbaarheid, op individueel niveau, maar
ook op collectief niveau.
- Rechtsdimensie: resultante van eerdere dimensies. Morele waardering laag + laag
eco rendement +sociale weerbaarheid laag = zwakke rechtspositie.
‘Normaal’ is sociaal geconstrueerd – inclusie gaat om normverbreding
- Wij bepalen de norm – als groep als maatschappij
- Categorieën normaal/afwijkend en dus ook stereotypen zijn niet scherp afgebakend
en niemand is 100% normaal
- Maken het leven gemakkelijker
- Veranderen over tijd
- Normen en stereotypen maken onderdeel uit van verschillende discoursen. Hoe zijn
echte mannen en vrouwen (een goede moeder blijft veel bij haar kind, meer dan de
vader. Mannen huilen niet..)
, Ward: Discours en uitsluiting daarin beïnvloedt Identiteit en Sociale positie
- Je wordt ook wie je mag zijn en niet alleen wie je wilt zijn: toegeschreven identiteit
en zelfidentiteit
o Identiteit en intersectionaliteit
Hogere machtspositie (status) op een deelidentiteit verzacht stigma
Stapeling van minderheidsposities verdubbelt stigma
Welke privileges iemand wel of niet heeft
Intersectioneel denken (Crenshaw in tekst van Ella)
- Intersectionaliteit is een analytisch kader om te begrijpen hoe gecombineerde
aspecten van sociale en politieke identiteit tot een geaccumuleerde (‘opgestapelde’)
uitsluiting
- Te vaak kleurenblindheid of genderblindheid – het begin, maar er zijn veel met
categorieën waardoor mensen gestigmatiseerd worden, kijk dus altijd breed naar
uitsluiting.
Intersectionaliteitsbenadering
1. Iedereen bestaat uit een vereniging van
meerdere deel-identiteiten
2. Voorbeelden:
- Zwarte vrouwen
- Vrouwen met ADHD
- Zwarte man met lichamelijke
beperking
Intersectionaliteit & Discours
Ook waar:
- Dominante categorieën per tijdsperk (moslims nu, Christenen toen)
- Er zit rangorde in de categorieën/deelidentiteiten ligt o.a. aan zichtbaarheid,
aantallen
Niet mogen, kunnen, willen meedoen
Willen meedoen: optelsom bij mogen en kunnen meedoen.
A. SCP (2004): dimensies van sociale uitsluiting:
Sociaal-culturele uitsluiting
1. onvoldoende participatie aan (in)formele netwerken, sociaal isolement en
onvoldoende sociale betrokkenheid.
2. onvoldoende naleving van centrale waarden en normen in de samenleving.
Structureel-Economische uitsluiting [armoede]
1. Materiele deprivatie: ontbreken van bepaalde duurzame goederen (b.v.
wasmachine) of het zich niet kunnen veroorloven van elementaire zaken (b.v.
warme maaltijd)
2. Sociale grondrechten: recht op of toegang tot op medische zorg, huisvesting
en onderwijs.
B. Ward: cultureel symbolische en materiele uitsluiting
Cultureel symbolische uitsluiting: normen sluiten iedereen uit die niet ‘normaal’ is.
Daarbij beklemtoont Ward de rol van structurele uitsluiting tov individuele
verantwoordelijkheid: de buitengeslotene participeren niet voldoende omdat de
structuur dit onmogelijk maakt. Economische uitsluiting is vaak een gevolg hiervan,
omvat dan de economische aspecten zoals ook hierboven bij SCP benoemd.
Sociale uitsluiting volgens Schuyt (3 dimensies)
- Er niet bij mogen horen; er niet bij kunnen horen; er niet (meer) bij willen horen
- Leidt tot ongemakkelijke gevoelens, zowel bij uitsluiters als de uitgeslotenen.
- “Zulke mensen zijn er, maar ze zijn niet opgenomen. Ze zijn geen vreemdelingen
meer, maar nog lang niet een der onzen, nog minder one of the boys.”
Mogen meedoen – opzettelijke discriminatie - outgroeps
- Bij niet mee mogen doen worden groepen opzettelijk gediscrimineerd of er buiten
gehouden. Ze worden op meer of minder subtiele wijze naar de marge van de
samenleving geschoven. Omdat hun normen- en waardenset afwijkt van de
dominante groep, de mate ervan wordt vaak verdreven door de dominante groep.
, - De geschiedenis zit vol van voorbeelden van opzettelijke discriminatie: joden,
katholieken, zwarte Afrikanen, Roma/Sinti, homoseksuelen.
- Bij niet mee mogen doen richten we ons op mensen die worden uitgesloten door
processen van stigmatisering, hierbij zijn de volgende concepten van belang:
o Vooroordelen: Negatieve gevoelens richting leden van een bepaalde
groepering, omdat ze tot die groepering behoren of worden getekend.
o Stereotypering: Negatieve ideeën over leden van een bepaalde groepering,
omdat ze tot die groepering behoren of worden gerekend.
o Discriminatie: Negatief gedrag tegenover leden van een bepaalde groepering,
omdat ze tot die groepering behoren of worden gerekend.
Kunnen meedoen – onvermogen, bv beperking of het onvermogen om een baan vast te
houden (ook eigen schuld dikke bult mechanisme)
- “Uitsluiting slaat ook op het “er niet bij kunnen horen”, bijvoorbeeld door handicaps,
gebreken of onvermogen om een goede, vaste baan te vinden of om een goede baan
vast te houden.
- Vanwege meritocratische opvattingen wordt dit proces vaak geïnterpreteerd als
“eigen schuld, dikke bult!”
- Over wie praten we dan? Werklozen, (ex)gedetineerden, soms zelfs mensen met een
fysieke of mentale beperking.
,Voorbeelden:
- Één op 12 jongeren kampt met psychische klachten.
- 8 procent van de 12- tot 25-jarigen kampt met psychische klachten. Dat blijkt uit de
Gezondheidsenquête van het CBS.
Willen meedoen – zelfuitsluiting na afkeuring door anderen
- “Is het geen wonder dat veel uitgeslotenen zelf besluiten om er niet meer bij te
willen horen?”
- Zelfuitsluiting/zelfstigmatisering is vaak een rechtstreeks gevolg van ervaringen van
afkeuring en eerder uitsluiting van de kant van ouders, schoolleiders, politie en
andere gezagdragers.
- Zelfstigma onder meer door internalisering van publiek stigma.
Sociale uitsluiting is een cumulatie van bovenstaande.
Sociale uitsluiting bevat 4 dimensies.
- Morele dimensie: een dominant idee gevormd door de machthebbende groep die
bepalingsmacht heeft.
- Economische dimensie: rendement: wat lever je op? Of wat kost je voor de
samenleving? Vaak samen met morele dimensie: “ze” zijn lui, achterlijk, etc.
Verschillende uitgesloten groepen slagen er niet allemaal even goed in om op te
komen voor hun rechten, posities en behandeling. Mensen met een beperking bijv.
Beter dan mensen met een detentieverleden.
- Sociale dimensie: de mate van sociale weerbaarheid, op individueel niveau, maar
ook op collectief niveau.
- Rechtsdimensie: resultante van eerdere dimensies. Morele waardering laag + laag
eco rendement +sociale weerbaarheid laag = zwakke rechtspositie.
‘Normaal’ is sociaal geconstrueerd – inclusie gaat om normverbreding
- Wij bepalen de norm – als groep als maatschappij
- Categorieën normaal/afwijkend en dus ook stereotypen zijn niet scherp afgebakend
en niemand is 100% normaal
- Maken het leven gemakkelijker
- Veranderen over tijd
- Normen en stereotypen maken onderdeel uit van verschillende discoursen. Hoe zijn
echte mannen en vrouwen (een goede moeder blijft veel bij haar kind, meer dan de
vader. Mannen huilen niet..)
, Ward: Discours en uitsluiting daarin beïnvloedt Identiteit en Sociale positie
- Je wordt ook wie je mag zijn en niet alleen wie je wilt zijn: toegeschreven identiteit
en zelfidentiteit
o Identiteit en intersectionaliteit
Hogere machtspositie (status) op een deelidentiteit verzacht stigma
Stapeling van minderheidsposities verdubbelt stigma
Welke privileges iemand wel of niet heeft
Intersectioneel denken (Crenshaw in tekst van Ella)
- Intersectionaliteit is een analytisch kader om te begrijpen hoe gecombineerde
aspecten van sociale en politieke identiteit tot een geaccumuleerde (‘opgestapelde’)
uitsluiting
- Te vaak kleurenblindheid of genderblindheid – het begin, maar er zijn veel met
categorieën waardoor mensen gestigmatiseerd worden, kijk dus altijd breed naar
uitsluiting.
Intersectionaliteitsbenadering
1. Iedereen bestaat uit een vereniging van
meerdere deel-identiteiten
2. Voorbeelden:
- Zwarte vrouwen
- Vrouwen met ADHD
- Zwarte man met lichamelijke
beperking
Intersectionaliteit & Discours
Ook waar:
- Dominante categorieën per tijdsperk (moslims nu, Christenen toen)
- Er zit rangorde in de categorieën/deelidentiteiten ligt o.a. aan zichtbaarheid,
aantallen