Hoofdstuk 1. Wat is psychologie?
1.1 Een definitie van psychologie
Psychologie = wetenschap die gedrag bestudeert om de interne processen te begrijpen
die aan dat gedrag ten grondslag liggen.
1.2 Voor-ontwikkelingen
Plato en Aristoteles waren de eersten die schreven over het functioneren van de mens.
Na de val van het Romeinse Rijk paste de kerk deze geschriften aan aan de kerkelijke
leer. Tijdens de 16e-17e eeuw groeide de kennisvergaring.
Newton, Galilei en Copernicus zijn belangrijke namen.
Het inzicht dat niet de aarde, maar de zon het middelpunt van het heelal is, wordt de
copernicaanse revolutie genoemd.
Hermann von Helmholz (1821-1894):
Zeer veelzijdig wetenschapper die belangrijke inzichten leverde op het gezicht van zien
en horen (en wiskunde/natuurkunde).
Hij mat als eerste de snelheid van zenuwimpulsen in zenuwvezels in kikkerpoten.
Fransiscus Donders (1868) (Tilburgse oogarts):
Breidde het onderzoek van Helmholz uit naar de mens. Hij mat mentale chronometrie,
de psychologische processen van informatieverwerking. Mat de tijd van mentale
processen om de structuur van de geest te begrijpen.
Hij onderzocht hoelang het duurt om het verschil te horen en te begrijpen tussen
verschillende klanken. “Ki, ka, ku, ke”.
Er waren drie condities:
A) Ppn hoort alleen “Ki” en herhaalt “Ki” z.s.m. = 197 ms
A-reactie (geen discriminatie, geen keuze)
B) Ppn hoort “Ka, ke, ki, ko, ku” door elkaar en herhaalt dit = 285 ms
B-reactie (discriminatie, keuze)
C) Ppn hoort “Ka, ke, ki, ko, ku” door elkaar maar herhaalt alleen “ki” = 243 ms
C-reactie (discriminatie, geen keuze)
→ Discriminatie van klanken =C-A = 243 – 197 = 46 ms
→ Keuze voor articulatie van spraak =B–C = 285 – 243 = 42 ms
Deze additieve factoren logica wordt nog steeds in fMRI onderzoek (kijkt naar zuurstof
in het brein) gebruikt waar breinactiviteit tijdens een experimentele taak (kijken naar
gezichten) wordt afgetrokken van een controletaak (kijken naar huizen).
(Als je twee uitkomsten die voortkomen uit dezelfde omstandigheden, behalve 1
omstandigheid, van elkaar aftrekt, heb je je resultaat)
,Ook de evolutietheorie van Darwin (1859) was belangrijk bij het ontstaan van de
psychologie.
Volgens deze theorie passen wezens zich aan aan de omgeving = survival of the fittests
Met ‘fittests’ wordt niet bedoeld de krachtigste, maar degene die het beste “fit” in de
omgeving.
→ Dit maakte het mogelijk om menselijk gedrag te bestuderen d.m.v. dierengedrag.
Mensen zijn namelijk uit dieren geëvolueerd.
De onderzoeken op dieren bleken later toepasbaar op mensen, dus dit onderzoek was
belangrijk voor o.a. de gezondheid.
1.3 Ontstaan van de psychologie
Wilhelm Wundt is bekend als grondlegger van de psychologie. Hij ging zich richten op
een wetenschap die nog niet bestond.
Hij opende het eerste laboratorium voor experimentele psychologie universiteit Leipzig,
Duitsland en staat zo aan basis van wetenschappelijke psychologie.
Hij was geïnteresseerd in het structuralisme, een stroming die op basis van
introspectie (kijken naar bewustzijn van binnenuit) de structuur van het bewustzijn
probeerde te ontdekken.
Hierbij wordt de psychologie gezien als een wetenschap van de “onmiddellijke
ervaring”. Deze onmiddellijke ervaring hangt af van:
- Sensaties
- Mentale beelden/ herinneringen
- Gevoelens
Op basis van introspectie kan de structuur en de elementen van het bewustzijn
ontdekt worden. Deze methode bleek echter zeer onbetrouwbaar te zijn, omdat
iedereen dingen ervaart op een andere manier en dus ook anders antwoordt.
Alfred Binet en Théodore Simon kwamen met de eerste bruikbare IQ-test (de vader van
de toegepaste psychologie).
In Amerika is psychologie veel pragmatischer. William James (1842-1910):
functionalisme: psychologie diende om onderwijs te optimaliseren, gevaarlijke
afwijkingen opsporen en behandelen, bevorderen van industriële productie.
Hierdoor schreef John Watson een pamflet en ontstond het behaviorisme.
Behavioristen stelden voor om enkel observeerbaar gedrag te bestuderen om
psychologie wetenschappelijker te maken (Hoofdstuk 6)
Sigmund Freud (1856-1939) (meest geciteerde psycholoog)
Psychoanalyse is een theorie die zegt dat het bewustzijn en gedrag slechts
oppervlakkige fenomenen zijn, onbewuste krachten (seks en agressie) zijn de
oorsprong van ons gedrag, en verantwoordelijk voor persoonlijkheidsverschillen en
mentale stoornissen.
De Gestaltpsychologie van Wertheimer, Kohler en Koffka was tegen Wundt’s
structuralisme (want perceptie is meer dan sensatie) en tegen behaviorisme (want
complex gedrag is meer dan de som der componenten).
,Kerngedachte: Het geheel is meer dan de som der delen.
Ze gebruikten het fenomeen van de apparente beweging als bewijs van hun stelling:
Twee lampjes die op de juiste timing/afstand oplichten lijken te bewegen als 1 lampje
dat beweegt als hoog-laag of links-rechts. De manier waarop je dit waarneemt kun je
beïnvloeden met de wil.
Perceptie is een constructie, en geen passieve reflectie van de sensatie.
Ook in het auditieve domein is sprake van constructie: Je kunt ‘hoog-laag-hoog’ tonen
waarnemen als gallop of als een hoge/lage stroom.
1.4 Onderzoeksmethoden in de psychologie
Een theorie is een samenhangend geheel van ideeën. Alvorens een onderzoek uit te
voeren zal de onderzoeker een literatuurstudie doen, het verzamelen van literatuur over
een bepaald onderwerp.
Verschillende onderzoekstechnieken:
A. Beschrijvend onderzoek (descriptief)
Correcte informatie verzamelen over een onderwerp.
a. Naturalistische observatie: gedrag systematisch observeren in
natuurlijke context.
1. Voordeel: van groot belang voor evidence-based onderzoek (in
tegenstelling tot overtuigingsbased).
2. Nadeel: reactieve gedragingen, dit betekent dat de
onderzoeker invloed heeft op het geobserveerde gedrag.
b. Vragenlijst: reeks vragen die de ondervraagde in eigen tempo
beantwoordt.
1. Nadeel: sociale wenselijkheid, perceptie van de proefpersoon
speelt een grote rol.
c. Interview
▪ Gestructureerd interview = vaste lijst vragen
▪ Ongestructureerd interview = vragen staan niet van tevoren vast,
maar reactie op antwoorden.
1. Nadelen: geen zekerheid + perceptie (resultaat is niet
noodzakelijk in de werkelijkheid) + sociale wenselijkheid
d. Opiniepeilingen: inventaris van meningen van een representatieve
groep van de bevolking, op basis waarvan men conclusies trekt voor de
hele populatie.
1. Nadeel: representatieve groep vinden is moeilijk.
, e. Gestandaardiseerde psychologische test: test die speciaal is
ontworpen om bepaalde menselijke vaardigheden en eigenschappen
te meten (IQ-test, persoonlijkheidsvragenlijst, etc.)
f. Archiefdata: Onderzoeker verzamelt data niet zelf, maar data zijn al
aanwezig in een of ander bestand.
g. Gevalsstudie: intensief, gedetailleerd onderzoek over één persoon of
gebeurtenis (in de hoop principes te vinden die gelden voor het
fenomeen in het algemeen).
h. Kwalitatief onderzoek: geen getalsmatige/tabellen samenvatting.
Bv. Gesprek met client volledig uitschrijven en later onderverdelen in
thema’s. Zo volledig beeld krijgen van de onderwerpen en onderlinge
relaties.
B. Correlatie onderzoek
Beschrijven van verbanden tussen gegevens van een onderzoek.
Bij correlatieonderzoek meet je de mate waarin twee variabelen met elkaar
samenhangen. In hoeverre gaan wijzingen in ene variabele gepaard met
wijzigingen in andere variabele.
Een variabele is elk kenmerk wat kan veranderen en gemeten kan worden.
De correlatie is de mate waarin twee variabelen met elkaar samenhangen. Dit
wordt uitgedrukt in de correlatiecoëfficiënt: getal tussen de -1 en +1 welke de
richting en mate van het verband aangeeft. Hoe verder van de 0, hoe sterker het
verband.
o Positief verband (0,09 – 1) Bv. Lengte en gewicht
o Negatief verband (-1 - -0,09) Bv. Aantal sigaretten en leeftijd
o Nulcorrelatie (0) Bv. Lengte van eeneiige tweelingen
Probleem met correlatieonderzoek:
Oorzaak-gevolg niet te onderscheiden.
Voorbeelden: Onderliggende factor:
- Verkoop ijs aan zee & mensen die verdrinken Temperatuur
- Gewicht vrouw & loon Leeftijd
- Aantal kerken in stad & aantal zelfmoorden Aantal inwoners
Mogelijk 3 onderliggende factor (confound)
e
Een correlatie is tussen ieder paar van willekeurige variabelen te meten. Een hoge
correlatie zegt echter niets over causaliteit tussen de variabelen.
C. Experimenteel onderzoek
Onderzoekers manipuleren één of meerdere variabelen en kijken of dit effect
heeft op een andere variabele (al het andere blijft gelijk).
Deze methode laat het wel toe om een causaal verband te ontdekken.
1. De onderzoeker stelt een hypothese op, een voorspelling op basis van een
theorie die in een proef getoetst wordt.
2. Dan wordt er geëxperimenteerd. Er is een onafhankelijke variabele, de
variabele die gemanipuleerd wordt (bv. Wel/niet-gewelddadige film). De
afhankelijke variabele, dat is de variabele die gemeten is en afhankelijk van
de onafhankelijke variabele (bv. Mate van agressief gedrag). De
controlevariabelen zijn de variabelen die constant worden gehouden. En er
zijn persoonsvariabelen, de manier waarop groepen worden samengesteld.