Hoorcollege 1 – Introductie + Methoden
Leerdoel 1: Wat is ontwikkelingspsychologie?
Ontwikkeling = systematische veranderingen en continuïteiten in het individu die optreden
tussen de conceptie en de dood, of van ‘baarmoeder tot graf’.
Ze vallen in drie brede domeinen:
1. Fysieke ontwikkeling: de groei van het lichaam.
2. Cognitieve ontwikkeling: veranderingen in mentale processen
3. Psychosociale ontwikkeling: veranderingen in persoonlijke en interpersoonlijke
aspecten.
Biologische veroudering is de achteruitgang van organismen (inclusief de mens) die
onvermijdelijk tot hun dood leidt.
Biologische ontwikkeling omvat groei in het vroege leven, stabiliteit in de vroege en middelbare
volwassenheid en achteruitgang die gepaard gaat met geaccumuleerde effecten van
veroudering in het latere leven.
Moderne ontwikkelingswetenschappers zijn zich gaan beseffen dat ontwikkelingsverandering op
elke leeftijd zowel winst als verlies met zich meebrengt.
Kenmerken van de smalle visie op ontwikkeling:
• Sequentieel → ontwikkeling wordt gezien als een reeks van opeenvolgende stadia of
fases. Je moet elke fase afronden voordat je naar de volgende kunt gaan. Het is alsof je
een ladder beklimt waarbij elke trede een nieuwe fase vertegenwoordigd.
• Uni directioneel → veranderingen verlopen in 1 richting: van eenvoudig naar complex.
Eerdere veranderingen of stadia zijn noodzakelijk voor de volgende. Het idee is dat je niet
terug kunt gaan naar een eerdere fase.
• End state (eindstaat) → de ontwikkeling heeft een einddoel of eindstaat, die wordt
gezien als een hoger of meer ontwikkeld niveau van de oorspronkelijke staat.
• Onomkeerbaarheid → ontwikkeling wordt gezien als een proces dat niet omkeerbaar is.
Eenmaal een bepaald stadium of niveau bereikt, kun je niet terugkeren naar een eerder
stadium.
• Kwalitatief → de veranderingen in ontwikkeling worden gezien als kwalitatieve
veranderingen, wat betekent dat er structurele transformaties plaatsvinden. Dit zijn niet
alleen kwantitatieve veranderingen (zoals groei in lengte), maar ook fundamentele
veranderingen in de structuur of aard van het individu.
• Biologische groei → deze visie ziet ontwikkeling als grotendeels biologisch gedreven en
onafhankelijk van culturele invloeden. De nadruk ligt op natuurlijke biologische
processen die iedereen op dezelfde manier beïnvloeden.
• Universeel → er wordt aangenomen dat deze ontwikkelingsstadia universeel zijn en
voor iedereen hetzelfde, ongeacht cultuur, omgeving of individuele verschillen.
➢ Bijvoorbeeld taalontwikkeling:
, o Een kind moet eerst brabbelen voordat het woorden kan vormen en moet
woorden vormen voordat het zinnen kan maken (sequentieel). Een kind kan niet
direct van brabbelen naar volledige zinnen gaan zonder eerst afzonderlijke
woorden te leren (uni directioneel). De eindstaat van taalontwikkeling is het
beheerden van de moedertaal op volwassen niveau (end state). Een kind dat
eenmaal volledige zinnen kan maken, zal niet terugvallen naar alleen brabbelen
(onomkeerbaar). Elk stadium in de taalontwikkeling vertegenwoordigt een
kwalitatief andere manier van communicatie (kwalitatief). De taalontwikkeling
wordt gezien als iets dat voornamelijk door biologische rijping wordt gestuurd,
onafhankelijk van de culturele context (biologische groei). Deze stadia van
taalontwikkeling worden verondersteld hetzelfde te zijn voor alle kinderen,
ongeacht waar ze opgroeien (universeel).
De smalle visie op ontwikkeling is tegenwoordig niet meer gebruikelijk.
→ Deze visie legt te veel nadruk op een rigide, uniforme volgorde van stadia, negeert culturele
en individuele variaties, en beschouwt ontwikkeling als een lineair proces dat eindigt bij de
volwassenheid.
Moderne benaderingen zijn dynamischer en houden rekening met de complexiteit van
menselijke groei en ontwikkeling.
Kenmerken van de brede visie op ontwikkeling:
• Niet fase gebonden → ontwikkeling verloopt niet strikt in vaste stadia.
• Geen eindstaat → er is geen eindpunt dat als superieur wordt beschouwd.
• Kwalitatief en kwantitatief → er vindt ontwikkeling plaats in zowel kwaliteit als
kwantiteit.
• Individuele verschillen → iedereen ontwikkelt op een eigen unieke manier, beïnvloedt
door zowel persoonlijke aanleg als de omgeving.
• Culturele en biologische invloeden → ontwikkeling wordt beïnvloed door genetische
predisposities en de omgeving.
• Plastisch → de capaciteit tot verandering in reactie op ervaring, zowel positief als
negatief.
➢ Bijvoorbeeld taalontwikkeling:
o Kinderen kunnen op verschillende momenten en manieren woorden leren en
zinsstructuren begrijpen (niet fase gebonden). Taalvaardigheden kunnen
levenslang verbeteren en veranderen (geen eindstaat). Kinderen leren zowel
meer woorden als meer complexe manieren om woorden te combineren
(kwantitatief en kwalitatief). Elk kind ontwikkelt taalvaardigheden op zijn eigen
unieke manier (individuele verschillen). Taalontwikkeling wordt beïnvloed door
interactie van genetische predisposities en de taalomgeving van het kind
(culturele en biologische invloeden). Taalontwikkeling kan positief worden
beïnvloed door interactief voorlezen, maar negatief door gebrek aan
taalstimulatie (plastisch).
De brede visie op ontwikkeling biedt een flexibelere en meer gedifferentieerd begrip van hoe
mensen groeien en veranderen.
,→ Het erkent de rol van zowel biologische als culturele factoren, en ziet ontwikkeling als een
proces dat kneedbaar is, in plaats van vast en lineair.
Deze visie past beter bij de variëteit en complexiteit van menselijke ontwikkeling, en biedt
ruimte voor interventies en aanpassingen die positieve veranderingen kunnen bevorderen.
Twee manieren om ontwikkeling te onderzoeken:
1. Intrapersoonlijk = binnen personen
2. Interpersoonlijk = tussen personen
Ontwikkelingspsychologie = de veranderingen binnen personen gedurende de levensloop, en
de verschillen en overeenkomsten tussen personen met betrekking tot de aard van de
veranderingen.
Het doel is niet alleen om deze intrapersoonlijke veranderingen en interperoonlijke verschillen
te beschrijven, maar ook om te verklaren waarom ze plaatsvinden en om te zoeken naar
manieren om ze zo optimaal mogelijk te veranderen.
Leerdoel 2: Wat ontwikkelt wanneer, hoe en waarom?
Ontwikkelingspsychologie focust zich op normatieve ontwikkeling en individuele verschillen.
• Wat is de normatieve ontwikkeling?
• Welke afwijkingen van de norm zijn waarschijnlijk?
• Hoe kunnen deze afwijken en verklaard worden?
• Wat betekenen ze voor de toekomst? Zijn ze stabiel? Veranderen ze?
• Hoe kan de toekomstige ontwikkeling op een gunstige manier beïnvloed worden?
• Hoe kunnen mensen beter bestand worden tegen negatieve invloeden van anderen?
• Hoe kunnen we de kans vergroten dat mensen kunnen omgaan met negatieve
gebeurtenissen?
Het nature-nurture debat is een van de grootste problemen in de studie van menselijke
ontwikkeling.
- Nature legt de nadruk op de invloed van erfelijkheid, universele rijpingsprocessen geleid
door de genen en biologisch gebaseerde of aangeboren predisposities geproduceerd
door evolutie.
- Nurture legt de nadruk op verandering als reactie op de omgeving – alle externe fysieke
en sociale omstandigheden, prikkels en gebeurtenissen die ons kunnen beïnvloeden.
Zowel nature als nurture zijn belangrijk bij ontwikkeling.
De “wanneer” in ontwikkelingspsychologie
Wat ontwikkelt wanneer?
• Bij het bestuderen van de normatieve ontwikkeling, linken we belangrijke veranderingen
in de ontwikkeling aan bepaalde leeftijden.
• Classificatie van leeftijdsperioden:
o Prenatale periode: voor de geboorde
o Zuigelingenperiode: de babytijd
o Preschool: de peuter/kleuter tijd
o Middelschool: de lagere schoolleeftijd
, o Adolescentie
o Emerging adulthood/jongvolwassenheid: overgangsperiode tussen
adolescentie en volwassenheid
o Vroege volwassenheid
o Midden volwassenheid: middelbare leeftijd
o Late volwassenheid: oude leeftijd, twee fases:
▪ Jong oud: 60-80 jaar (relatief gezond en actief)
▪ Oud oud: 80-100 jaar (toegenomen risico voor fysieke en cognitieve
problemen)
→ Zeer grote verschillen tussen individuen!
• Belangrijk: biologische leeftijd is nooit verantwoordelijk voor veranderingen, en verklaart
veranderingen daarom ook niet.
o Veranderingen kunnen alleen correleren met leeftijd.
▪ Veranderingen die correleren met leeftijd worden vaak aangeduid als
“vehicle” of change, wat betekent dat leeftijd de drager of het
vervoermiddel is waarmee deze veranderingen plaatsvinden. Dit concept
erkent dat hoewel veel ontwikkelingsveranderingen samenhangen met
het ouder worden, leeftijd zelf niet de directe oorzaak is, maar eerder een
indicatie van de tijd waarin verschillende ervaringen en biologische
processen plaatsvinden.
• Tijdschaal van ontwikkeling
o Variabiliteit (= korte termijn veranderingen die min of meer omkeerbaar zijn) vs.
Verandering (= min of meer blijvend)
o Variabiliteit van verandering voorspellen
• Je kan leeftijd op een continue manier meten of vergelijken tussen groepen.
• We kunnen kijken naar individuen van verschillende leeftijden op hetzelfde moment
(cross-sectionele designs), of dezelfde individuen op verschillende tijdsmomenten
(longitudinale designs).
De wetenschappelijke methode = een overtuiging dat de validiteit van wetenschappelijke
bevindingen gebaseerd moet zijn op empirisch bewijs (systematische observaties en
experimenten), in plaats van vooropgezette ideeën of overtuigingen.