Leren kennistoets 1001 dagen
Leerdoelen kennislijn + oefentoetsen:
Je weet wat er van je verwacht wordt voor, tijdens en na de hoorcolleges
van de kennislijn.
Je kunt omschrijven wat het begrip pedagogiek inhoudt.
Je weet wat een pedagogische manier van kijken is bij de opvoeding van
het kind in de samenleving.
Je hebt kennis van de belangrijkste begrippen uit het opvoedproces en de
vier basisdimensies.
Je begrijpt hoe socialisatie en opvoeden zich tot elkaar verhouden.
Je kent en hebt inzicht in het levensloopmodel (Ricksen-Walraven).
Je weet hoe ontwikkeltaken en opvoedingsopgaven zich tot elkaar
verhouden.
Je hebt kennis van de pedagogische opvoedingsdoelen.
Je hebt kennis van de Jeugdwet en de Wet maatschappelijke
ondersteuning (WMO).
Je bent bekend met de veranderende rol van ouders in de jeugdzorg.
Je hebt kennis van de opvoedondersteuning vroeger en nu.
Je begrijpt waarom opvoeden ook een maatschappelijke
verantwoordelijkheid is.
Je hebt zicht op ouderschapsontwikkeling.
Je kent de verschillende beeldvormingen en verwachtingen m.b.t.
ouderschap.
Je kent een aantal manieren waarop je als pedagoog ondersteuning kan
bieden aan het ouderschap.
Je weet wat spel is en je kent de verschillende fases.
Je hebt inzicht in het belang van spel m.b.t. de opvoeding.
Je kent enkele spelgerelateerde interventieprogramma’s.
Je weet wat mediaopvoeding is.
Je weet hoe mediaontwikkeling verloopt bij jonge kinderen
Je hebt inzicht in de mediadiamant.
Je weet welke strategieën er zijn bij mediaopvoeding is.
,Je weet wat de rol van de opvoeder én van jou als professional is ten
aanzien van mediaopvoeding.
Je hebt inzicht in groepsdynamische processen.
Je weet wat socialisatie is.
Je begrijpt hoe socialisatie en opvoeden zich tot elkaar verhouden.
Je weet het doel en belang van het gebruik van modellen binnen het
pedagogisch werkveld.
Je hebt inzicht in verschillende modellen (o.a. het model van Belsky,
Kousemaker en het balansmodel) en kunt deze toepassen.
Je hebt inzicht in het ecologisch model (Bronfenbrenner).
Je kent de verschillende stromingen in de pedagogiek.
Je begrijpt hoe de geschiedenis van de pedagogiek invloed heeft op het
hedendaags pedagogisch handelen van ouders.
Je hebt kennis van het begrip alliantie.
Je weet hoe alliantie toegepast wordt bij het werken met gezinnen.
Je weet wat empowerment is.
Je weet wat een systeem is.
Je weet wat het belang is van het kijken naar het systeem rondom het
jonge kind.
Je kent enkele basisbegrippen ten aanzien van systeemgericht werken.
Je begrijpt het belang van preventie binnen het pedagogisch werkveld.
Je bent bekend met het belang van preventieprogramma’s.
Je weet wat Gender is en genderverschillen en genderrollen in de
maatschappij bepaald worden.
Je weet hoe gender en vriendschap zich tot elkaar verhouden.
Je hebt zicht op de opvoeding en de seksuele ontwikkeling van het jonge
kind.
Je weet wat methodisch werken is.
Je kunt analyseren aan de hand van het balansmodel.
Oefentoets + antwoorden
Vragen
, 1. Wat wordt bedoeld met pedagogiek?
A. De wetenschap die zich bezighoudt met opvoeding, ontwikkeling en
begeleiding van kinderen.
B. De leer van economie en maatschappij.
C. De studie van wiskunde en taal.
D. De studie van lichamelijke training.
2. Wat hoort bij een pedagogische manier van kijken?
A. Alleen kijken naar genetische aanleg.
B. Gedrag bekijken in samenhang met ontwikkeling, opvoeding en context.
C. Kinderen los zien van hun omgeving.
D. Alleen letten op fouten van kinderen.
3. Wat zijn belangrijke begrippen uit het opvoedproces?
A. Alleen regels en afspraken.
B. Opvoeder, kind, relatie, doelen en omgeving.
C. Controle, straf en beloning.
D. Alleen emotie en vrijheid.
4. Wat zijn de vier basisdimensies in de opvoeding?
A. Warmte, structuur, autonomie en ondersteuning.
B. Liefde, aandacht, discipline en school.
C. Spel, leren, slapen en eten.
D. Thuis, school, sport en media.
5. Wat betekent socialisatie?
A. Het proces waarbij kinderen normen, waarden en gedragingen van de
samenleving leren.
B. Het ontwikkelen van motoriek.
C. Het aanleren van alleen taalvaardigheden.
D. Het aanpassen aan één vriendengroep.
6. Hoe verhouden socialisatie en opvoeden zich tot elkaar?
A. Opvoeden is een vorm van socialisatie.
B. Ze staan volledig los van elkaar.
C. Socialisatie gebeurt alleen op school.
D. Opvoeden stopt zodra socialisatie begint.
7. Wat is het levensloopmodel van Riksen-Walraven vooral?
A. Een model over sportontwikkeling.
B. Een model dat laat zien welke ontwikkelingsopgaven in verschillende
levensfasen centraal staan.
C. Een model over mediagebruik.
D. Een model over schoolprestaties.
8. Hoe verhouden ontwikkeltaken en opvoedingsopgaven zich?
A. Ontwikkeltaken horen bij het kind, opvoedingsopgaven bij de
ouder/opvoeder.
B. Ze betekenen precies hetzelfde.
Leerdoelen kennislijn + oefentoetsen:
Je weet wat er van je verwacht wordt voor, tijdens en na de hoorcolleges
van de kennislijn.
Je kunt omschrijven wat het begrip pedagogiek inhoudt.
Je weet wat een pedagogische manier van kijken is bij de opvoeding van
het kind in de samenleving.
Je hebt kennis van de belangrijkste begrippen uit het opvoedproces en de
vier basisdimensies.
Je begrijpt hoe socialisatie en opvoeden zich tot elkaar verhouden.
Je kent en hebt inzicht in het levensloopmodel (Ricksen-Walraven).
Je weet hoe ontwikkeltaken en opvoedingsopgaven zich tot elkaar
verhouden.
Je hebt kennis van de pedagogische opvoedingsdoelen.
Je hebt kennis van de Jeugdwet en de Wet maatschappelijke
ondersteuning (WMO).
Je bent bekend met de veranderende rol van ouders in de jeugdzorg.
Je hebt kennis van de opvoedondersteuning vroeger en nu.
Je begrijpt waarom opvoeden ook een maatschappelijke
verantwoordelijkheid is.
Je hebt zicht op ouderschapsontwikkeling.
Je kent de verschillende beeldvormingen en verwachtingen m.b.t.
ouderschap.
Je kent een aantal manieren waarop je als pedagoog ondersteuning kan
bieden aan het ouderschap.
Je weet wat spel is en je kent de verschillende fases.
Je hebt inzicht in het belang van spel m.b.t. de opvoeding.
Je kent enkele spelgerelateerde interventieprogramma’s.
Je weet wat mediaopvoeding is.
Je weet hoe mediaontwikkeling verloopt bij jonge kinderen
Je hebt inzicht in de mediadiamant.
Je weet welke strategieën er zijn bij mediaopvoeding is.
,Je weet wat de rol van de opvoeder én van jou als professional is ten
aanzien van mediaopvoeding.
Je hebt inzicht in groepsdynamische processen.
Je weet wat socialisatie is.
Je begrijpt hoe socialisatie en opvoeden zich tot elkaar verhouden.
Je weet het doel en belang van het gebruik van modellen binnen het
pedagogisch werkveld.
Je hebt inzicht in verschillende modellen (o.a. het model van Belsky,
Kousemaker en het balansmodel) en kunt deze toepassen.
Je hebt inzicht in het ecologisch model (Bronfenbrenner).
Je kent de verschillende stromingen in de pedagogiek.
Je begrijpt hoe de geschiedenis van de pedagogiek invloed heeft op het
hedendaags pedagogisch handelen van ouders.
Je hebt kennis van het begrip alliantie.
Je weet hoe alliantie toegepast wordt bij het werken met gezinnen.
Je weet wat empowerment is.
Je weet wat een systeem is.
Je weet wat het belang is van het kijken naar het systeem rondom het
jonge kind.
Je kent enkele basisbegrippen ten aanzien van systeemgericht werken.
Je begrijpt het belang van preventie binnen het pedagogisch werkveld.
Je bent bekend met het belang van preventieprogramma’s.
Je weet wat Gender is en genderverschillen en genderrollen in de
maatschappij bepaald worden.
Je weet hoe gender en vriendschap zich tot elkaar verhouden.
Je hebt zicht op de opvoeding en de seksuele ontwikkeling van het jonge
kind.
Je weet wat methodisch werken is.
Je kunt analyseren aan de hand van het balansmodel.
Oefentoets + antwoorden
Vragen
, 1. Wat wordt bedoeld met pedagogiek?
A. De wetenschap die zich bezighoudt met opvoeding, ontwikkeling en
begeleiding van kinderen.
B. De leer van economie en maatschappij.
C. De studie van wiskunde en taal.
D. De studie van lichamelijke training.
2. Wat hoort bij een pedagogische manier van kijken?
A. Alleen kijken naar genetische aanleg.
B. Gedrag bekijken in samenhang met ontwikkeling, opvoeding en context.
C. Kinderen los zien van hun omgeving.
D. Alleen letten op fouten van kinderen.
3. Wat zijn belangrijke begrippen uit het opvoedproces?
A. Alleen regels en afspraken.
B. Opvoeder, kind, relatie, doelen en omgeving.
C. Controle, straf en beloning.
D. Alleen emotie en vrijheid.
4. Wat zijn de vier basisdimensies in de opvoeding?
A. Warmte, structuur, autonomie en ondersteuning.
B. Liefde, aandacht, discipline en school.
C. Spel, leren, slapen en eten.
D. Thuis, school, sport en media.
5. Wat betekent socialisatie?
A. Het proces waarbij kinderen normen, waarden en gedragingen van de
samenleving leren.
B. Het ontwikkelen van motoriek.
C. Het aanleren van alleen taalvaardigheden.
D. Het aanpassen aan één vriendengroep.
6. Hoe verhouden socialisatie en opvoeden zich tot elkaar?
A. Opvoeden is een vorm van socialisatie.
B. Ze staan volledig los van elkaar.
C. Socialisatie gebeurt alleen op school.
D. Opvoeden stopt zodra socialisatie begint.
7. Wat is het levensloopmodel van Riksen-Walraven vooral?
A. Een model over sportontwikkeling.
B. Een model dat laat zien welke ontwikkelingsopgaven in verschillende
levensfasen centraal staan.
C. Een model over mediagebruik.
D. Een model over schoolprestaties.
8. Hoe verhouden ontwikkeltaken en opvoedingsopgaven zich?
A. Ontwikkeltaken horen bij het kind, opvoedingsopgaven bij de
ouder/opvoeder.
B. Ze betekenen precies hetzelfde.