Vraag 1 – DeAngelo (theorie)
DeAngelo (1981) stelt dat auditkwaliteit afhankelijk is van de kans op detectie en rapportage.
Gevraagd:
a. Leg uit wat DeAngelo verstaat onder auditkwaliteit.
b. Analyseer hoe onafhankelijkheid en economische afhankelijkheid elkaar beïnvloeden
binnen deze definitie.
Vraag 2 – Simunic (toepassing)
Een onderneming overweegt over te stappen naar een kleinere accountant met lagere fees.
Gevraagd:
Analyseer met behulp van Simunic (1980):
● hoe een lagere audit fee de totale kosten van het financial reporting process
beïnvloedt
● en wat het effect is op residual losses
Vraag 3 – VGBA & onafhankelijkheid
Gevraagd:
Analyseer het verschil tussen:
● onafhankelijkheid (ViO)
● objectiviteit (VGBA)
Betrek in je antwoord:
● werkingsgebied
● praktische toepassing
● risico’s bij schending
Vraag 4 – Fraudedriehoek
Een CFO staat onder druk om winstdoelen te halen en heeft volledige toegang tot het
systeem.
, Gevraagd:
Pas de fraudedriehoek toe en:
● identificeer de 3 elementen
● analyseer waarom het frauderisico hoog is
Vraag 5 – Casus Internal Control (Asare)
Een organisatie heeft:
● sterke IT-systemen
● maar een dominante CEO die controles kan overrulen
Gevraagd:
a. Analyseer hoe de auditor ICFR moet beoordelen volgens Asare
b. Leg uit hoe dit de auditstrategie beïnvloedt
Vraag 6 – Audit Evidence
Een auditor baseert zijn oordeel voornamelijk op interne documenten van de cliënt.
Gevraagd:
Analyseer:
● waarom dit problematisch is
● welke alternatieve vormen van bewijs sterker zijn
● hoe dit samenhangt met audit risk
Vraag 7 – Knechel (auditkwaliteit)
Gevraagd:
Leg uit hoe auditkwaliteit volgens Knechel wordt bepaald en:
● benoem 3 factoren
● pas deze toe op een situatie met tijdsdruk
Vraag 8 – Business Risk Auditing vs SSA
Gevraagd:
Vergelijk:
● Business Risk Auditing (Knechel)
● Strategic Systems Auditing (Peecher)