Samenvatting Bestuursrecht,
besluitvorming RGBBE00510
Inhoudsopgave
Week 1.......................................................................................................... 3
Hoofdstuk 1 paragraaf 1.2 t/m 1.2.4...............................................................................3
Hoofdstuk 3: Verlening van een publiekrechtelijke bestuursbevoegdheid......................4
Hoofdstuk 9: De materiële normen voor besluitvorming (§ 9.1 - 9.5.6 en 9.7 - 9.7.5)...10
Week 2A: Nadere normstelling, consistentie, beleid.......................................15
Hoofdstuk 5: Soorten besluiten (§ 5.3 t/m 5.3.9)...........................................................15
Hoofdstuk 9: De materiële normen voor besluitvorming (§ 9.6. – 9.6.5 en 9.7.6).........17
Week 2B: Wijzigen en intrekken van algemene regels en beschikkingen.........17
Hoofdstuk 10: Bijzondere soorten besluiten (§ 10.1 – 10.2.5.)......................................17
Hoofdstuk 8: Formele normen van besluitvorming (§ 8.4.3).........................................19
Week 3A: Zorgvuldige voorbereiding: algemeen............................................21
Hoofdstuk 8: Formele normen van besluitvorming (m.u.v. § 8.2.4, 8.2.5 en 8.4.3).......21
Week 3B: Zorgvuldige voorbereiding: bijzondere procedures..........................27
Hoofdstuk 8: Formele normen van besluitvorming (§ 8.2.4 – 8.2.5)..............................27
Hoofdstuk 6: Verhouding burger – bestuur (§ 6.6 – 6.6.7).............................................30
Week 4A: Subsidies, geldschulden................................................................31
Hoofdstuk 10: Bijzondere soorten besluiten (§ 10.3 – 10.3.9).......................................31
Week 4B: Overheid en privaatrecht...............................................................36
Hoofdstuk 13: Overheid en privaatrecht.......................................................................36
Week 5A: Nadeelcompensatie.......................................................................42
Hoofdstuk 11: Nadeelcompensatie wegens rechtmatige overheidsdaad......................42
Week 5B: Schadevergoeding.........................................................................47
Hoofdstuk 12: Schadevergoeding wegens onrechtmatige overheidsdaad....................47
Week 6A: Toezichtsbevoegdheden, herstelsancties........................................52
Hoofdstuk 14: Toezicht en handhaving.........................................................................52
Hoofdstuk 15: Herstelsancties......................................................................................58
Week 6B: Bestraffende sancties, handhaving openbare orde..........................63
Hoofdstuk 16: Bestraffende bestuurlijke sanctie...........................................................63
,
,Week 1
Hoofdstuk 1 paragraaf 1.2 t/m 1.2.4
Legaliteitsbeginsel een bestuursorgaan is alleen bevoegd om
besluiten te nemen die burgers raken (negatief of positief) als daarvoor
een wettelijke grondslag bestaat.
- Bij een negatief overheidsoptreden is altijd een wettelijke grondslag
vereist.
- Bij een positief overheidsoptreden is bijna altijd een wettelijke
grondslag vereist, zoals bij het verstrekken van een subsidie.
Specialiteitsbeginsel de overheid moet het algemeen belang
behartigen.
- Overheid is er voor burgers en het is aan burgers om via de gekozen
vertegenwoordigde lichamen uit te spreken welke algemene
belangen door de overheid moeten worden behartigd en welke
bevoegdheden en rechten het bestuur daarvoor krijgt toegekend.
- Er is een directe verbinding tussen legaliteitsbeginsel en beginsel
van democratie
Uitgangspunt = bestuur slechts doelgebonden specifieke bevoegdheden
mag uitoefenen die hem bij wettelijk voorschrift zijn toegekend, ligt ten
grondslag aan 3 Awb bepalingen:
1. Art. 1:2 lid 2 Awb = voor BO bepaald: ‘de hun toevertrouwde
belangen als hun belangen worden beschouwd’ een BO heeft
geen eigen belangen en uitsluitend belangen heeft behartigen die
het BO zijn toevertrouwd.
2. Art. 3:3 Awb = verbod van détournement de pouvoir BO gebruikt
bevoegdheid tot nemen van besluit niet voor ander doel dan
waarvoor bevoegdheid is verleend
3. Art. 3:4 lid 1 Awb = als BO belangen mag afwegen, zij de
rechtstreeks bij het besluit betrokken belangen moeten afwegen,
voor zover niet uit wettelijk voorschrift of aard van de uit te oefenen
bevoegdheid een beperkt voortvloeit.
Formele rechtszekerheidsbeginsel = ziet op duidelijke begrenzing van
de bestuursbevoegdheid en op ondubbelzinnigheid in de bepaling van de
rechtspositie van de burger bestuurswetgeving, beleidsregels etc.
moeten duidelijk geformuleerd zijn.
Materiële rechtszekerheidsbeginsel = het geldend recht ook werkelijk
toepassing vindt en voorts dat besluiten in beginsel niet met
terugwerkende kracht aan burgers mogen worden tegengeworpen.
Gelijkheidsbeginsel gelijke gevallen moeten gelijk worden
behandeld, ongelijke gevallen ongelijk naar de mate van verschil.
Verbod van discrimineren = een ongelijke behandeling van groepen
altijd een rechts voldoende rechtvaardiging behoeft ongelijkheden
moet gerechtvaardigd zijn en gevallen welke zozeer met elkaar
, overeenstemmen, dat een ongelijke behandeling niet op zijn plaats
is, niet ongelijk worden behandeld (art. 1 Gw).
Het BO moet inzicht kunnen geven in beslissingscriteria die het in
het algemeen bij uitoefening van zijn bevoegdheid hanteert.
BO zal vervolgens moeten kunnen aantonen dat die algemene
criteria consistent en consequent toepast.
Als een BO overeenkomstig de eis van stelselmatigheid algemene
beslissingscriteria ontwikkelt, zal het o.g.v. het gelijkheidsbeginsel in
beginsel gehouden zijn om zijn bevoegdheid overeenkomstig die
algemene criteria uit te oefenen en niet sommige burgers in afwijking van
de algemene criteria anders te behandelen.
Hoofdstuk 3: Verlening van een publiekrechtelijke
bestuursbevoegdheid
Een publiekrechtelijke bevoegdheid wordt aan een BO toegekend bij
wettelijk voorschrift.
Uitdrukkelijke toekenning (attributie) is bijvoorbeeld een voorschrift
die vast stelt dat een bestuursorgaan een bepaalde rechtshandeling kan
verrichten of waarin de formulering gebruikt wordt dat een bestuursorgaan
bevoegd is iets te besluiten.
BO kan ook door wetgever verplicht worden om bepaald besluit te
nemen.
Kan ook dat wetgever een formulering gebruikt waarin niet met
zoveel woorden een bevoegdheid wordt toegerekend, maar die toch
wijst op attributie. Is het geval als in wettelijk voorschrift is bepaald
dat een handeling verboden is zonder vergunning van daarbij
aangewezen BO.
Geïmpliceerde bevoegdheid = bevoegdheid tot wijziging besluit ligt
over het algemeen als ‘implied power’ besloten in bevoegdheid tot nemen
of weigeren van het besluit.
Geldt in beginsel ook voor bevoegdheid tot intrekking. Voorwaarde
= besluit tot intrekking niet op andere gronden wordt gebaseerd dan
besluit tot weigering.
Kan ook dat bestuursrechtelijke bevoegd wordt toegekend in een
vergunningvoorschrift. Is het geval als in voorschrift bepaald is dat de
vergunninghouder moet voldoen aan eisen die een in dat voorschrift
aangewezen BO kan stellen. BO ontleent dan aan het
vergunningsvoorschrift bevoegdheid om eisen te stellen aan
vergunninghouder.
Mogelijkheid van stellen nadere eisen in wet voorzien, dus
bevoegdheidstoekenning in overeenstemming met
legaliteitsbeginsel.
In uitzonderlijke gevallen kan BO zich beroepen op een ongeschreven
grondslag. Strikt genomen in strijd met het legaliteitsbeginsel, dient te
worden bedacht dat het legaliteitsbeginsel een rechtsbeginsel is waarvan
besluitvorming RGBBE00510
Inhoudsopgave
Week 1.......................................................................................................... 3
Hoofdstuk 1 paragraaf 1.2 t/m 1.2.4...............................................................................3
Hoofdstuk 3: Verlening van een publiekrechtelijke bestuursbevoegdheid......................4
Hoofdstuk 9: De materiële normen voor besluitvorming (§ 9.1 - 9.5.6 en 9.7 - 9.7.5)...10
Week 2A: Nadere normstelling, consistentie, beleid.......................................15
Hoofdstuk 5: Soorten besluiten (§ 5.3 t/m 5.3.9)...........................................................15
Hoofdstuk 9: De materiële normen voor besluitvorming (§ 9.6. – 9.6.5 en 9.7.6).........17
Week 2B: Wijzigen en intrekken van algemene regels en beschikkingen.........17
Hoofdstuk 10: Bijzondere soorten besluiten (§ 10.1 – 10.2.5.)......................................17
Hoofdstuk 8: Formele normen van besluitvorming (§ 8.4.3).........................................19
Week 3A: Zorgvuldige voorbereiding: algemeen............................................21
Hoofdstuk 8: Formele normen van besluitvorming (m.u.v. § 8.2.4, 8.2.5 en 8.4.3).......21
Week 3B: Zorgvuldige voorbereiding: bijzondere procedures..........................27
Hoofdstuk 8: Formele normen van besluitvorming (§ 8.2.4 – 8.2.5)..............................27
Hoofdstuk 6: Verhouding burger – bestuur (§ 6.6 – 6.6.7).............................................30
Week 4A: Subsidies, geldschulden................................................................31
Hoofdstuk 10: Bijzondere soorten besluiten (§ 10.3 – 10.3.9).......................................31
Week 4B: Overheid en privaatrecht...............................................................36
Hoofdstuk 13: Overheid en privaatrecht.......................................................................36
Week 5A: Nadeelcompensatie.......................................................................42
Hoofdstuk 11: Nadeelcompensatie wegens rechtmatige overheidsdaad......................42
Week 5B: Schadevergoeding.........................................................................47
Hoofdstuk 12: Schadevergoeding wegens onrechtmatige overheidsdaad....................47
Week 6A: Toezichtsbevoegdheden, herstelsancties........................................52
Hoofdstuk 14: Toezicht en handhaving.........................................................................52
Hoofdstuk 15: Herstelsancties......................................................................................58
Week 6B: Bestraffende sancties, handhaving openbare orde..........................63
Hoofdstuk 16: Bestraffende bestuurlijke sanctie...........................................................63
,
,Week 1
Hoofdstuk 1 paragraaf 1.2 t/m 1.2.4
Legaliteitsbeginsel een bestuursorgaan is alleen bevoegd om
besluiten te nemen die burgers raken (negatief of positief) als daarvoor
een wettelijke grondslag bestaat.
- Bij een negatief overheidsoptreden is altijd een wettelijke grondslag
vereist.
- Bij een positief overheidsoptreden is bijna altijd een wettelijke
grondslag vereist, zoals bij het verstrekken van een subsidie.
Specialiteitsbeginsel de overheid moet het algemeen belang
behartigen.
- Overheid is er voor burgers en het is aan burgers om via de gekozen
vertegenwoordigde lichamen uit te spreken welke algemene
belangen door de overheid moeten worden behartigd en welke
bevoegdheden en rechten het bestuur daarvoor krijgt toegekend.
- Er is een directe verbinding tussen legaliteitsbeginsel en beginsel
van democratie
Uitgangspunt = bestuur slechts doelgebonden specifieke bevoegdheden
mag uitoefenen die hem bij wettelijk voorschrift zijn toegekend, ligt ten
grondslag aan 3 Awb bepalingen:
1. Art. 1:2 lid 2 Awb = voor BO bepaald: ‘de hun toevertrouwde
belangen als hun belangen worden beschouwd’ een BO heeft
geen eigen belangen en uitsluitend belangen heeft behartigen die
het BO zijn toevertrouwd.
2. Art. 3:3 Awb = verbod van détournement de pouvoir BO gebruikt
bevoegdheid tot nemen van besluit niet voor ander doel dan
waarvoor bevoegdheid is verleend
3. Art. 3:4 lid 1 Awb = als BO belangen mag afwegen, zij de
rechtstreeks bij het besluit betrokken belangen moeten afwegen,
voor zover niet uit wettelijk voorschrift of aard van de uit te oefenen
bevoegdheid een beperkt voortvloeit.
Formele rechtszekerheidsbeginsel = ziet op duidelijke begrenzing van
de bestuursbevoegdheid en op ondubbelzinnigheid in de bepaling van de
rechtspositie van de burger bestuurswetgeving, beleidsregels etc.
moeten duidelijk geformuleerd zijn.
Materiële rechtszekerheidsbeginsel = het geldend recht ook werkelijk
toepassing vindt en voorts dat besluiten in beginsel niet met
terugwerkende kracht aan burgers mogen worden tegengeworpen.
Gelijkheidsbeginsel gelijke gevallen moeten gelijk worden
behandeld, ongelijke gevallen ongelijk naar de mate van verschil.
Verbod van discrimineren = een ongelijke behandeling van groepen
altijd een rechts voldoende rechtvaardiging behoeft ongelijkheden
moet gerechtvaardigd zijn en gevallen welke zozeer met elkaar
, overeenstemmen, dat een ongelijke behandeling niet op zijn plaats
is, niet ongelijk worden behandeld (art. 1 Gw).
Het BO moet inzicht kunnen geven in beslissingscriteria die het in
het algemeen bij uitoefening van zijn bevoegdheid hanteert.
BO zal vervolgens moeten kunnen aantonen dat die algemene
criteria consistent en consequent toepast.
Als een BO overeenkomstig de eis van stelselmatigheid algemene
beslissingscriteria ontwikkelt, zal het o.g.v. het gelijkheidsbeginsel in
beginsel gehouden zijn om zijn bevoegdheid overeenkomstig die
algemene criteria uit te oefenen en niet sommige burgers in afwijking van
de algemene criteria anders te behandelen.
Hoofdstuk 3: Verlening van een publiekrechtelijke
bestuursbevoegdheid
Een publiekrechtelijke bevoegdheid wordt aan een BO toegekend bij
wettelijk voorschrift.
Uitdrukkelijke toekenning (attributie) is bijvoorbeeld een voorschrift
die vast stelt dat een bestuursorgaan een bepaalde rechtshandeling kan
verrichten of waarin de formulering gebruikt wordt dat een bestuursorgaan
bevoegd is iets te besluiten.
BO kan ook door wetgever verplicht worden om bepaald besluit te
nemen.
Kan ook dat wetgever een formulering gebruikt waarin niet met
zoveel woorden een bevoegdheid wordt toegerekend, maar die toch
wijst op attributie. Is het geval als in wettelijk voorschrift is bepaald
dat een handeling verboden is zonder vergunning van daarbij
aangewezen BO.
Geïmpliceerde bevoegdheid = bevoegdheid tot wijziging besluit ligt
over het algemeen als ‘implied power’ besloten in bevoegdheid tot nemen
of weigeren van het besluit.
Geldt in beginsel ook voor bevoegdheid tot intrekking. Voorwaarde
= besluit tot intrekking niet op andere gronden wordt gebaseerd dan
besluit tot weigering.
Kan ook dat bestuursrechtelijke bevoegd wordt toegekend in een
vergunningvoorschrift. Is het geval als in voorschrift bepaald is dat de
vergunninghouder moet voldoen aan eisen die een in dat voorschrift
aangewezen BO kan stellen. BO ontleent dan aan het
vergunningsvoorschrift bevoegdheid om eisen te stellen aan
vergunninghouder.
Mogelijkheid van stellen nadere eisen in wet voorzien, dus
bevoegdheidstoekenning in overeenstemming met
legaliteitsbeginsel.
In uitzonderlijke gevallen kan BO zich beroepen op een ongeschreven
grondslag. Strikt genomen in strijd met het legaliteitsbeginsel, dient te
worden bedacht dat het legaliteitsbeginsel een rechtsbeginsel is waarvan