Samenvatting Recht van de Europese Unie
(RGBEE10010)
Inhoudsopgave
Week 1.......................................................................................................... 3
Inleiding en wegwijs in het Europees recht.....................................................................3
Het attributiebeginsel..................................................................................................... 3
Autonomie, voorrang en rechtstreekse werking.............................................................4
Marktintegratiebeleid...................................................................................................... 4
Hof van Justitie............................................................................................................... 6
Goederen........................................................................................................................ 7
Het vrij verkeer van goederen........................................................................................7
Week 2: Vrij verkeer van diensten, vestiging en kapitaal................................14
Vrij verkeer van diensten.............................................................................................. 14
Vrij verkeer van vestiging.............................................................................................19
Vrij verkeer van kapitaal...............................................................................................22
Week 3: Vrij verkeer van werknemers en Unieburgerschap.............................24
Vrij verkeer van werknemers........................................................................................24
Unieburgerschap........................................................................................................... 29
Week 4: Europees mededingingsrecht...........................................................35
Inleiding Europees mededingingsrecht.........................................................................35
Art. 101 VWEU (mededingingsverbod)..........................................................................36
Art. 102 VWEU (verbod op misbruik van machtspositie)...............................................41
Art. 106 lid 1 VWEU (overheidsregulering)....................................................................46
Week 5: Doorwerking en rechtsbescherming tegen handelingen van lidstaten 46
Rechtstreekse werking................................................................................................. 47
Voorrang van EU-recht en Costa/ENEL..........................................................................48
Richtlijnconforme interpretatie.....................................................................................52
Staatsaansprakelijkheid................................................................................................53
Prejudiciëlevraagprocedure..........................................................................................56
Handhaving op EU-niveau.............................................................................................58
Week 6: Bevoegdheidsuitoefening en rechtsbescherming tegen handelingen
van EU-instellingen......................................................................................59
De instellingen van de EU.............................................................................................59
Attributiebeginsel en bevoegdheden............................................................................60
1
, Soorten wetgevingsprocedures....................................................................................61
Rechtsbescherming tegen handelingen van EU-instellingen.........................................65
2
,Week 1
Inleiding en wegwijs in het Europees recht
Primair Unierecht het belangrijkste EU-recht staat in de volgende twee verdragen:
1. Het Verdrag betreffende de Europese Unie (VEU), en
2. Het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU).
Daarnaast vallen ook de algemene beginselen van Europees recht (zoals de
grondrechten), het Handvest voor de Grondrechten van de EU (HvEU), de
interpretatie van de Verdragen door het Hof en de protocollen, onder het primaire
Unierecht.
VEU heeft soortgelijke status als grondwet in Nederland. Het is een juridisch kader
voor de overheid waarvan de naleving niet door enkele burgers kan worden
afgedwongen.
VEU en VWEU hebben dezelfde juridische status (art. 1 lid 2 VWEU).
Naast de verdragen zijn de algemene beginselen van het Europees recht en het Europees
en het Europees Verdrag tot bescherming van rechten van de mens (EVRM) van belang.
Soevereiniteit uit Van Gend en Loos-arrest en Costa/ENEL-arrest volgt dat lidstaten
hun soevereiniteit overdragen aan de Europese Unie. Hierdoor is de Unie in plaats
getreden van lidstaten op de beleidsterreinen waar de soevereiniteit overgedragen is. Op
deze terreinen moet de Unie optreden.
Begrip: klassieke wijze om hiërarchie aan te brengen in de verhouding tussen
landen onderling en tussen landen en internationale organisaties. Daarmee zijn
die landen onderworpen aan die organisaties en zal het recht van die organisatie
van hogere rang zijn dan het nationale recht van die landen.
Op basis van de Verdragen is het secundair Europees recht vastgesteld. moet
verenigbaar zijn met het primaire recht in verband met de hiërarchie. Dit recht mag dus
niet verder gaan dan hetgeen het primaire recht toestaat.
Vaak nodig om algemeen en abstract geformuleerde beginselen, waarden en
regels uit de Verdragen te verduidelijken. Dit is in de vorm van besluiten,
verordeningen en richtlijnen.
Hieronder hangt het tertiaire recht uitvoeringsmaatregelen die zijn
aangenomen o.g.v. secundair recht.
Secundair en tertiair Unierecht worden het afgeleide Unierecht genoemd.
Het attributiebeginsel
Attributiebeginsel (legaliteitsbeginsel) de Unie kan alleen optreden als daarvoor
een bevoegdheid in de Verdragen te vinden is (art. 4 lid 1 jo. art. 5 lid 1 en 2 VEU).
Er dient altijd een rechtsgrondslag voor optreden te zijn = expliciete
bevoegdheidsattributie.
Unierecht kent daarnaast nog implied powers Unie bevoegd is extern op te
treden op terreinen waar geen expliciete externe bevoegdheid is opgenomen in
het VWEU. Bevoegdheid ligt dan besloten in een interne bevoegdheid.
o Voorbeeld: dat EU bevoegd is een visserijbeleid te voeren, impliceert dat
EU ook bevoegd is om met derde landen te onderhandelen over akkoorden
die betrekking hebben op visserij.
Attributiebeginsel belangrijk om de volgende redenen:
- Inhoudelijke waarborgen = aan de hand van rechtsgrondslag kan
gecontroleerd worden of de EU niet buiten haar bevoegdheden gaat en
onderwerpen regelt op terreinen waar Unie niet bevoegd is.
- Procedurele waarborgen = VWEU voorziet in verschillende
besluitvormingsprocedures en verschillende mate van betrokkenheid van de
instellingen voor optreden van Unie.
3
, Het Hof begint zijn onderzoek naar de juiste rechtsgrondslag altijd met de overweging dat
de keuze voor deze grondslag moet berusten op objectieve gegevens die vatbaar zijn
voor rechterlijke toetsing, bijv. doel en de inhoud van de handeling.
Kan zijn dat regeling elementen bevat die bij 2 verschillende rechtsgrondslagen
horen. Als dit het geval is, moet worden onderzocht waar een eventueel
zwaartepunt zich bevindt. Grondslag die daarbij hoort, is dan voldoende.
Als beide elementen even belangrijk zijn, moeten allebei de grondslagen worden
gebruikt = cumulatie van rechtsgrondslagen.
Autonomie, voorrang en rechtstreekse werking
Autonomie van het Unierecht uit Van Gend en Loos arrest wordt duidelijk dat het
effect van het Unierecht in de nationale rechtsorde een aangelegenheid van het
Unierecht zelf is.
Het Hof plaatste het Unierecht binnen het volkenrecht, maar onderscheidt het
meteen van al het andere recht, omdat lidstaten hun soevereiniteit begrenst
hebben ten gunste van de EU. Maakt lidstaten onderdanen van de Unie en
daardoor kunnen zij rechten ontlenen aan het Unierecht.
Dit is mogelijk als het Unierecht voldoende duidelijk en onvoorwaardelijk een
verplichting ten opzichte van de lidstaten bevat.
Voorrang Unierecht heeft voorrang op nationaal recht van een lidstaat en nationaal
recht kan geen afbreuk doen aan het Unierecht (arrest Cosa/ENEL). Hiermee is duidelijk
geworden dat autonomie van Unierecht bestaat uit twee eigenschappen:
1. Rechtstreekse werking: vorm van doorwerking. Als een regel van Unierecht
onverenigbaar met een nationaalrechtelijke regeling is, moet rechter de nationale
regel buiten toepassing laten o.g.v. Unierecht.
a. Nationale rechter mag niet bepalen of een Unierechtelijke bepaling werking
als intern recht heeft.
2. Voorrang = als sprake is van een inhoudelijk conflict tussen nationaal recht en
Unierecht, dan zal dit beslist worden in het voordeel van de Unie dankzij het
beginsel van voorrang.
Voorwaarden rechtstreekse werking
Basisvoorwaarde = een regel van Unierecht moet voldoende duidelijk en
onvoorwaardelijk zijn.
o Vraag: kan de bepaling door een nationale rechter worden toegepast.
Geen rechtstreekse werking als nadere handelingen van de Unie-instellingen of
lidstaten noodzakelijk zouden zijn.
Voor rechtstreekse werking is verschil tussen verticale en horizontale situaties van
belang:
- Verticale = wordt een beroep gedaan op het Unierecht ten opzichte van een
overheidsinstelling van een lidstaat.
- Horizontale = gaat om het om tussen particulieren onderling inroepen van
Unierecht.
Omgekeerde verticale rechtstreekse werking is mogelijk als een overheidsinstelling van
een lidstaat zich op het Unierecht beroept ten opzichte van een particulier.
Marktintegratiebeleid
De fundamentele vrijheden het beleid van de EU staat in het teken van de
economische integratie van de lidstaten die bij de EU aangesloten zijn = marktintegratie.
Het beleid is op de volgende 4 fundamentele vrijheden gegrondvest:
- Vrij verkeer van goederen, diensten, personen en kapitaal.
Marktintegratie beleid van de EU is gericht op het samenvoegen van economieën
van lidstaten tot 1 grote economie.
Hierbij gelden geen grenzen met wat betreft economische activiteiten.
4
(RGBEE10010)
Inhoudsopgave
Week 1.......................................................................................................... 3
Inleiding en wegwijs in het Europees recht.....................................................................3
Het attributiebeginsel..................................................................................................... 3
Autonomie, voorrang en rechtstreekse werking.............................................................4
Marktintegratiebeleid...................................................................................................... 4
Hof van Justitie............................................................................................................... 6
Goederen........................................................................................................................ 7
Het vrij verkeer van goederen........................................................................................7
Week 2: Vrij verkeer van diensten, vestiging en kapitaal................................14
Vrij verkeer van diensten.............................................................................................. 14
Vrij verkeer van vestiging.............................................................................................19
Vrij verkeer van kapitaal...............................................................................................22
Week 3: Vrij verkeer van werknemers en Unieburgerschap.............................24
Vrij verkeer van werknemers........................................................................................24
Unieburgerschap........................................................................................................... 29
Week 4: Europees mededingingsrecht...........................................................35
Inleiding Europees mededingingsrecht.........................................................................35
Art. 101 VWEU (mededingingsverbod)..........................................................................36
Art. 102 VWEU (verbod op misbruik van machtspositie)...............................................41
Art. 106 lid 1 VWEU (overheidsregulering)....................................................................46
Week 5: Doorwerking en rechtsbescherming tegen handelingen van lidstaten 46
Rechtstreekse werking................................................................................................. 47
Voorrang van EU-recht en Costa/ENEL..........................................................................48
Richtlijnconforme interpretatie.....................................................................................52
Staatsaansprakelijkheid................................................................................................53
Prejudiciëlevraagprocedure..........................................................................................56
Handhaving op EU-niveau.............................................................................................58
Week 6: Bevoegdheidsuitoefening en rechtsbescherming tegen handelingen
van EU-instellingen......................................................................................59
De instellingen van de EU.............................................................................................59
Attributiebeginsel en bevoegdheden............................................................................60
1
, Soorten wetgevingsprocedures....................................................................................61
Rechtsbescherming tegen handelingen van EU-instellingen.........................................65
2
,Week 1
Inleiding en wegwijs in het Europees recht
Primair Unierecht het belangrijkste EU-recht staat in de volgende twee verdragen:
1. Het Verdrag betreffende de Europese Unie (VEU), en
2. Het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU).
Daarnaast vallen ook de algemene beginselen van Europees recht (zoals de
grondrechten), het Handvest voor de Grondrechten van de EU (HvEU), de
interpretatie van de Verdragen door het Hof en de protocollen, onder het primaire
Unierecht.
VEU heeft soortgelijke status als grondwet in Nederland. Het is een juridisch kader
voor de overheid waarvan de naleving niet door enkele burgers kan worden
afgedwongen.
VEU en VWEU hebben dezelfde juridische status (art. 1 lid 2 VWEU).
Naast de verdragen zijn de algemene beginselen van het Europees recht en het Europees
en het Europees Verdrag tot bescherming van rechten van de mens (EVRM) van belang.
Soevereiniteit uit Van Gend en Loos-arrest en Costa/ENEL-arrest volgt dat lidstaten
hun soevereiniteit overdragen aan de Europese Unie. Hierdoor is de Unie in plaats
getreden van lidstaten op de beleidsterreinen waar de soevereiniteit overgedragen is. Op
deze terreinen moet de Unie optreden.
Begrip: klassieke wijze om hiërarchie aan te brengen in de verhouding tussen
landen onderling en tussen landen en internationale organisaties. Daarmee zijn
die landen onderworpen aan die organisaties en zal het recht van die organisatie
van hogere rang zijn dan het nationale recht van die landen.
Op basis van de Verdragen is het secundair Europees recht vastgesteld. moet
verenigbaar zijn met het primaire recht in verband met de hiërarchie. Dit recht mag dus
niet verder gaan dan hetgeen het primaire recht toestaat.
Vaak nodig om algemeen en abstract geformuleerde beginselen, waarden en
regels uit de Verdragen te verduidelijken. Dit is in de vorm van besluiten,
verordeningen en richtlijnen.
Hieronder hangt het tertiaire recht uitvoeringsmaatregelen die zijn
aangenomen o.g.v. secundair recht.
Secundair en tertiair Unierecht worden het afgeleide Unierecht genoemd.
Het attributiebeginsel
Attributiebeginsel (legaliteitsbeginsel) de Unie kan alleen optreden als daarvoor
een bevoegdheid in de Verdragen te vinden is (art. 4 lid 1 jo. art. 5 lid 1 en 2 VEU).
Er dient altijd een rechtsgrondslag voor optreden te zijn = expliciete
bevoegdheidsattributie.
Unierecht kent daarnaast nog implied powers Unie bevoegd is extern op te
treden op terreinen waar geen expliciete externe bevoegdheid is opgenomen in
het VWEU. Bevoegdheid ligt dan besloten in een interne bevoegdheid.
o Voorbeeld: dat EU bevoegd is een visserijbeleid te voeren, impliceert dat
EU ook bevoegd is om met derde landen te onderhandelen over akkoorden
die betrekking hebben op visserij.
Attributiebeginsel belangrijk om de volgende redenen:
- Inhoudelijke waarborgen = aan de hand van rechtsgrondslag kan
gecontroleerd worden of de EU niet buiten haar bevoegdheden gaat en
onderwerpen regelt op terreinen waar Unie niet bevoegd is.
- Procedurele waarborgen = VWEU voorziet in verschillende
besluitvormingsprocedures en verschillende mate van betrokkenheid van de
instellingen voor optreden van Unie.
3
, Het Hof begint zijn onderzoek naar de juiste rechtsgrondslag altijd met de overweging dat
de keuze voor deze grondslag moet berusten op objectieve gegevens die vatbaar zijn
voor rechterlijke toetsing, bijv. doel en de inhoud van de handeling.
Kan zijn dat regeling elementen bevat die bij 2 verschillende rechtsgrondslagen
horen. Als dit het geval is, moet worden onderzocht waar een eventueel
zwaartepunt zich bevindt. Grondslag die daarbij hoort, is dan voldoende.
Als beide elementen even belangrijk zijn, moeten allebei de grondslagen worden
gebruikt = cumulatie van rechtsgrondslagen.
Autonomie, voorrang en rechtstreekse werking
Autonomie van het Unierecht uit Van Gend en Loos arrest wordt duidelijk dat het
effect van het Unierecht in de nationale rechtsorde een aangelegenheid van het
Unierecht zelf is.
Het Hof plaatste het Unierecht binnen het volkenrecht, maar onderscheidt het
meteen van al het andere recht, omdat lidstaten hun soevereiniteit begrenst
hebben ten gunste van de EU. Maakt lidstaten onderdanen van de Unie en
daardoor kunnen zij rechten ontlenen aan het Unierecht.
Dit is mogelijk als het Unierecht voldoende duidelijk en onvoorwaardelijk een
verplichting ten opzichte van de lidstaten bevat.
Voorrang Unierecht heeft voorrang op nationaal recht van een lidstaat en nationaal
recht kan geen afbreuk doen aan het Unierecht (arrest Cosa/ENEL). Hiermee is duidelijk
geworden dat autonomie van Unierecht bestaat uit twee eigenschappen:
1. Rechtstreekse werking: vorm van doorwerking. Als een regel van Unierecht
onverenigbaar met een nationaalrechtelijke regeling is, moet rechter de nationale
regel buiten toepassing laten o.g.v. Unierecht.
a. Nationale rechter mag niet bepalen of een Unierechtelijke bepaling werking
als intern recht heeft.
2. Voorrang = als sprake is van een inhoudelijk conflict tussen nationaal recht en
Unierecht, dan zal dit beslist worden in het voordeel van de Unie dankzij het
beginsel van voorrang.
Voorwaarden rechtstreekse werking
Basisvoorwaarde = een regel van Unierecht moet voldoende duidelijk en
onvoorwaardelijk zijn.
o Vraag: kan de bepaling door een nationale rechter worden toegepast.
Geen rechtstreekse werking als nadere handelingen van de Unie-instellingen of
lidstaten noodzakelijk zouden zijn.
Voor rechtstreekse werking is verschil tussen verticale en horizontale situaties van
belang:
- Verticale = wordt een beroep gedaan op het Unierecht ten opzichte van een
overheidsinstelling van een lidstaat.
- Horizontale = gaat om het om tussen particulieren onderling inroepen van
Unierecht.
Omgekeerde verticale rechtstreekse werking is mogelijk als een overheidsinstelling van
een lidstaat zich op het Unierecht beroept ten opzichte van een particulier.
Marktintegratiebeleid
De fundamentele vrijheden het beleid van de EU staat in het teken van de
economische integratie van de lidstaten die bij de EU aangesloten zijn = marktintegratie.
Het beleid is op de volgende 4 fundamentele vrijheden gegrondvest:
- Vrij verkeer van goederen, diensten, personen en kapitaal.
Marktintegratie beleid van de EU is gericht op het samenvoegen van economieën
van lidstaten tot 1 grote economie.
Hierbij gelden geen grenzen met wat betreft economische activiteiten.
4