Samenvatting Staatsrecht 1 (RGPST00105
Inhoudsopgave
Week 1: De democratische rechtsstaat............................................................2
Hoofdstuk 1: Inleiding..................................................................................................... 2
Hoofdstuk 2: De bronnen van het staatsrecht................................................................4
Week 2: Regering en Staten-Generaal.............................................................6
Hoofdstuk 5: De regering................................................................................................ 6
Hoofdstuk 6: De Staten-Generaal...................................................................................9
Hoofstuk 8: De verhouding van Parlement, Ministers en Koning...................................13
Week 3: De wetgever: legitimatie en legaliteit...............................................17
Hoofdstuk 7: Raad van State, Algemene Rekenkamer, Nationale Ombudsman en Vaste
colleges van Advies...................................................................................................... 17
Hoofdstuk 9: Wetgeving...............................................................................................19
Hoofstuk 10: Herziening van de Grondwet....................................................................27
Week 4: Decentralisatie................................................................................27
Hoofdstuk 15: De gedecentraliseerde eenheidsstaat....................................................27
Hoofdstuk 16: Provincie, gemeente en waterschap......................................................29
Week 5: Grondrechten..................................................................................36
Hoofdstuk 14: De Grondrechten...................................................................................36
Week 6: De rechter en de rechtsstaat............................................................42
Hoofdstuk 7: Raad van State, Algemene Rekenkamer, Nationale Ombudsman en Vaste
colleges van Advies...................................................................................................... 42
Hoofdstuk 13: De Rechtspraak.....................................................................................43
Rechtsstatelijke toets................................................................................................... 46
1
,Week 1: De democratische rechtsstaat
Hoofdstuk 1: Inleiding
De staat een organisatie die met voorrang boven andere organisatie effectief
gezag uitoefent over een gemeenschap mensen op een bepaald grondgebied.
Begrip staat:
- Bevolking: een gemeenschap van mensen
- Territorium: op een bepaald grondgebied
- Gezag: waarover gezag wordt uitgeoefend door een overheid die over
dwangmiddelen beschikt.
o Gezag gelegitimeerde macht
o Dwangmiddelen mogelijkheid van toepassing van dwang ter
handhaving van de gemeenschapsnormen (om naleving van het
recht af te dwingen). Binnen een staat zijn 1 of meer organen
bevoegd tot het uitoefenen van dwang.
Essentie staatsrecht = hoe voorkom je dat de overheid te veel macht krijgt en
deze op de verkeerde manier gaat gebruiken welke waarborgen zodat dit niet
gebeurt.
Verdeling van de staatsmacht over verschillende organen het bestuur,
het gezag, de uitoefening van dwang, berusten bij op 1 of andere wijze door de
burgers vertegenwoordigers.
Hier begint de verhouding van de burgers tot de staat: zij zijn aan de ene
kant de soeverein, die de bestuurders, de uitvoerders van zijn wil, mede
aanwijst. Aan de andere kant zijn zij onderworpen aan het mede door
henzelf ingestelde gezag.
Om het risico van dictatuur te ontgaan, is het middel van de verdeling van het
gezag over verschillende organen en dus over verschillende mensen of groepen
bedacht.
Doordat ieder orgaan slechts een deel van het gezag kan uitoefenen, heeft
het de andere organen nodig.
De verschillende organen waarover het gezag verdeeld is, houden op deze
wijze elkaar in evenwicht en er ontstaat een stelsel dat een zekere
stabiliteit in de machtsverhouding waarborgt ook wel checks and
balances genoemd.
Essentie machtenscheiding de regels waarin de bevoegdheden van een
overheidsorgaan zijn omschreven, moeten zijn vastgesteld door een ander
orgaan.
Als een orgaan bepaalde bevoegdheden heeft op basis van de wet, dan
mag het orgaan niet zijn eigen bevoegdheden hebben vastgesteld. Want
overheidsmacht moet door een andere overheidsmacht gecontroleerd
worden.
o Overheidsmacht (bestuur) moet door een andere overheidsmacht
(parlement, rechter) gecontroleerd worden.
o Maar ook wetgever kan dor de rechter worden gecontroleerd.
o Wetgever kan rechtspraak (in algemene zin) bijsturen door de wet te
wijzigen.
Gedachte van scheiding van machten in de staat werd in 1748 door Montesquieu
geïntroduceerd. Hierin introduceerde hij de overheidstaken: wetgeving, bestuur
en rechtspraak = Trias Politica.
2
, Wetgeving = algemene verbindende voorschriften (wetten etc.)
Bestuur is de uitvoerende macht, gaat altijd om selectie van feiten bij
beslissingen en de open normen van een wet.
o Bestuur moet zelf nog aanpassingen verrichten om aan concrete
geval de wet toe te passen.
o Besturen is meer dan uitvoeren van wetten, kan ook actie zijn
waarvoor geen wet is.
Rechtspraak = beslechten van geschillen.
2de niveau van Trias het wordt pas machtenscheiding als er 3 verschillende
organen zijn die met een functie worden belast.
3de niveau van Trias als een persoon 1 functie vervult kan het geen andere
functie vervullen.
In Nederland is geen volledige machtenscheiding.
Territoriale machtenspreiding trias is niet de enige manier van
machtenscheiding maar het kan ook territoriaal. Dit is gebaseerd op
grondgebied. 3 niveaus van het bestuur en die hebben elk hun eigen
bevoegdheden.
Verschillende soorten staatsvormen:
1. Eenheidsstaat:
a. Gecentraliseerde eenheidsstaat
b. Gedecentraliseerde eenheidsstaat (dit is Nederland in Europa) =
zelfstandige bevoegdheden voor decentrale overheden maar
centrale overheid heeft over alles bevoegdheden om te beslissen.
2. Federatie (bondsstaat)
a. Bijv. Duitsland. Het kenmerk hiervan is dat het juist geen
eenheidsstaat is, niet de centrale overheid heeft het laatste woord.
Er zijn onderwerpen waar alleen de decentrale overheid over gaat.
In de Grondwet wordt geregeld welke bevoegdheden de centrale en
decentrale overheid heeft.
3. Confederatie (statenbond)
a. Provincies zijn zelf de baas en die werken samen. De macht ligt bij
de onderdelen en niet bij de centrale overheid.
De democratische rechtsstaat
Rechtsstaat = een staat waarin de organisatie is ontworpen om burgers te
beschermen tegen machtsmisbruik door de overheid. Belangrijke kenmerken van
een rechtsstaat zijn:
- Grondrechten: de staat erkent dat individuen en particulieren instellingen
recht hebben op een staatsvrije sfeer. Bijv. vrijheid van godsdienst,
meningsuiting en recht op bescherming persoonlijke levenssfeer.
- Algemene regels voor bestuursoptreden : bestuursoptreden dat bezwarend
is voor de burger, moet gebaseerd zijn op een algemene regel die de
bevoegdheid van het betreffende orgaan omschrijft.
- Vaststelling van bevoegdheden: de regels waarin de bevoegdheden van
staatsorganen zijn omschreven, moeten door een ander orgaan worden
vastgesteld.
- Onafhankelijk rechter: geschillen tussen de burger en de staat dienen te
worden beslist door een onafhankelijke en onpartijdige rechter.
3
, Democratie = een systeem van bestuur waarin de macht in handen ligt van het
vlok. Het stelt burgers in staat om actief deel te nemen aan de politieke
besluitvorming. Belangrijke aspecten:
- Kiesrecht: burgers hebben gelijke rechten om leden van de
volksvertegenwoordiging te kiezen (=actief kiesrecht) en om zelf gekozen
te worden (=passief kiesrecht).
- Openheid over machtswisseling: het moet duidelijk zijn hoe lang de
gekozen vertegenwoordigers hun functie kunnen uitoefenen en het is van
belang dat niet altijd dezelfde personen aan de macht blijven.
- Centrale rol van het Parlement: het parlement speelt een cruciale rol
binnen het staatsbestel. De volksvertegenwoordiging moet een
beslissende stem hebben bij het vaststellen van wetgeving.
De combinatie van deze twee begrippen leidt tot de term democratische
rechtsstaat: een staat die zowel democratische als rechtsstatelijke principes in
haar bestuur heeft.
Grondregels van een democratische rechtsstaat:
1. Legaliteitsbeginsel = geen bevoegdheid zonder grondslag in wet
of Grondwet
Om machtsmisbruik te voorkomen, is vastgelegd dat bevoegdheden alleen
mogen worden uitgeoefend als de Grondwet of de wet dit uitdrukkelijk toestaat.
Dit beginsel is van cruciaal belang om te waarborgen dat de bevoegdheden van
de overheid en de rechterlijke macht alleen op basis van een wettelijke grondslag
kunnen worden uitgevoerd.
2. Verantwoordingsplicht en controle
Verantwoordingsplicht = niemand kan een bevoegdheid uitoefenen zonder
verantwoording af te leggen of zonder dat er controle is op die uitoefening. Deze
controle kan verschillende vormen aannemen en is essentieel voor de
transparantie en verantwoordingsplicht binnen het bestuur.
Bestuurlijke organen moeten verantwoording afleggen aan
vertegenwoordigende organen, zoals ministers die verslag uitbrengen aan
het parlement. Ook ambtenaren hebben een verantwoordingsplicht
tegenover hun leidinggevenden.
Er is controle door de rechter op de wetgevende organen, zoals het toetsen
van lagere regelingen aan hogere regelgeving.
Hoofdstuk 2: De bronnen van het staatsrecht
Staatsrecht is de tak van recht die de organisatie en de werking van de staat
regelt.
1) De Grondwet: belangrijkste bron van staatsrecht en legt de basisprincipes
vast die de werking van de staat reguleren. De Grondwet bevat
fundamentele rechten, de organisatie van de overheid en de
bevoegdheden van verschillende staatsorganen.
2) Gewoonterechtelijke regels: ongeschreven regels die ontstaan uit de
praktijk en de traditie van staatsbestuur. Ze zijn niet vastgelegd in
geschreven documenten, maar worden erkend omdat ze algemeen
aanvaard zijn binnen de staat.
3) Wetten en algemene maatregelen van bestuur: geschreven regelingen
omvatten specifieke bepalingen die de werking van de staat in detail
regulieren. Zijn essentieel voor de dagelijkse werking van de overheid en
het rechtsstelsel.
4
Inhoudsopgave
Week 1: De democratische rechtsstaat............................................................2
Hoofdstuk 1: Inleiding..................................................................................................... 2
Hoofdstuk 2: De bronnen van het staatsrecht................................................................4
Week 2: Regering en Staten-Generaal.............................................................6
Hoofdstuk 5: De regering................................................................................................ 6
Hoofdstuk 6: De Staten-Generaal...................................................................................9
Hoofstuk 8: De verhouding van Parlement, Ministers en Koning...................................13
Week 3: De wetgever: legitimatie en legaliteit...............................................17
Hoofdstuk 7: Raad van State, Algemene Rekenkamer, Nationale Ombudsman en Vaste
colleges van Advies...................................................................................................... 17
Hoofdstuk 9: Wetgeving...............................................................................................19
Hoofstuk 10: Herziening van de Grondwet....................................................................27
Week 4: Decentralisatie................................................................................27
Hoofdstuk 15: De gedecentraliseerde eenheidsstaat....................................................27
Hoofdstuk 16: Provincie, gemeente en waterschap......................................................29
Week 5: Grondrechten..................................................................................36
Hoofdstuk 14: De Grondrechten...................................................................................36
Week 6: De rechter en de rechtsstaat............................................................42
Hoofdstuk 7: Raad van State, Algemene Rekenkamer, Nationale Ombudsman en Vaste
colleges van Advies...................................................................................................... 42
Hoofdstuk 13: De Rechtspraak.....................................................................................43
Rechtsstatelijke toets................................................................................................... 46
1
,Week 1: De democratische rechtsstaat
Hoofdstuk 1: Inleiding
De staat een organisatie die met voorrang boven andere organisatie effectief
gezag uitoefent over een gemeenschap mensen op een bepaald grondgebied.
Begrip staat:
- Bevolking: een gemeenschap van mensen
- Territorium: op een bepaald grondgebied
- Gezag: waarover gezag wordt uitgeoefend door een overheid die over
dwangmiddelen beschikt.
o Gezag gelegitimeerde macht
o Dwangmiddelen mogelijkheid van toepassing van dwang ter
handhaving van de gemeenschapsnormen (om naleving van het
recht af te dwingen). Binnen een staat zijn 1 of meer organen
bevoegd tot het uitoefenen van dwang.
Essentie staatsrecht = hoe voorkom je dat de overheid te veel macht krijgt en
deze op de verkeerde manier gaat gebruiken welke waarborgen zodat dit niet
gebeurt.
Verdeling van de staatsmacht over verschillende organen het bestuur,
het gezag, de uitoefening van dwang, berusten bij op 1 of andere wijze door de
burgers vertegenwoordigers.
Hier begint de verhouding van de burgers tot de staat: zij zijn aan de ene
kant de soeverein, die de bestuurders, de uitvoerders van zijn wil, mede
aanwijst. Aan de andere kant zijn zij onderworpen aan het mede door
henzelf ingestelde gezag.
Om het risico van dictatuur te ontgaan, is het middel van de verdeling van het
gezag over verschillende organen en dus over verschillende mensen of groepen
bedacht.
Doordat ieder orgaan slechts een deel van het gezag kan uitoefenen, heeft
het de andere organen nodig.
De verschillende organen waarover het gezag verdeeld is, houden op deze
wijze elkaar in evenwicht en er ontstaat een stelsel dat een zekere
stabiliteit in de machtsverhouding waarborgt ook wel checks and
balances genoemd.
Essentie machtenscheiding de regels waarin de bevoegdheden van een
overheidsorgaan zijn omschreven, moeten zijn vastgesteld door een ander
orgaan.
Als een orgaan bepaalde bevoegdheden heeft op basis van de wet, dan
mag het orgaan niet zijn eigen bevoegdheden hebben vastgesteld. Want
overheidsmacht moet door een andere overheidsmacht gecontroleerd
worden.
o Overheidsmacht (bestuur) moet door een andere overheidsmacht
(parlement, rechter) gecontroleerd worden.
o Maar ook wetgever kan dor de rechter worden gecontroleerd.
o Wetgever kan rechtspraak (in algemene zin) bijsturen door de wet te
wijzigen.
Gedachte van scheiding van machten in de staat werd in 1748 door Montesquieu
geïntroduceerd. Hierin introduceerde hij de overheidstaken: wetgeving, bestuur
en rechtspraak = Trias Politica.
2
, Wetgeving = algemene verbindende voorschriften (wetten etc.)
Bestuur is de uitvoerende macht, gaat altijd om selectie van feiten bij
beslissingen en de open normen van een wet.
o Bestuur moet zelf nog aanpassingen verrichten om aan concrete
geval de wet toe te passen.
o Besturen is meer dan uitvoeren van wetten, kan ook actie zijn
waarvoor geen wet is.
Rechtspraak = beslechten van geschillen.
2de niveau van Trias het wordt pas machtenscheiding als er 3 verschillende
organen zijn die met een functie worden belast.
3de niveau van Trias als een persoon 1 functie vervult kan het geen andere
functie vervullen.
In Nederland is geen volledige machtenscheiding.
Territoriale machtenspreiding trias is niet de enige manier van
machtenscheiding maar het kan ook territoriaal. Dit is gebaseerd op
grondgebied. 3 niveaus van het bestuur en die hebben elk hun eigen
bevoegdheden.
Verschillende soorten staatsvormen:
1. Eenheidsstaat:
a. Gecentraliseerde eenheidsstaat
b. Gedecentraliseerde eenheidsstaat (dit is Nederland in Europa) =
zelfstandige bevoegdheden voor decentrale overheden maar
centrale overheid heeft over alles bevoegdheden om te beslissen.
2. Federatie (bondsstaat)
a. Bijv. Duitsland. Het kenmerk hiervan is dat het juist geen
eenheidsstaat is, niet de centrale overheid heeft het laatste woord.
Er zijn onderwerpen waar alleen de decentrale overheid over gaat.
In de Grondwet wordt geregeld welke bevoegdheden de centrale en
decentrale overheid heeft.
3. Confederatie (statenbond)
a. Provincies zijn zelf de baas en die werken samen. De macht ligt bij
de onderdelen en niet bij de centrale overheid.
De democratische rechtsstaat
Rechtsstaat = een staat waarin de organisatie is ontworpen om burgers te
beschermen tegen machtsmisbruik door de overheid. Belangrijke kenmerken van
een rechtsstaat zijn:
- Grondrechten: de staat erkent dat individuen en particulieren instellingen
recht hebben op een staatsvrije sfeer. Bijv. vrijheid van godsdienst,
meningsuiting en recht op bescherming persoonlijke levenssfeer.
- Algemene regels voor bestuursoptreden : bestuursoptreden dat bezwarend
is voor de burger, moet gebaseerd zijn op een algemene regel die de
bevoegdheid van het betreffende orgaan omschrijft.
- Vaststelling van bevoegdheden: de regels waarin de bevoegdheden van
staatsorganen zijn omschreven, moeten door een ander orgaan worden
vastgesteld.
- Onafhankelijk rechter: geschillen tussen de burger en de staat dienen te
worden beslist door een onafhankelijke en onpartijdige rechter.
3
, Democratie = een systeem van bestuur waarin de macht in handen ligt van het
vlok. Het stelt burgers in staat om actief deel te nemen aan de politieke
besluitvorming. Belangrijke aspecten:
- Kiesrecht: burgers hebben gelijke rechten om leden van de
volksvertegenwoordiging te kiezen (=actief kiesrecht) en om zelf gekozen
te worden (=passief kiesrecht).
- Openheid over machtswisseling: het moet duidelijk zijn hoe lang de
gekozen vertegenwoordigers hun functie kunnen uitoefenen en het is van
belang dat niet altijd dezelfde personen aan de macht blijven.
- Centrale rol van het Parlement: het parlement speelt een cruciale rol
binnen het staatsbestel. De volksvertegenwoordiging moet een
beslissende stem hebben bij het vaststellen van wetgeving.
De combinatie van deze twee begrippen leidt tot de term democratische
rechtsstaat: een staat die zowel democratische als rechtsstatelijke principes in
haar bestuur heeft.
Grondregels van een democratische rechtsstaat:
1. Legaliteitsbeginsel = geen bevoegdheid zonder grondslag in wet
of Grondwet
Om machtsmisbruik te voorkomen, is vastgelegd dat bevoegdheden alleen
mogen worden uitgeoefend als de Grondwet of de wet dit uitdrukkelijk toestaat.
Dit beginsel is van cruciaal belang om te waarborgen dat de bevoegdheden van
de overheid en de rechterlijke macht alleen op basis van een wettelijke grondslag
kunnen worden uitgevoerd.
2. Verantwoordingsplicht en controle
Verantwoordingsplicht = niemand kan een bevoegdheid uitoefenen zonder
verantwoording af te leggen of zonder dat er controle is op die uitoefening. Deze
controle kan verschillende vormen aannemen en is essentieel voor de
transparantie en verantwoordingsplicht binnen het bestuur.
Bestuurlijke organen moeten verantwoording afleggen aan
vertegenwoordigende organen, zoals ministers die verslag uitbrengen aan
het parlement. Ook ambtenaren hebben een verantwoordingsplicht
tegenover hun leidinggevenden.
Er is controle door de rechter op de wetgevende organen, zoals het toetsen
van lagere regelingen aan hogere regelgeving.
Hoofdstuk 2: De bronnen van het staatsrecht
Staatsrecht is de tak van recht die de organisatie en de werking van de staat
regelt.
1) De Grondwet: belangrijkste bron van staatsrecht en legt de basisprincipes
vast die de werking van de staat reguleren. De Grondwet bevat
fundamentele rechten, de organisatie van de overheid en de
bevoegdheden van verschillende staatsorganen.
2) Gewoonterechtelijke regels: ongeschreven regels die ontstaan uit de
praktijk en de traditie van staatsbestuur. Ze zijn niet vastgelegd in
geschreven documenten, maar worden erkend omdat ze algemeen
aanvaard zijn binnen de staat.
3) Wetten en algemene maatregelen van bestuur: geschreven regelingen
omvatten specifieke bepalingen die de werking van de staat in detail
regulieren. Zijn essentieel voor de dagelijkse werking van de overheid en
het rechtsstelsel.
4