Historische context Koude oorlog
Waardoor raakte Europa verdeelt in twee ideologische blokken en waardoor groeide er
spanning tussen deze blokken? (1945 – 1955)
Communisme:
Voor 1917: tsaar Nicholaas II (absoluut vorst)
Rusland vocht aan de kant van de geallieerden, maar Russische revolutie (1917). Er ontstaat een
burgeroorlog.
Er ontstond een ideaalbeeld: communistische klasseloze samenleving + wereldrevolutie.
Lenin grijpt de macht in 1922, sterft, Stalin aan de macht in 1928.
Totalitaire dictatuur met planeconomie, stalinisme
- Productiemiddelen in de hand vd staat
- 5-jaren plan: succesvol industrialisering.
- Collectivisering landbouw: sovchozen (grote landbouw voor de staat), kolchozen (iets meer
vrijheid, veel betalen aan de staat). Werken voor de staat, weinig motivatie, honger,
collectivisering geen succes
- Grote zuivering (vanaf 1934): Vijanden oppakken en naar werkkamp (goelag archipel).
- Stalinisme: propaganda en censuur, totale controle economie en kunst (socialistisch realisme),
jongerenorganisatie (Komsomol).
Kapitalisme:
Na WO1, periode economisch zeer succesvol,
1929: economische crisis.
1933: Roosevelt aan de macht, keert economisch dieptepunt
1945: Truman aan de macht
Politiek:
- Democratie
- Politieke vrijheid: meningsuiting, gelijkheid voor de wet, godsdienstvrijheid
Economisch:
- Particuliere productiemiddelen
- Gericht op winst: opbrengst van bedrijf, steken in groeien van eigen bedrijf.
De spanning loopt op:
• Conferentie van Jalta (feb. 1945): (Churchill, Roosevelt, Stalin) Oorlog in gang
- Japan verslaan
- Stalin accepteert VN
- Bezettingszones Duitsland
• Conferentie van Potsdam (jul. 1945): (Atlea, Truman, Stalin) oorlog voorbij, meer spanningen
- Truman onervaren
- Onenigheid over vredesregelingen en bezettingszones (want Du moest economische eenheid zijn)
- Amerikanen ontwikkelen atoombom (Stalin wist dit)
Atoombom op Hiroshima:
(9.6): Voeren van twee wereldoorlogen
(10.2): De koude oorlog
Japan capituleert (geeft zich over).
Stalin wilde nu ook een strategisch wapen tegen de Amerikanen.
Blokken komen tegenover elkaar te staan:
, Er werd gestreefd naar invloedssferen in de landen van Europa er ontstaan vijandbeelden
Oosten: volksdemocratieën (communistische regimes), VS zal kapitalisme uitbreiden.
Westen: vrije democratische en kapitalistische landen, SU zal steeds meer mensen communistisch
maken.
• Trumandoctrine: elk land bedreigt door het communisme heeft recht op financiële, economische en
militaire hulp. (Ontstaan uit angst voor communistische expansie.)
• Marshallplan: hulpplan gericht op economische wederopbouw van de door de oorlog getroffen
Europese landen.
Geld sturen naar Europese landen wederopbouw landen sluiten zich aan bij VS.
Stalin weigerde zag het als westers imperialisme.
1e botsing tijdens de koude oorlog:
Berlijn verdeelt in bezettingszones, maar ligt volledig in Oost-Duitsland.
Bevoorrading van West-Berlijn erg belangrijk.
• Blokkade van Berlijn (1948): De SU omsingeld West-Berlijn, bevoorrading kan niet meer. Su doet dat als
protest tegen vorming van een West-Duitse staat en gezamenlijke munt, de Duitse mark.
Berlijnse luchtbrug: met vliegtuigen worden pakketten gedropt.
Stalin heft blokkade op, want er zijn nog onderhandelingen over een West-Duitse staat.
Twee machtsblokken ontstaan:
• Nucleaire wapenwedloop: race tussen VS en SU om de meest krachtige atoomwapens te bezitten.
Vanaf 1949: twee kampen ontstaan
• NAVO (1949): militair bondgenootschap westen
• Warschaupact (1955): militair bondgenootschap oosten
1949: China wordt communistisch
• Mccarthyisme: de overtuiging dat de vijand onder ons is.
Er zijn veel communisten in VS, worden allemaal opgepakt. Wanneer hij republikeinen beschuldigt
wordt hij zelf opgepakt.
Waardoor raakte Europa verdeelt in twee ideologische blokken en waardoor groeide er
spanning tussen deze blokken? (1945 – 1955)
Communisme:
Voor 1917: tsaar Nicholaas II (absoluut vorst)
Rusland vocht aan de kant van de geallieerden, maar Russische revolutie (1917). Er ontstaat een
burgeroorlog.
Er ontstond een ideaalbeeld: communistische klasseloze samenleving + wereldrevolutie.
Lenin grijpt de macht in 1922, sterft, Stalin aan de macht in 1928.
Totalitaire dictatuur met planeconomie, stalinisme
- Productiemiddelen in de hand vd staat
- 5-jaren plan: succesvol industrialisering.
- Collectivisering landbouw: sovchozen (grote landbouw voor de staat), kolchozen (iets meer
vrijheid, veel betalen aan de staat). Werken voor de staat, weinig motivatie, honger,
collectivisering geen succes
- Grote zuivering (vanaf 1934): Vijanden oppakken en naar werkkamp (goelag archipel).
- Stalinisme: propaganda en censuur, totale controle economie en kunst (socialistisch realisme),
jongerenorganisatie (Komsomol).
Kapitalisme:
Na WO1, periode economisch zeer succesvol,
1929: economische crisis.
1933: Roosevelt aan de macht, keert economisch dieptepunt
1945: Truman aan de macht
Politiek:
- Democratie
- Politieke vrijheid: meningsuiting, gelijkheid voor de wet, godsdienstvrijheid
Economisch:
- Particuliere productiemiddelen
- Gericht op winst: opbrengst van bedrijf, steken in groeien van eigen bedrijf.
De spanning loopt op:
• Conferentie van Jalta (feb. 1945): (Churchill, Roosevelt, Stalin) Oorlog in gang
- Japan verslaan
- Stalin accepteert VN
- Bezettingszones Duitsland
• Conferentie van Potsdam (jul. 1945): (Atlea, Truman, Stalin) oorlog voorbij, meer spanningen
- Truman onervaren
- Onenigheid over vredesregelingen en bezettingszones (want Du moest economische eenheid zijn)
- Amerikanen ontwikkelen atoombom (Stalin wist dit)
Atoombom op Hiroshima:
(9.6): Voeren van twee wereldoorlogen
(10.2): De koude oorlog
Japan capituleert (geeft zich over).
Stalin wilde nu ook een strategisch wapen tegen de Amerikanen.
Blokken komen tegenover elkaar te staan:
, Er werd gestreefd naar invloedssferen in de landen van Europa er ontstaan vijandbeelden
Oosten: volksdemocratieën (communistische regimes), VS zal kapitalisme uitbreiden.
Westen: vrije democratische en kapitalistische landen, SU zal steeds meer mensen communistisch
maken.
• Trumandoctrine: elk land bedreigt door het communisme heeft recht op financiële, economische en
militaire hulp. (Ontstaan uit angst voor communistische expansie.)
• Marshallplan: hulpplan gericht op economische wederopbouw van de door de oorlog getroffen
Europese landen.
Geld sturen naar Europese landen wederopbouw landen sluiten zich aan bij VS.
Stalin weigerde zag het als westers imperialisme.
1e botsing tijdens de koude oorlog:
Berlijn verdeelt in bezettingszones, maar ligt volledig in Oost-Duitsland.
Bevoorrading van West-Berlijn erg belangrijk.
• Blokkade van Berlijn (1948): De SU omsingeld West-Berlijn, bevoorrading kan niet meer. Su doet dat als
protest tegen vorming van een West-Duitse staat en gezamenlijke munt, de Duitse mark.
Berlijnse luchtbrug: met vliegtuigen worden pakketten gedropt.
Stalin heft blokkade op, want er zijn nog onderhandelingen over een West-Duitse staat.
Twee machtsblokken ontstaan:
• Nucleaire wapenwedloop: race tussen VS en SU om de meest krachtige atoomwapens te bezitten.
Vanaf 1949: twee kampen ontstaan
• NAVO (1949): militair bondgenootschap westen
• Warschaupact (1955): militair bondgenootschap oosten
1949: China wordt communistisch
• Mccarthyisme: de overtuiging dat de vijand onder ons is.
Er zijn veel communisten in VS, worden allemaal opgepakt. Wanneer hij republikeinen beschuldigt
wordt hij zelf opgepakt.