en wiskunde
Met uitgebreide uitleg
,Inhoudsopgave
Voorbeeldpagina’s ...................................................................................................................3
Vragen ....................................................................................................................................5
Antwoorden met uitgebreide antwoordmotivering................................................................... 35
,Voorbeeldpagina’s
Vraag 1
Een leerling lost de som 18 x 25 op door eerst (10 x 25) te doen en daarna (8 x 25), en die twee
antwoorden bij elkaar op te tellen. Welke rekenstrategie heeft hij toegepast?
A) Associatieve eigenschap
B) Distributieve eigenschap (verdeeleigenschap)
C) Commutatieve eigenschap (wisseleigenschap)
D) Inverse eigenschap
Vraag 1: B (Distributieve eigenschap / verdeeleigenschap)
Uitleg: Het "splitsen" van het getal 18 in een makkelijker tiental (10) en de losse eenheden (8) om
de vermenigvuldiging in twee kleine, behapbare stukjes uit te rekenen, noemt men in de
didactiek de distributieve eigenschap (of de verdeeleigenschap).
Vraag 2
Wat is de oppervlakte van dit figuur?
A) 400 vierkante meter
B) 800 vierkante meter
C) 1.256 vierkante meter
D) 2.512 vierkante meter
Vraag 2: C
Uitleg: Vermenigvuldig de straal met de straal. Dit noteer je als volgt: (straal)2. Het kleine cijfer 2
geeft aan dat je het getal vermenigvuldigt met hetzelfde getal. In dit geval is dit: (20)2 = 20 x 20 =
400
Als je de uitkomst hebt, dan vermenigvuldig je dit met pi. Pi is gelijk aan het getal 3,14. 400 x 3,14
= 1.256 m2. Dit is de oppervlakte van de cirkel.
Vraag 3
Bij welk figuur hoort deze bouwplaat?
A)
B)
C)
D)
, Vraag 3: A
Uitleg: Om te bepalen welke kubus bij de bouwplaat hoort, moet je de bouwplaat (denkbeeldig)
vouwen. Welke vlakken komen dan aan elkaar? Welke figuren zie je dan naast elkaar? Vind je dit
lastig om dit denkbeeldig te doen? Print dan de bouwplaat uit en vouw de kubus in het echt. Als
je alle vouwlijnen vouwt, weet je dat het witte vlak aan de rechter kant nu onder het witte vlak in
het midden zit. Ook weet je dat er aan de ene kant van de ster het vierkant staat en aan de
andere kant de cirkel. De rode cirkel heeft aan de ene kant de ster en aan de andere kant de
blauwe cirkel. De blauwe cirkel heeft aan de ene kant de rode cirkel en aan de andere kant het
vierkant.
Vraag 4
Welk van deze figuren is symmetrisch?
A) De pijl en de cirkel
B) Enkel de cirkel
C) De cirkel en de zeshoek
D) de pijl en de zeshoek
Vraag 4: C
Uitleg: Symmetrie betekent dat twee helften van een object of figuur elkaars spiegelbeeld zijn en
precies op elkaar passen als je ze dubbelvouwt. Dat is het geval bij de cirkel en de zeshoek.
Vraag 5
Een winkelier verkoopt een bankstel voor €847,- inclusief 21% BTW. Hoeveel euro heeft de
winkelier aan de Belastingdienst moeten afdragen voor deze verkoop (oftewel, wat was het pure
BTW-bedrag)?
A) €147,-
B) €177,87
C) €700,-
D) €21,-
Vraag 5: A (€147,-)
Uitleg: btw-sommen (van percentage naar getal).
Het bedrag van €847,- is inclusief 21% BTW. Dat bedrag representeert in de wiskunde dus 121%.
Stap 1: Wat was 100% (de prijs zonder BTW)?
847 : 1,21 = €700,-.
Stap 2: Wat was de BTW in euro's?
847 - 700 = €147,-. (Of: 121% - 100% = 21%. 1% was €7,-. 21 x 7 = 147).