taalonderwijs Landelijke Kennistoets Taal
Nederlands (LKT)
Met uitgebreide uitleg
,Inhoudsopgave
Voorbeeldpagina’s ...................................................................................................................3
Vragen ....................................................................................................................................5
Antwoorden met uitgebreide uitleg ......................................................................................... 33
,Voorbeeldpagina’s
Vraag 1
In de taaldidactiek wordt vaak gesproken over DAT en CAT. Wat is het belangrijkste verschil
tussen de Dagelijkse Algemene Taalvaardigheid (DAT) en de Cognitieve Academische
Taalvaardigheid (CAT)?
A) DAT is bedoeld voor kinderen op de basisschool, terwijl CAT wordt gebruikt voor kinderen in
het voortgezet onderwijs.
B) DAT heeft betrekking op het abstracte schoolse taalgebruik, en CAT op de thuissituatie.
C) DAT is het alledaagse taalgebruik voor de gewone omgang, terwijl CAT het abstracte, schoolse
taalgebruik is dat nodig is om te leren.
D) DAT is uitsluitend mondeling taalgebruik, terwijl CAT uitsluitend schriftelijk taalgebruik is.
Vraag 1: C (DAT is het alledaagse taalgebruik voor de gewone omgang, terwijl CAT het
abstracte, schoolse taalgebruik is dat nodig is om te leren.)
Uitleg: DAT staat voor Dagelijkse Algemene Taalvaardigheid en betreft het alledaagse taalgebruik
voor de gewone omgang, dat kinderen thuis spelenderwijs leren. CAT staat voor Cognitieve
Academische Taalvaardigheid en is het abstracte, schoolse taalgebruik (zowel gesproken als
geschreven) dat essentieel is om op school nieuwe informatie goed te kunnen opnemen.
Vraag 2
De leerkracht stelt de volgende vraag aan een vierjarige: "Welk woord is langer: reus of
kabouter?" De leerling roept vol overtuiging: "Reus!". Welke auditieve vaardigheid beheerst dit
kind overduidelijk nog onvoldoende?
A) Auditieve discriminatie
B) Auditieve objectivatie
C) Auditieve synthese
D) Klankpositie bepalen
Vraag 2: B (Auditieve objectivatie)
Uitleg: Auditieve objectivatie is de vaardigheid om puur naar de klankvorm te luisteren, en even
afstand te nemen van de betekenis. Een kind dat "reus" antwoordt, denkt na over de betekenis
(een reus is fysiek groter dan een kabouter) en kan de betekenis nog niet loskoppelen van de
taalklank. Het woord 'kabouter' bevat immers veel meer klanken.
Vraag 3
Welk theoretisch model over het leesproces gaat ervan uit dat lezen een constante
wisselwerking is, waarbij de lezer afwisselt tussen voorspellend lezen (vanuit voorkennis) en het
woord voor woord ontcijferen (naar de letters kijken)?
A) Het bottom-upmodel
B) Het interactieve model
C) Het top-downmodel
D) Het meervoudig routemodel
, Vraag 3: B (Het interactieve model)
Uitleg: Het interactieve model is de theorie die lezen ziet als een afwisseling en wisselwerking.
De lezer maakt de ene keer gebruik van voorspellend lezen (top-down) en de andere keer leest
hij woord voor woord precies wat er staat (bottom-up).
Vraag 4
Om het woord 'web' correct te spellen, moet je weten dat het afstamt van het meervoud
'webben'. Omdat je in het meervoud duidelijk een /b/ hoort, schrijf je 'web' ook met een 'b'.
Welke specifieke sub-regel van het morfologisch principe pas je hier toe?
A) De regel van de overeenkomst
B) De regel van de gelijkvormigheid
C) De verdubbelingsregel
D) Het etymologisch principe
Vraag 4: B (De regel van de gelijkvormigheid)
Uitleg: De regel van de gelijkvormigheid houdt in dat we een morfeem (het grondwoord 'web')
steeds op dezelfde manier schrijven, onafhankelijk van hoe je het hoort als het los staat. Je
baseert de spelling op de klank die het heeft in een verlengde of verbogen vorm (webben).
Vraag 5
Hoe noemen we de vaardigheid waarbij een lezer 'tussen de regels door' leest en informatie uit
de tekst afleidt die niet letterlijk benoemd wordt, zoals de emotie van een personage?
A) Voorspellen
B) Visualiseren
C) Afleiden
D) Samenvatten
Vraag 5: C (Afleiden)
Uitleg: Afleiden is een leesstrategie waarbij de lezer tussen de regels door leest en impliciete
informatie aanvult die niet letterlijk in de tekst staat.