VWO-biologie H4: Planten
Bouw van planten:
Planten hebben op celniveau een aantal kenmerken: ze hebben een celwand, een celkern,
een grote vacuole en bladgroenkorrels. Door de bladgroenkorrels hebben (vrijwel) alle
planten groene delen, maar verder kunnen ze heel erg van elkaar verschillen:
Eencellige planten (algen): die alleen uit een cel bestaan.
Mossen: die alleen bladeren en wortels hebben.
Zaadplanten: die wortels, stengels, bladeren, bloemen en vruchten hebben. Ook
bomen behoren tot de zaadplanten.
Basisorganen van zaadplanten:
- De wortels van de plant nemen water met voedingsstoffen op uit de bodem. Een
plant heeft geen glucose en eiwitten nodig (wordt zelf gemaakt met fotosynthese)
maar wel stikstof om van glucose eiwitten te maken, en ook fosfaat en
sporenelementen (magnesium, ijzer, etc.). Deze worden met de wortels uit de
bodem opgenomen, daarom is het ook belangrijk dat de bodem voldoende
meststoffen bevat.
- De stengels verzorgen het transport van stoffen van de wortels naar de bladeren.
- In de bladeren vindt gaswisseling plaats, ook vindt hier de fotosynthese plaats.
- In de bloemen vindt bevruchting plaats: stuifmeelkorrels versmelten met de eicellen.
- De vruchten zijn de baarmoeder van de plant: hier groeien de zaden waaruit nieuwe
planten kunnen ontstaan.
Een kruidachtige plant (plant zonder houtachtige stam) ontleent zijn stevigheid aan de
spanning in de celwand -> turgor (waterdruk vanuit de cel). Plantaardige cel is door de
aanwezigheid van zouten in het celvocht meestal hypertonisch.
De elastische celwand gaat bij toename van de turgor (bij meer wateropname) meer
tegendruk/ wanddruk uitoefenen tot de cel zijn max. uitgerekte toestand heeft bereikt ->
turgescent; wanddruk en turgor zijn even groot (te vergelijken met opgeblazen ballon),
meest wenselijke toestand.
Echter, in een hypertonisch milieu of als cel veel water verdampt en geen water opneemt zal
de cel in grensplasmolyse raken; wanddruk en turgor zijn beide tot nul afgenomen. Cel is
kleinste omvang.
Als de oplossing buiten de cel hypertonisch blijft en meer watermoleculen naar buiten
diffunderen, raakt de cel in plasmolyse; celinhoud krimpt. Hoe groter het verschil in
osmotische waarde, des te sterker de plasmolyse is. Als de cel niet te lang in deze toestand
blijft kan deze weer turgescent worden als de osmotische waarde buiten de cel afneemt.
, Kruitachtige en houtachtige planten krijgen ook stevigheid door de aanwezigheid van
houtvaten (houtstof) en vezels (houtstof en cellulose), oorspronkelijke cellen zijn
afgestorven en zijn alleen stevige wanden overgebleven.
Door de verhoute stammen (bij bomen en struiken, met jaarringen) en vezelbundels langs
vaatbundels, krijgen de wortels en stengels stevigheid. Bij deze soorten speelt turgor dan
ook nauwelijks een rol voor stevigheid.
Transport:
Binnen een plant vinden verschillende vormen van transport plaats:
*Transport van de gassen zuurstof en koolstofdioxide vindt in een zaadplant plaats via de
intercellulaire ruimten: de ruimte tussen stengels -> deze bevinden zich overal: in de wortel,
de stengel en vooral in het blad. Gassen kunnen de plant binnenkomen en verlaten door
middel van diffusie door de opperhuid. In de stengel en het blad wordt diffusie
gemakkelijker gemaakt doordat huidmondjes aanwezig zijn -> cellen in een soort cirkelvorm
met daartussen een opening. Deze cellen – de sluitcellen- kunnen van vorm veranderen,
waarbij zij zich openen of juist sluiten. Sluiten is belangrijk om zo sterke verdamping tegen te
gaan. De speciale bouw van de celwanden van de sluitcellen zorgt dat het huidmondje bij
een hoge turgor open is, en bij een lage turgor gesloten. De turgor is afhankelijk van de
fotosynthese is de sluitcellen; de glucoseconcentratie en waterconcentratie veranderen bij
meer of minder fotosynthese. Bij minder fotosynthese maken de sluitcellen minder glucose
waardoor water de cel verlaat en de turgor afneemt: de huidmondjes sluiten.
*Transport van water met opgeloste stoffen vindt bij zaadplanten plaats in de vaatbundels,
deze vormen een doorlopend systeem in de gehele plant en bevatten twee soorten vaten:
hout- en bastvaten. Houtvaten (xyleem) ontstaan doordat bij boven elkaar liggende cellen
de tussenwanden en cytoplasma verdwijnen. De zijwanden kunnen op vele manieren verdikt
zijn door cellulose en houtstof. Houtvaten vervoeren vanuit de wortel naar alle delen van de
plant, omdat zouten anorganisch zijn spreken we van anorganische sapstroom. Bij
bastvaten (floëem) verdwijnen de wanden tussen boven elkaar gelegen cellen niet, maar er
komen gaatjes in, ook cytoplasma verdwijnt niet. Bastvaten dienen voor het vervoer van in
water opgeloste organische stoffen vanuit de bladeren naar alle delen van de plant. Dit zijn
vooral suikers, maar ook andere organische stoffen zoals aminozuren -> organische
sapstroom. In de wortel bevinden de beide soorten vaten zich binnen de centrale cilinder
naast elkaar. In de stengel liggen de hout- en bastvaten achter elkaar: bastvaten aan de
buitenkant en de houtvaten aan de binnenkant. Bij de bladeren liggen de bast- en houtvaten
in de nerven: de houtvaten aan de bovenkant en bastvaten aan de onderkant.
Organische sapstroom gebeurt door actief transport, met behulp van enzymen.
Bouw van planten:
Planten hebben op celniveau een aantal kenmerken: ze hebben een celwand, een celkern,
een grote vacuole en bladgroenkorrels. Door de bladgroenkorrels hebben (vrijwel) alle
planten groene delen, maar verder kunnen ze heel erg van elkaar verschillen:
Eencellige planten (algen): die alleen uit een cel bestaan.
Mossen: die alleen bladeren en wortels hebben.
Zaadplanten: die wortels, stengels, bladeren, bloemen en vruchten hebben. Ook
bomen behoren tot de zaadplanten.
Basisorganen van zaadplanten:
- De wortels van de plant nemen water met voedingsstoffen op uit de bodem. Een
plant heeft geen glucose en eiwitten nodig (wordt zelf gemaakt met fotosynthese)
maar wel stikstof om van glucose eiwitten te maken, en ook fosfaat en
sporenelementen (magnesium, ijzer, etc.). Deze worden met de wortels uit de
bodem opgenomen, daarom is het ook belangrijk dat de bodem voldoende
meststoffen bevat.
- De stengels verzorgen het transport van stoffen van de wortels naar de bladeren.
- In de bladeren vindt gaswisseling plaats, ook vindt hier de fotosynthese plaats.
- In de bloemen vindt bevruchting plaats: stuifmeelkorrels versmelten met de eicellen.
- De vruchten zijn de baarmoeder van de plant: hier groeien de zaden waaruit nieuwe
planten kunnen ontstaan.
Een kruidachtige plant (plant zonder houtachtige stam) ontleent zijn stevigheid aan de
spanning in de celwand -> turgor (waterdruk vanuit de cel). Plantaardige cel is door de
aanwezigheid van zouten in het celvocht meestal hypertonisch.
De elastische celwand gaat bij toename van de turgor (bij meer wateropname) meer
tegendruk/ wanddruk uitoefenen tot de cel zijn max. uitgerekte toestand heeft bereikt ->
turgescent; wanddruk en turgor zijn even groot (te vergelijken met opgeblazen ballon),
meest wenselijke toestand.
Echter, in een hypertonisch milieu of als cel veel water verdampt en geen water opneemt zal
de cel in grensplasmolyse raken; wanddruk en turgor zijn beide tot nul afgenomen. Cel is
kleinste omvang.
Als de oplossing buiten de cel hypertonisch blijft en meer watermoleculen naar buiten
diffunderen, raakt de cel in plasmolyse; celinhoud krimpt. Hoe groter het verschil in
osmotische waarde, des te sterker de plasmolyse is. Als de cel niet te lang in deze toestand
blijft kan deze weer turgescent worden als de osmotische waarde buiten de cel afneemt.
, Kruitachtige en houtachtige planten krijgen ook stevigheid door de aanwezigheid van
houtvaten (houtstof) en vezels (houtstof en cellulose), oorspronkelijke cellen zijn
afgestorven en zijn alleen stevige wanden overgebleven.
Door de verhoute stammen (bij bomen en struiken, met jaarringen) en vezelbundels langs
vaatbundels, krijgen de wortels en stengels stevigheid. Bij deze soorten speelt turgor dan
ook nauwelijks een rol voor stevigheid.
Transport:
Binnen een plant vinden verschillende vormen van transport plaats:
*Transport van de gassen zuurstof en koolstofdioxide vindt in een zaadplant plaats via de
intercellulaire ruimten: de ruimte tussen stengels -> deze bevinden zich overal: in de wortel,
de stengel en vooral in het blad. Gassen kunnen de plant binnenkomen en verlaten door
middel van diffusie door de opperhuid. In de stengel en het blad wordt diffusie
gemakkelijker gemaakt doordat huidmondjes aanwezig zijn -> cellen in een soort cirkelvorm
met daartussen een opening. Deze cellen – de sluitcellen- kunnen van vorm veranderen,
waarbij zij zich openen of juist sluiten. Sluiten is belangrijk om zo sterke verdamping tegen te
gaan. De speciale bouw van de celwanden van de sluitcellen zorgt dat het huidmondje bij
een hoge turgor open is, en bij een lage turgor gesloten. De turgor is afhankelijk van de
fotosynthese is de sluitcellen; de glucoseconcentratie en waterconcentratie veranderen bij
meer of minder fotosynthese. Bij minder fotosynthese maken de sluitcellen minder glucose
waardoor water de cel verlaat en de turgor afneemt: de huidmondjes sluiten.
*Transport van water met opgeloste stoffen vindt bij zaadplanten plaats in de vaatbundels,
deze vormen een doorlopend systeem in de gehele plant en bevatten twee soorten vaten:
hout- en bastvaten. Houtvaten (xyleem) ontstaan doordat bij boven elkaar liggende cellen
de tussenwanden en cytoplasma verdwijnen. De zijwanden kunnen op vele manieren verdikt
zijn door cellulose en houtstof. Houtvaten vervoeren vanuit de wortel naar alle delen van de
plant, omdat zouten anorganisch zijn spreken we van anorganische sapstroom. Bij
bastvaten (floëem) verdwijnen de wanden tussen boven elkaar gelegen cellen niet, maar er
komen gaatjes in, ook cytoplasma verdwijnt niet. Bastvaten dienen voor het vervoer van in
water opgeloste organische stoffen vanuit de bladeren naar alle delen van de plant. Dit zijn
vooral suikers, maar ook andere organische stoffen zoals aminozuren -> organische
sapstroom. In de wortel bevinden de beide soorten vaten zich binnen de centrale cilinder
naast elkaar. In de stengel liggen de hout- en bastvaten achter elkaar: bastvaten aan de
buitenkant en de houtvaten aan de binnenkant. Bij de bladeren liggen de bast- en houtvaten
in de nerven: de houtvaten aan de bovenkant en bastvaten aan de onderkant.
Organische sapstroom gebeurt door actief transport, met behulp van enzymen.