VWO biologie H6: Hart en
bloedvaten
Bloed bestaat uit:
Bloedplasma, met veel stoffen daarin:
- Voedingsstoffen.
- Zuurstof
- Hormonen
- Antistoffen tegen ziekteverwekkers
- Koolstofdioxide
- Afvalstoffen
Bloedcellen:
- Rode bloedcellen (erytrocyten, vervoeren zuurstof).
- Witte bloedcellen (leukocyten, betrokken bij afweer).
Bloedplaatjes (voor bloedstolling).
Zouten en eiwitten (opgelost in het bloedplasma).
Samenstelling van bloed -> Binas 84H.
Bloedplasma:
Bestaat voor 90% uit water, in dit water zijn zouten en bloedeiwitten
opgelost. Een van deze bloedeiwitten is fibrinogeen, deze heeft een
functie bij de bloedstolling. Bloedplasma heeft als belangrijke functie het
transport van stoffen, ook wordt er warmte vervoerd. Deze warmte
ontstaat bij de dissimilatie. Warmte verlaat via de huid het lichaam, zodat
lichaamscellen niet te sterk stijgen in temp.
Rode bloedcellen:
Volgroeide rode bloedcellen bezitten geen kern en hebben een levensduur
van ong. vier maanden. Nieuwe bloedcellen ontstaan in het rode
beenmerg, deze bevindt zich binnen een aantal onderdelen van het
skelet. Dode cellen worden afgebroken in de lever, het rode beenmerg en
in de milt. Zijn belangrijk voor de transport van zuurstof, bindt zich aan het
hemoglobine, een rode kleurstof die zich bevindt in de rode bloedcellen.
Hb bestaat uit het eiwit globine met daaraan vier heemgroepen, midden
in elke heemgroep bevindt zich een ijzerion. Hoeveel zuurstof er bindt aan
Hb, hangt af van de concentratie zuurstof in het bloed en in de weefsels.
CO2 bindt deels aan Hb, maar lost vooral op in het bloedplasma. Hoe
groter het verschil, hoe meer diffusie er plaatsvindt. De hvl zuurstof die
bindt aan Hb is afhankelijk van:
De zuurstofspanning in de weefsels.
Het CO2 gehalte in de weefsels.
, De temp. In de weefsels, hoe hoger de temp, hoe makkelijker O2
bindt aan Hb.
Witte bloedcellen:
Functie is het onschadelijk maken van vooral bacteriën. Komen in
verschillende vormen in het bloed voor, twee type die besproken
worden: fagocyten en de lymfocyten.
Fagocyten ontstaan in het rode beenmerg, hebben geen vaste vorm,
hierdoor kunnen zij zich door de wanden van de haarvaten wringen en ook
buiten de bloedvaten hun werk doen. Zij maken bacteriën onschadelijk
door deze met uitstulpingen te omgeven, ze zo binnen de cel op te nemen
en dan te verteren.
Lymfocyten ontstaat in het rode beenmerg maar ontwikkelen zich verder
in de lymfeknopen en in de milt. Zij vormen antistoffen om bacteriën
(enzo) onschadelijk te maken.
Dode witte bloedcellen en dode of levende ziekteverwekkers vormen
samen etter of pus.
Bloedplaatjes:
Dit zijn geen cellen, maar delen van cellen die uiteengevallen zijn. Zij
ontstaan in het rode beenmerg en spelen een rol bij de bloedstolling.
Bloedstolling:
Dit is een ingewikkelde reeks van processen, Binas 84O.
Als bij een verwonding bloedvaten zijn beschadigd gaat de wond bloeden,
hierdoor worden bloedvaatjes geactiveerd. Via een keten van omzettingen
ontstaat daardoor uiteindelijk fibrine -> bestaat uit draadvormige
moleculen. Er blijven bloedcellen en bloedplaatjes tussen hangen en zo
ontstaat een stolsel, de trombus, die uitwendig is te zien als een korstje.
In het bloedplasma is een groot aantal stoffen aanwezig dat bij
bloedstolling een rol speelt, de meeste zijn inactieve enzymen. Ook
bevat het bloed nog diverse stollingsremmende stoffen. Uit de kapotte
bloedplaatjes en uit de kapotte weefselcellen komt de stof trombokinase
vrij -> zorgt er via een aantal tussenstappen voor dat de inactieve
protrombine wordt omgezet in de actieve trombine. Deze stof katalyseert
de omzetting van het eiwit fibrinogeen in fibrine. Schema van de
bloedstolling:
bloedvaten
Bloed bestaat uit:
Bloedplasma, met veel stoffen daarin:
- Voedingsstoffen.
- Zuurstof
- Hormonen
- Antistoffen tegen ziekteverwekkers
- Koolstofdioxide
- Afvalstoffen
Bloedcellen:
- Rode bloedcellen (erytrocyten, vervoeren zuurstof).
- Witte bloedcellen (leukocyten, betrokken bij afweer).
Bloedplaatjes (voor bloedstolling).
Zouten en eiwitten (opgelost in het bloedplasma).
Samenstelling van bloed -> Binas 84H.
Bloedplasma:
Bestaat voor 90% uit water, in dit water zijn zouten en bloedeiwitten
opgelost. Een van deze bloedeiwitten is fibrinogeen, deze heeft een
functie bij de bloedstolling. Bloedplasma heeft als belangrijke functie het
transport van stoffen, ook wordt er warmte vervoerd. Deze warmte
ontstaat bij de dissimilatie. Warmte verlaat via de huid het lichaam, zodat
lichaamscellen niet te sterk stijgen in temp.
Rode bloedcellen:
Volgroeide rode bloedcellen bezitten geen kern en hebben een levensduur
van ong. vier maanden. Nieuwe bloedcellen ontstaan in het rode
beenmerg, deze bevindt zich binnen een aantal onderdelen van het
skelet. Dode cellen worden afgebroken in de lever, het rode beenmerg en
in de milt. Zijn belangrijk voor de transport van zuurstof, bindt zich aan het
hemoglobine, een rode kleurstof die zich bevindt in de rode bloedcellen.
Hb bestaat uit het eiwit globine met daaraan vier heemgroepen, midden
in elke heemgroep bevindt zich een ijzerion. Hoeveel zuurstof er bindt aan
Hb, hangt af van de concentratie zuurstof in het bloed en in de weefsels.
CO2 bindt deels aan Hb, maar lost vooral op in het bloedplasma. Hoe
groter het verschil, hoe meer diffusie er plaatsvindt. De hvl zuurstof die
bindt aan Hb is afhankelijk van:
De zuurstofspanning in de weefsels.
Het CO2 gehalte in de weefsels.
, De temp. In de weefsels, hoe hoger de temp, hoe makkelijker O2
bindt aan Hb.
Witte bloedcellen:
Functie is het onschadelijk maken van vooral bacteriën. Komen in
verschillende vormen in het bloed voor, twee type die besproken
worden: fagocyten en de lymfocyten.
Fagocyten ontstaan in het rode beenmerg, hebben geen vaste vorm,
hierdoor kunnen zij zich door de wanden van de haarvaten wringen en ook
buiten de bloedvaten hun werk doen. Zij maken bacteriën onschadelijk
door deze met uitstulpingen te omgeven, ze zo binnen de cel op te nemen
en dan te verteren.
Lymfocyten ontstaat in het rode beenmerg maar ontwikkelen zich verder
in de lymfeknopen en in de milt. Zij vormen antistoffen om bacteriën
(enzo) onschadelijk te maken.
Dode witte bloedcellen en dode of levende ziekteverwekkers vormen
samen etter of pus.
Bloedplaatjes:
Dit zijn geen cellen, maar delen van cellen die uiteengevallen zijn. Zij
ontstaan in het rode beenmerg en spelen een rol bij de bloedstolling.
Bloedstolling:
Dit is een ingewikkelde reeks van processen, Binas 84O.
Als bij een verwonding bloedvaten zijn beschadigd gaat de wond bloeden,
hierdoor worden bloedvaatjes geactiveerd. Via een keten van omzettingen
ontstaat daardoor uiteindelijk fibrine -> bestaat uit draadvormige
moleculen. Er blijven bloedcellen en bloedplaatjes tussen hangen en zo
ontstaat een stolsel, de trombus, die uitwendig is te zien als een korstje.
In het bloedplasma is een groot aantal stoffen aanwezig dat bij
bloedstolling een rol speelt, de meeste zijn inactieve enzymen. Ook
bevat het bloed nog diverse stollingsremmende stoffen. Uit de kapotte
bloedplaatjes en uit de kapotte weefselcellen komt de stof trombokinase
vrij -> zorgt er via een aantal tussenstappen voor dat de inactieve
protrombine wordt omgezet in de actieve trombine. Deze stof katalyseert
de omzetting van het eiwit fibrinogeen in fibrine. Schema van de
bloedstolling: