VWO biologie H8 voeding en
vertering
Brandstof van ons lichaam= glucose.
Voedingsstoffen:
Zijn stoffen uit onze voeding die we opnemen in ons bloed, in ons intern
milieu:
Eiwitten.
Koolhydraten.
Vetten.
Vitaminen.
Mineralen.
Water.
Ook hebben we voedingsvezels nodig, stimuleren onze darmperistaltiek.
Blijven echter in de darmen dus niet in het interne milieu, tellen we niet
als voedingsstoffen.
Eiwitten:
Zijn belangrijke bouwstoffen voor de cellen, dienen als: celskelet,
kanaaleiwitten voor transport en enzymen die processen versnellen. Ook
receptoren, antistoffen en signaalstoffen die betrokken zijn bij de afweer,
bestaan uit eiwitten. Eiwitten zijn opgebouwd uit ketens van aminozuren
-> 20 aminozuren komen er voor. Meeste aminozuren kan het lichaam zelf
omvormen tot andere aminozuren. Bij 9 aminozuren kan ons lichaam dit
niet -> essentiële aminozuren, deze moeten we dus voldoende via het
voedsel binnenkrijgen. 11 niet- essentiële aminozuren.
In een eiwit kunnen honderden aminozuren op verschillende manieren aan
elkaar gekoppeld zijn, verandering van 1 aminozuur geeft het molecuul
andere eigenschappen en dus een ander eiwit.
Verschillende moleculen die opgebouwd zijn uit aminozuren:
Dipeptiden: twee aan elkaar gekoppelde aminozuren.
Polypeptiden: lange keten van aminozuren.
Eiwitten: kan een enkelvoudige polypeptideketen zijn, maar kan ook
bestaan uit enkele zijdelings aan elkaar verbonden
polypeptideketens.
Vertering van eiwitten gaat in stappen, eerst worden er polypeptiden
gevormd, die vervolgens worden afgebroken in dipeptiden. Deze woorden
daarna afgebroken tot aminozuren.
Vetten:
, Ofwel lipiden zijn opgebouwd uit een glycerolmolecuul met daaraan
gekoppeld drie moleculen vetzuur.
In dierlijke vetten komen vooral verzadigde vetzuren voor; belangrijkste
daarvan zijn palmitinezuur en stearinezuur -> heten verzadigd omdat ze
geen enkele dubbele binding in hun lange koolstofketens hebben. Er
komen ook onverzadigde vetzuren voor. Het enkelvoudig onverzadigd
vetzuur oliezuur (C17H33COOH) heeft 1 dubbele binding. Bij meervoudige
onverzadigde vetzuren zijn er twee of zelfs die dubbele bindingen tussen
koolstofatomen. Binas 67G.
In de cellen van het menselijk lichaam kunnen alleen verzadigde vetzuren
en enkelvoudige onverzadigde vetzuren worden gemaakt -> worden
gemaakt uit kleinere, eenvoudigere vetzuren. De meervoudig
onverzadigde vetzuren moeten via de voeding worden opgenomen -> zijn
daarom essentiële vetzuren.
In celmembranen komen op vetten gelijkende stoffen voor, fosfolipiden.
Koolhydraten of sachariden:
De meest eenvoudige koolhydraten (of suikers) hebben een koolstofketen
van vijf of zes koolstofatomen. Veel namen van suikers eindigen op -ose.
Er zijn verschillende soorten suikers:
Monosachariden: zijn stoffen met maar 1 suikergroep.
Belangrijkste in ons lichaam zijn: glucose, fructose, dextrose, ribose
en galactose.
Disachariden: zijn twee aan elkaar gekoppelde monosachariden. In
ons lichaam komt maltose veel voor (twee glucosemoleculen) en
sacharose (een glucose- en fructosemolecuul).
Polysachariden: zijn lange ketens van suikers, zoals zetmeel,
glycogeen en cellulose.
Zetmeel is een belangrijke reservebrandstof voor planten, opgebouwd uit
een lange keten van glucose- eenheden, die als geheel weer een groot
molecuul vormen.
In ons voedsel nemen we koolhydraten vooral op als zetmeel, door
spijsverteringsenzymen wordt dit via maltose omgezet in glucose.
Glycogeen komt als reservebrandstof voor bij dieren, is opgebouwd uit
zo’n 30.000 glucose- eenheden per molecuul.
Cellulose is de meest algemene bouwstof van de verdikking laag van de
celwand bij planten, vormt lange vezels -> deze ontstaan door vele
waterstofbruggen waardoor celluloseketens stevig met elkaar zijn
verbonden.
vertering
Brandstof van ons lichaam= glucose.
Voedingsstoffen:
Zijn stoffen uit onze voeding die we opnemen in ons bloed, in ons intern
milieu:
Eiwitten.
Koolhydraten.
Vetten.
Vitaminen.
Mineralen.
Water.
Ook hebben we voedingsvezels nodig, stimuleren onze darmperistaltiek.
Blijven echter in de darmen dus niet in het interne milieu, tellen we niet
als voedingsstoffen.
Eiwitten:
Zijn belangrijke bouwstoffen voor de cellen, dienen als: celskelet,
kanaaleiwitten voor transport en enzymen die processen versnellen. Ook
receptoren, antistoffen en signaalstoffen die betrokken zijn bij de afweer,
bestaan uit eiwitten. Eiwitten zijn opgebouwd uit ketens van aminozuren
-> 20 aminozuren komen er voor. Meeste aminozuren kan het lichaam zelf
omvormen tot andere aminozuren. Bij 9 aminozuren kan ons lichaam dit
niet -> essentiële aminozuren, deze moeten we dus voldoende via het
voedsel binnenkrijgen. 11 niet- essentiële aminozuren.
In een eiwit kunnen honderden aminozuren op verschillende manieren aan
elkaar gekoppeld zijn, verandering van 1 aminozuur geeft het molecuul
andere eigenschappen en dus een ander eiwit.
Verschillende moleculen die opgebouwd zijn uit aminozuren:
Dipeptiden: twee aan elkaar gekoppelde aminozuren.
Polypeptiden: lange keten van aminozuren.
Eiwitten: kan een enkelvoudige polypeptideketen zijn, maar kan ook
bestaan uit enkele zijdelings aan elkaar verbonden
polypeptideketens.
Vertering van eiwitten gaat in stappen, eerst worden er polypeptiden
gevormd, die vervolgens worden afgebroken in dipeptiden. Deze woorden
daarna afgebroken tot aminozuren.
Vetten:
, Ofwel lipiden zijn opgebouwd uit een glycerolmolecuul met daaraan
gekoppeld drie moleculen vetzuur.
In dierlijke vetten komen vooral verzadigde vetzuren voor; belangrijkste
daarvan zijn palmitinezuur en stearinezuur -> heten verzadigd omdat ze
geen enkele dubbele binding in hun lange koolstofketens hebben. Er
komen ook onverzadigde vetzuren voor. Het enkelvoudig onverzadigd
vetzuur oliezuur (C17H33COOH) heeft 1 dubbele binding. Bij meervoudige
onverzadigde vetzuren zijn er twee of zelfs die dubbele bindingen tussen
koolstofatomen. Binas 67G.
In de cellen van het menselijk lichaam kunnen alleen verzadigde vetzuren
en enkelvoudige onverzadigde vetzuren worden gemaakt -> worden
gemaakt uit kleinere, eenvoudigere vetzuren. De meervoudig
onverzadigde vetzuren moeten via de voeding worden opgenomen -> zijn
daarom essentiële vetzuren.
In celmembranen komen op vetten gelijkende stoffen voor, fosfolipiden.
Koolhydraten of sachariden:
De meest eenvoudige koolhydraten (of suikers) hebben een koolstofketen
van vijf of zes koolstofatomen. Veel namen van suikers eindigen op -ose.
Er zijn verschillende soorten suikers:
Monosachariden: zijn stoffen met maar 1 suikergroep.
Belangrijkste in ons lichaam zijn: glucose, fructose, dextrose, ribose
en galactose.
Disachariden: zijn twee aan elkaar gekoppelde monosachariden. In
ons lichaam komt maltose veel voor (twee glucosemoleculen) en
sacharose (een glucose- en fructosemolecuul).
Polysachariden: zijn lange ketens van suikers, zoals zetmeel,
glycogeen en cellulose.
Zetmeel is een belangrijke reservebrandstof voor planten, opgebouwd uit
een lange keten van glucose- eenheden, die als geheel weer een groot
molecuul vormen.
In ons voedsel nemen we koolhydraten vooral op als zetmeel, door
spijsverteringsenzymen wordt dit via maltose omgezet in glucose.
Glycogeen komt als reservebrandstof voor bij dieren, is opgebouwd uit
zo’n 30.000 glucose- eenheden per molecuul.
Cellulose is de meest algemene bouwstof van de verdikking laag van de
celwand bij planten, vormt lange vezels -> deze ontstaan door vele
waterstofbruggen waardoor celluloseketens stevig met elkaar zijn
verbonden.