VWO biologie H15:
Erfelijkheid
Genotype en fenotype:
Op elk chromosoom ligt een aantal verschillende genen. Een gen voor een
bepaalde eigenschap ligt voor (vrijwel) iedereen op hetzelfde
chromosomenpaar. De erfelijke informatie van een organisme die in de
celkern aanwezig is ->= genotype. Alle genen samen in elk van de cellen
bepalen het totale genotype van het individu. De informatie van de genen
voor oogkleur op het paar chromosomen noemen we dus het genotype. De
vertaling van deze informatie naar een waarneembaar kenmerk ->=
fenotype: het uiterlijke kenmerk van het hebben van bijv. blauwe ogen bij
de mens heet het fenotype.
Bij de mens bijv. vinden we op de beide chromosomen van een
chromosomenpaar de genen met erfelijke informatie voor de haarvorm. De
erfelijke informatie is in een bepaalde vorm aanwezig: genetische code.
Het genotype kan dan twee keer een code voor stijl haar zijn, het fenotype
is dan stijl haar. Verschijningsvorm van zo’n gen= allel. Gen voor oogkleur
kan verschillende allelen hebben: een allel voor groene ogen en een allelel
voor bruine ogen bijv.
Het fenotype wordt niet alleen door het genotype bepaald -> kunnen ook
invloeden van buitenaf een rol spelen. Stijl haar + krultang -> krullend
haar, fenotype veranderd, maar genotype blijft gewoon hetzelfde, krultang
is een invloed van buitenaf. Maar ook milieufactoren kunnen het fenotype
bepalen, zoals: licht, bodem, water, voeding en temperatuur -> dit zijn
allemaal omgevingsfactoren. Het fenotype van een organisme vertoont
dus ook niet- erfelijke kenmerken, deze worden niet door het genotype
bepaald.
Monohybride kruisingen:
Als je iets te weten wilt komen over de overerving van erfelijke
kenmerken, doe je dit door het uitvoeren van kruisingen -> letten op een
bepaald erfelijk kenmerk bij de ouders en hun nakomelingen. Kijk je naar
een kruising waarbij een gen betrokken is= monohybride kruising.
Voorbeeld: Twee ouders met beide twee
verschillende allelen voor oogkleur 1
blauw en 1 rood. Voor de kinderen
zijn er vier opties:
1. Krijgen van beide ouders allel
voor blauwe ogen.
2. Krijgen van beide ouders allel
voor rode ogen.
3. Krijgt van vader allel blauwe
ogen en moeder allel rode
ogen.
4. Krijgt van vader allel rode ogen
Erfelijkheid
Genotype en fenotype:
Op elk chromosoom ligt een aantal verschillende genen. Een gen voor een
bepaalde eigenschap ligt voor (vrijwel) iedereen op hetzelfde
chromosomenpaar. De erfelijke informatie van een organisme die in de
celkern aanwezig is ->= genotype. Alle genen samen in elk van de cellen
bepalen het totale genotype van het individu. De informatie van de genen
voor oogkleur op het paar chromosomen noemen we dus het genotype. De
vertaling van deze informatie naar een waarneembaar kenmerk ->=
fenotype: het uiterlijke kenmerk van het hebben van bijv. blauwe ogen bij
de mens heet het fenotype.
Bij de mens bijv. vinden we op de beide chromosomen van een
chromosomenpaar de genen met erfelijke informatie voor de haarvorm. De
erfelijke informatie is in een bepaalde vorm aanwezig: genetische code.
Het genotype kan dan twee keer een code voor stijl haar zijn, het fenotype
is dan stijl haar. Verschijningsvorm van zo’n gen= allel. Gen voor oogkleur
kan verschillende allelen hebben: een allel voor groene ogen en een allelel
voor bruine ogen bijv.
Het fenotype wordt niet alleen door het genotype bepaald -> kunnen ook
invloeden van buitenaf een rol spelen. Stijl haar + krultang -> krullend
haar, fenotype veranderd, maar genotype blijft gewoon hetzelfde, krultang
is een invloed van buitenaf. Maar ook milieufactoren kunnen het fenotype
bepalen, zoals: licht, bodem, water, voeding en temperatuur -> dit zijn
allemaal omgevingsfactoren. Het fenotype van een organisme vertoont
dus ook niet- erfelijke kenmerken, deze worden niet door het genotype
bepaald.
Monohybride kruisingen:
Als je iets te weten wilt komen over de overerving van erfelijke
kenmerken, doe je dit door het uitvoeren van kruisingen -> letten op een
bepaald erfelijk kenmerk bij de ouders en hun nakomelingen. Kijk je naar
een kruising waarbij een gen betrokken is= monohybride kruising.
Voorbeeld: Twee ouders met beide twee
verschillende allelen voor oogkleur 1
blauw en 1 rood. Voor de kinderen
zijn er vier opties:
1. Krijgen van beide ouders allel
voor blauwe ogen.
2. Krijgen van beide ouders allel
voor rode ogen.
3. Krijgt van vader allel blauwe
ogen en moeder allel rode
ogen.
4. Krijgt van vader allel rode ogen