VWO biologie H18 ecologie
Ecologie gaat over de interactie tussen organismen en hun omgeving.
Organisatieniveaus: populaties, levensgemeenschappen en ecosystemen.
Begrippen in ecosystemen:
De biosfeer is het gedeelte van de aarde en de dampkring waar
zich gewoonlijk de organismen bevinden.
Ecosystemen: zijn de begrensde delen van een gebied, bv:
toendra’s, savannen en tropisch regenwouden kunnen een enorme
omvang hebben. Of een meer.
Een biotoop: is het geheel van abiotische factoren in een
ecosysteem.
Een levensgemeenschap is het geheel van biotische factoren in
een ecosysteem.
Een populatie: is een groep individuen van dezelfde soort die in
een bepaald gebied een voortplantingsgemeenschap vormt.
De habitat is de plaats binnen een ecosysteem waar een bepaalde
soort leeft
Biotische en abiotische factoren:
Organismen kunnen alleen overleven als de omstandigheden goed zijn:
temp maar ook voedsel en ruimte om een nest te bouwen. Levende
factoren/ biotische factoren en niet- levende factoren/ abiotische
factoren.
Abiotische factoren:
Temperatuur
Water
Licht
Lucht
Bodem, hierin zit mengsel van organische stoffen, anorganische
stoffen en micro- organismen: humus.
Biotische factoren:
Soortgenoten
Aanwezigheid van prooidieren
Aanwezigheid van roofdieren/ predatoren.
Voedselrelaties:
Organismen kunnen verschillende voedselrelaties met elkaar hebben:
concurrentie, predatie en symbiose.
, Concurrentie treedt op als een bepaalde milieufactor beperkt is,
individuen gaan dan onderling de strijd aan om een beetje eten dat er nog
is, of de beste ruimte. Verdedigen van je woongebied tegen soortgenoten,
gebied is dan het territorium.
Predatie is de situatie tussen dieren waarbij het ene dier (de predator)
het andere dier (de prooi) doodt en als voedsel gebruikt -> gemakkelijkste
prooi wordt gevangen. Prooidieren hebben allerlei aanpassingen om
predatie te vermijden, zoals schutkleur of goed gehoor.
Symbiose, hierbij leven organismen met elkaar samen en profiteren van
elkaar, ze eten elkaar niet op en zijn geen concurrenten van elkaar. Drie
soorten symbiose: parasitisme, commensalisme en mutualisme.
Parasitisme hierbij is er een relatie tussen twee soorten, waarbij de
ene soort (de parasiet) leeft ten koste van de andere (de gastheer).
De parasiet heeft daarvan voordeel (voedsel, beschutting), terwijl de
gastheer nadeel ondervindt (minder voedsel, beschadiging).
Commensalisme hierbij leven individuen van verschillende soorten
met elkaar en individuen van de ene soort hebben daarvan voordeel
en individuen van de andere soort hebben geen voordeel maar ook
geen nadeel.
Mutualisme symbiose van individuen van twee soorten, waarbij
beide voordeel ondervinden heet mutualisme -> zijn zo afhankelijk
van elkaar dat ze niet zonder elkaar kunnen leven. Komt val voor
tussen zoogdieren of vogels en anderzijds bacteriën
Coöperatie:
Tussen organismen van dezelfde soort is coöperatie (samenwerking) een
veelvoorkomend verschijnsel -> ze kunnen onafhankelijk van elkaar leven,
maar coöperatie biedt voordelen.
Dynamiek in ecosystemen:
Het aantal organismen in een ecosysteem en het aantal individuen in een
populatie is niet stabiel, maar schommelt. Heeft met een aantal aspecten
te maken:
Tolerantiegrenzen: Dat bepaalde organismen wel en andere niet
voorkomen in een gebied, hangt samen met de eisen die ze aan hun
omgeving stellen -> levensbehoeften, hieraan geldt een
minimumwaarde. Elke factor moet een minimale waarde hebben,
anders kan het organisme niet overleven (vaak geldt er ook een
maximum). Het minimum en het maximum vormen de
tolerantiegrenzen van een organisme voor een bepaalde factor,
tussen die grenzen ligt het tolerantiegebied. In het
Ecologie gaat over de interactie tussen organismen en hun omgeving.
Organisatieniveaus: populaties, levensgemeenschappen en ecosystemen.
Begrippen in ecosystemen:
De biosfeer is het gedeelte van de aarde en de dampkring waar
zich gewoonlijk de organismen bevinden.
Ecosystemen: zijn de begrensde delen van een gebied, bv:
toendra’s, savannen en tropisch regenwouden kunnen een enorme
omvang hebben. Of een meer.
Een biotoop: is het geheel van abiotische factoren in een
ecosysteem.
Een levensgemeenschap is het geheel van biotische factoren in
een ecosysteem.
Een populatie: is een groep individuen van dezelfde soort die in
een bepaald gebied een voortplantingsgemeenschap vormt.
De habitat is de plaats binnen een ecosysteem waar een bepaalde
soort leeft
Biotische en abiotische factoren:
Organismen kunnen alleen overleven als de omstandigheden goed zijn:
temp maar ook voedsel en ruimte om een nest te bouwen. Levende
factoren/ biotische factoren en niet- levende factoren/ abiotische
factoren.
Abiotische factoren:
Temperatuur
Water
Licht
Lucht
Bodem, hierin zit mengsel van organische stoffen, anorganische
stoffen en micro- organismen: humus.
Biotische factoren:
Soortgenoten
Aanwezigheid van prooidieren
Aanwezigheid van roofdieren/ predatoren.
Voedselrelaties:
Organismen kunnen verschillende voedselrelaties met elkaar hebben:
concurrentie, predatie en symbiose.
, Concurrentie treedt op als een bepaalde milieufactor beperkt is,
individuen gaan dan onderling de strijd aan om een beetje eten dat er nog
is, of de beste ruimte. Verdedigen van je woongebied tegen soortgenoten,
gebied is dan het territorium.
Predatie is de situatie tussen dieren waarbij het ene dier (de predator)
het andere dier (de prooi) doodt en als voedsel gebruikt -> gemakkelijkste
prooi wordt gevangen. Prooidieren hebben allerlei aanpassingen om
predatie te vermijden, zoals schutkleur of goed gehoor.
Symbiose, hierbij leven organismen met elkaar samen en profiteren van
elkaar, ze eten elkaar niet op en zijn geen concurrenten van elkaar. Drie
soorten symbiose: parasitisme, commensalisme en mutualisme.
Parasitisme hierbij is er een relatie tussen twee soorten, waarbij de
ene soort (de parasiet) leeft ten koste van de andere (de gastheer).
De parasiet heeft daarvan voordeel (voedsel, beschutting), terwijl de
gastheer nadeel ondervindt (minder voedsel, beschadiging).
Commensalisme hierbij leven individuen van verschillende soorten
met elkaar en individuen van de ene soort hebben daarvan voordeel
en individuen van de andere soort hebben geen voordeel maar ook
geen nadeel.
Mutualisme symbiose van individuen van twee soorten, waarbij
beide voordeel ondervinden heet mutualisme -> zijn zo afhankelijk
van elkaar dat ze niet zonder elkaar kunnen leven. Komt val voor
tussen zoogdieren of vogels en anderzijds bacteriën
Coöperatie:
Tussen organismen van dezelfde soort is coöperatie (samenwerking) een
veelvoorkomend verschijnsel -> ze kunnen onafhankelijk van elkaar leven,
maar coöperatie biedt voordelen.
Dynamiek in ecosystemen:
Het aantal organismen in een ecosysteem en het aantal individuen in een
populatie is niet stabiel, maar schommelt. Heeft met een aantal aspecten
te maken:
Tolerantiegrenzen: Dat bepaalde organismen wel en andere niet
voorkomen in een gebied, hangt samen met de eisen die ze aan hun
omgeving stellen -> levensbehoeften, hieraan geldt een
minimumwaarde. Elke factor moet een minimale waarde hebben,
anders kan het organisme niet overleven (vaak geldt er ook een
maximum). Het minimum en het maximum vormen de
tolerantiegrenzen van een organisme voor een bepaalde factor,
tussen die grenzen ligt het tolerantiegebied. In het