INHOUDSOPGAVE
Week 1, 2 en 3 .............................................................................................................................. 2
Tekst 1: Schuyt, K. (2000), Essay: Sociale uitsluiting. Amsterdam: SWP ............................................... 2
Er niet bij mogen horen .................................................................................................................. 2
Er niet bij kunnen horen ................................................................................................................. 3
Er niet (meer) bij willen horen ......................................................................................................... 3
4 dimensies sociale uitsluiting ....................................................................................................... 3
De vier L’s van Gandhi ................................................................................................................... 4
Gevolgen sociale uitsluiting ........................................................................................................... 6
Leerdoel ....................................................................................................................................... 7
Tekst 2: Arboleda Florez interventies rond destigmatisering ................................................................ 8
Stigma discourse........................................................................................................................... 8
The Stigmatization of Mental Illnesses ............................................................................................ 8
Stigmatization by Health Providers ................................................................................................. 8
Six Approaches to Stigma Reduction .............................................................................................. 9
Leerdoel ..................................................................................................................................... 10
Tekst 3: Crenshaw (in Ella) over intersectionaliteit.............................................................................15
Ontstaan van intersectionaliteit ................................................................................................... 15
Ella: intersectionaliteit vanuit de praktijk ...................................................................................... 15
Sociale ordeningsprincipes of dimensies ...................................................................................... 15
Machtsverhoudingen binnen en tussen assen............................................................................... 16
De kern van kruispunt- of intersectioneel denken .......................................................................... 17
Hoe werkt kruispuntdenken? ....................................................................................................... 17
Een en-en-verhaal en niet het of-of-denken .................................................................................. 17
De zin en onzin van cijfers ............................................................................................................ 17
Een gekruiste emancipatie ........................................................................................................... 18
Privileges en macht ..................................................................................................................... 18
Gemarkeerde en niet-gemarkeerde vormen van verschil ............................................................... 19
Hoe werken gender en etniciteit door?.......................................................................................... 19
Beeldvorming en stereotypen....................................................................................................... 20
Taalgebruik ................................................................................................................................. 20
Als gebruiker ............................................................................................................................... 20
Leerdoel ..................................................................................................................................... 21
Week 4 ........................................................................................................................................ 22
Tekst 1: Fraser Strijd tegen sociale onrechtvaardigheid .....................................................................22
Vuistregels over sociale rechtvaardigheid voor sociaal werkers ..................................................... 22
Een model met één normatief criterium en twee, of nee wacht, drie dimensies .............................. 22
De politiek van noden .................................................................................................................. 23
Drie momenten, drie discours en ongelijk verdeelde momenten .................................................... 24
Het kapitalisme begrijpen ............................................................................................................ 24
Concrete voorstellen tot actie ...................................................................................................... 25
Leerdoel ..................................................................................................................................... 25
,WEEK 1, 2 EN 3
Leerdoelen:
• Studente kan de lessenreeks en de toetsopdracht toelichten.
• De studente definieert in eigen woorden inclusie.
• De student beschrijft wat Schuyt bedoelt met niet kunnen, niet mogen en niet
willen meedoen op het gebied van sociale uitsluiting en heeft daarbij bijzonder
oog voor de invloed van de andere twee aspecten op niet willen meedoen.
• De student kan toelichten welke rol intersectionaliteit volgens Ella speelt voor
het proces van uitsluiting. Daarbij heeft de student aandacht voor opstapeling
van deelidentiteiten oftewel geaccumuleerde uitsluiting en de valkuil van puur
symbolische inclusie.
• De student legt een eerste link met mogelijke inclusieve interventies volgens de
bovengenoemde theorieën en de destigmatiseringstabel van Arboleda-Florez
TEKST 1: SCHUYT, K. (2000), ESSAY: SOCIALE UITSLUITING. AMSTERDAM: SWP
Wat bedoelen we met sociale uitsluiting?
In de kern komt het neer op ‘er niet bij horen’ of ‘ergens niet meer bij horen’. Maar dat is
nog iets te algemeen geformuleerd. De oorzaak van het er niet bij horen, kan variëren.
Vandaar de omschrijving met:
- Er niet bij mogen horen
- Er niet bij kunnen horen
- Er niet bij willen horen
ER NIET BIJ MOGEN HOREN
Het er niet bij mogen horen, slaat op groepen die opzettelijk gediscrimineerd worden, er
buiten gehouden worden óf om bepaalde redenen subtiel naar de marge van de
samenleving worden geschoven.
Omdat onze samenleving een ideologie heeft opgebouwd van gelijke rechten en van
democratische participatie van alle burgers voelt men tegelijk dat het niet helemaal juist
is als men mensen aan de kant schuift. Er treedt dus een ambivalentie op in de houding
van de machtigen ten opzichte van de potentieel uitgeslotenen, die dit ook haarfijn
aanvoelen. Ze horen erbij, maar tegelijk horen ze er toch niet bij.
• Dichter Slauerhoff heeft dit gevoel van dubbelzinnigheid in een oud gedicht heel
krachtig omschreven.
2
, • Sociale uitsluiting geeft aan beide kanten dus ongemakkelijke gevoelens.
ER NIET BIJ KUNNEN HOREN
Het slaat ook op het er niet bij kunnen horen, bijvoorbeeld door handicaps, gebreken of
onvermogen: door een onvermogen om een goede, vaste baan te vinden of het
onvermogen om die baan vast te houden. Dit geeft dezelfde vervreemdende gevoelens,
maar de balans slaat nu vaak door naar het als schuldige aanwijzen van degene die met
onvermogens zijn behept: eigen schuld, dikke bult.
ER NIET (MEER) BIJ WILLEN HOREN
Het is geen wonder dat veel uitgeslotenen zelf besluiten om er niet meer bij te willen
horen. Zelfselectie, zelfuitsluiting – hetgeen veel voorkomt is vaak een rechtstreeks
gevolg van ervaringen van afkeuring en eerdere uitsluiting van de kant van ouders,
schoolleiders, politie en andere gezagsdragers.
4 DIMENSIES SOCIALE UITSLUITING
Sociale uitsluiting heeft vier dimensies: (1) morele afkeuring, (2) gering economisch
rendement, (3) een geringe eigen sociale weerbaarheid van de uitgesloten groepen en
(4) een slechte rechtspositie.
De morele dimensie
Zeer vaak wordt zowel in de wetenschap als in het beleid de morele dimensie van het
verschijnsel sociale uitsluiting over het hoofd gezien. De sociale wetenschappen
hebben enige huiver om empirisch morele beoordelingen in de samenleving te
bestuderen en daardoor verdwijnt deze dimensie zeer vaak uit het zicht. Het beleid kan
weinig met morele beoordelingen.
Gering economisch rendement
Sommige mensen worden buitengesloten, eenvoudig omdat ze weinig presteren of met
hun activiteiten weinig rendement opleveren. Het oordeel over het economisch nut is
daarbij sterk afhankelijk van de fluctuaties in de economie en de kenmerken van de
arbeidsmarkt (krap of slap). Het economische oordeel over een te laag economisch
rendement kan weer worden versluierd achter morele oordelen over de betrokkenen
(lui, ongedisciplineerd, unruly) of achter feitelijke kenmerken zoals lage scholing.
Sociale weerbaarheid
3
Week 1, 2 en 3 .............................................................................................................................. 2
Tekst 1: Schuyt, K. (2000), Essay: Sociale uitsluiting. Amsterdam: SWP ............................................... 2
Er niet bij mogen horen .................................................................................................................. 2
Er niet bij kunnen horen ................................................................................................................. 3
Er niet (meer) bij willen horen ......................................................................................................... 3
4 dimensies sociale uitsluiting ....................................................................................................... 3
De vier L’s van Gandhi ................................................................................................................... 4
Gevolgen sociale uitsluiting ........................................................................................................... 6
Leerdoel ....................................................................................................................................... 7
Tekst 2: Arboleda Florez interventies rond destigmatisering ................................................................ 8
Stigma discourse........................................................................................................................... 8
The Stigmatization of Mental Illnesses ............................................................................................ 8
Stigmatization by Health Providers ................................................................................................. 8
Six Approaches to Stigma Reduction .............................................................................................. 9
Leerdoel ..................................................................................................................................... 10
Tekst 3: Crenshaw (in Ella) over intersectionaliteit.............................................................................15
Ontstaan van intersectionaliteit ................................................................................................... 15
Ella: intersectionaliteit vanuit de praktijk ...................................................................................... 15
Sociale ordeningsprincipes of dimensies ...................................................................................... 15
Machtsverhoudingen binnen en tussen assen............................................................................... 16
De kern van kruispunt- of intersectioneel denken .......................................................................... 17
Hoe werkt kruispuntdenken? ....................................................................................................... 17
Een en-en-verhaal en niet het of-of-denken .................................................................................. 17
De zin en onzin van cijfers ............................................................................................................ 17
Een gekruiste emancipatie ........................................................................................................... 18
Privileges en macht ..................................................................................................................... 18
Gemarkeerde en niet-gemarkeerde vormen van verschil ............................................................... 19
Hoe werken gender en etniciteit door?.......................................................................................... 19
Beeldvorming en stereotypen....................................................................................................... 20
Taalgebruik ................................................................................................................................. 20
Als gebruiker ............................................................................................................................... 20
Leerdoel ..................................................................................................................................... 21
Week 4 ........................................................................................................................................ 22
Tekst 1: Fraser Strijd tegen sociale onrechtvaardigheid .....................................................................22
Vuistregels over sociale rechtvaardigheid voor sociaal werkers ..................................................... 22
Een model met één normatief criterium en twee, of nee wacht, drie dimensies .............................. 22
De politiek van noden .................................................................................................................. 23
Drie momenten, drie discours en ongelijk verdeelde momenten .................................................... 24
Het kapitalisme begrijpen ............................................................................................................ 24
Concrete voorstellen tot actie ...................................................................................................... 25
Leerdoel ..................................................................................................................................... 25
,WEEK 1, 2 EN 3
Leerdoelen:
• Studente kan de lessenreeks en de toetsopdracht toelichten.
• De studente definieert in eigen woorden inclusie.
• De student beschrijft wat Schuyt bedoelt met niet kunnen, niet mogen en niet
willen meedoen op het gebied van sociale uitsluiting en heeft daarbij bijzonder
oog voor de invloed van de andere twee aspecten op niet willen meedoen.
• De student kan toelichten welke rol intersectionaliteit volgens Ella speelt voor
het proces van uitsluiting. Daarbij heeft de student aandacht voor opstapeling
van deelidentiteiten oftewel geaccumuleerde uitsluiting en de valkuil van puur
symbolische inclusie.
• De student legt een eerste link met mogelijke inclusieve interventies volgens de
bovengenoemde theorieën en de destigmatiseringstabel van Arboleda-Florez
TEKST 1: SCHUYT, K. (2000), ESSAY: SOCIALE UITSLUITING. AMSTERDAM: SWP
Wat bedoelen we met sociale uitsluiting?
In de kern komt het neer op ‘er niet bij horen’ of ‘ergens niet meer bij horen’. Maar dat is
nog iets te algemeen geformuleerd. De oorzaak van het er niet bij horen, kan variëren.
Vandaar de omschrijving met:
- Er niet bij mogen horen
- Er niet bij kunnen horen
- Er niet bij willen horen
ER NIET BIJ MOGEN HOREN
Het er niet bij mogen horen, slaat op groepen die opzettelijk gediscrimineerd worden, er
buiten gehouden worden óf om bepaalde redenen subtiel naar de marge van de
samenleving worden geschoven.
Omdat onze samenleving een ideologie heeft opgebouwd van gelijke rechten en van
democratische participatie van alle burgers voelt men tegelijk dat het niet helemaal juist
is als men mensen aan de kant schuift. Er treedt dus een ambivalentie op in de houding
van de machtigen ten opzichte van de potentieel uitgeslotenen, die dit ook haarfijn
aanvoelen. Ze horen erbij, maar tegelijk horen ze er toch niet bij.
• Dichter Slauerhoff heeft dit gevoel van dubbelzinnigheid in een oud gedicht heel
krachtig omschreven.
2
, • Sociale uitsluiting geeft aan beide kanten dus ongemakkelijke gevoelens.
ER NIET BIJ KUNNEN HOREN
Het slaat ook op het er niet bij kunnen horen, bijvoorbeeld door handicaps, gebreken of
onvermogen: door een onvermogen om een goede, vaste baan te vinden of het
onvermogen om die baan vast te houden. Dit geeft dezelfde vervreemdende gevoelens,
maar de balans slaat nu vaak door naar het als schuldige aanwijzen van degene die met
onvermogens zijn behept: eigen schuld, dikke bult.
ER NIET (MEER) BIJ WILLEN HOREN
Het is geen wonder dat veel uitgeslotenen zelf besluiten om er niet meer bij te willen
horen. Zelfselectie, zelfuitsluiting – hetgeen veel voorkomt is vaak een rechtstreeks
gevolg van ervaringen van afkeuring en eerdere uitsluiting van de kant van ouders,
schoolleiders, politie en andere gezagsdragers.
4 DIMENSIES SOCIALE UITSLUITING
Sociale uitsluiting heeft vier dimensies: (1) morele afkeuring, (2) gering economisch
rendement, (3) een geringe eigen sociale weerbaarheid van de uitgesloten groepen en
(4) een slechte rechtspositie.
De morele dimensie
Zeer vaak wordt zowel in de wetenschap als in het beleid de morele dimensie van het
verschijnsel sociale uitsluiting over het hoofd gezien. De sociale wetenschappen
hebben enige huiver om empirisch morele beoordelingen in de samenleving te
bestuderen en daardoor verdwijnt deze dimensie zeer vaak uit het zicht. Het beleid kan
weinig met morele beoordelingen.
Gering economisch rendement
Sommige mensen worden buitengesloten, eenvoudig omdat ze weinig presteren of met
hun activiteiten weinig rendement opleveren. Het oordeel over het economisch nut is
daarbij sterk afhankelijk van de fluctuaties in de economie en de kenmerken van de
arbeidsmarkt (krap of slap). Het economische oordeel over een te laag economisch
rendement kan weer worden versluierd achter morele oordelen over de betrokkenen
(lui, ongedisciplineerd, unruly) of achter feitelijke kenmerken zoals lage scholing.
Sociale weerbaarheid
3