Biologie herkansing samenvatting H11, H12 en H13
H11, voeding en vertering
Gezonde voeding hangt af van:
- Leeftijd; hoe ouder je bent hoe minder voedingsstoffen je nodig hebt. Als je jonger bent heb je meer
voedingsstoffen nodig voor je bouw.
- Geslacht; mannen verbranden meer dan vrouwen en hebben testosteron.
- Beweging; als je zwaar werk doet of veel sport, heb je meer voedingsstoffen nodig dan iemand die dat niet
doet.
- Kwaliteit/soort voedsel.
ADH = aanbevolen dagelijkse hoeveelheid.
Voedingstoffen = stoffen in voedsel die het lichaam nodig heeft. Alles wat je eet zijn voedingsmiddelen, de
bruikbare delen zijn voedingsstoffen (6):
1. Koolhydraten/sachariden, dienen als brandstof, ze leveren energie in de vorm van ATP (stof). Cellen
gebruiken koolhydraten als bouwstof. Het koolhydraat glycogeen is een reservestof.
- Monosachariden = (enkelvoudige suikers) kunnen door celmembraan heen (glucose) (een celmembraan
zijn fosfolipiden (vetten))
- Disachariden = (dubbele suikers) moeten (door enzymen) gesplitst worden tot monosachariden.
- Polysachariden = (meervoudige suikers) moeten omgezet worden tot disachariden → tot monosachariden.
2. Vetten/lipiden, functie als brandstof, bouwstof (voor membranen & hormonen) en dienen als warmte-
isolatie (lichaam slaat vet op als reservestof). Bestaat uit 1 glycerolmolecuul, verbonden aan 3 vetzuren
Vetzuren bestaan uit (3): -
- C- atomen
- H- atomen
- Zuurgroep (-COOH)
Vetmolecuul is hydrofoob en apolair.
Verzadigde vetten = zonder dubbele binding.
Onverzadigde vetten = met dubbele binding (door binding krijgt molecuul een knik).
, 3. Eiwitten, bouwstoffen , je lichaam gebruikt ze als brandstoffen.
Eiwitten → opgebouwd uit aminozuren = bouwstenen van eiwitten (je lichaam kan maar 12 van de 20
aminozuren maken, de rest essentiële aminozuren krijg je binnen via voeding).
Aminozuren (3):
- Bezitten een hoofdketen (bestaat uit C- atoom met restgroep eraan vast);
- Hebben 2 zijketens, ene kant carbonzuurgroep (-COOH), andere kant aminogroep (-NH2).
4. Water, bouwstof voor je cellen (transportmiddel → bloedplasma, oplosmiddel, warmtebuffer).
5. Mineralen, bouwstoffen, regelstoffen, beschermende stoffen.
Lichaam kan geen mineralen aanmaken, mineralen zijn ionen die in lage dosering nodig zijn, bij een tekort →
gebrekziektes Spoorelementen = mineralen waarvan je nog minder nodig hebt.
6. Vitaminen, essentiële voedingsstoffen die je lichaam in kleine hoeveelheden gebruikt. Net als mineralen zijn
het beschermende stoffen / en regelstoffen.
- Lichaam kan ze niet aanmaken;
- Er zijn wateroplosbare & vet oplosbare vitaminen;
- Bij een tekort → gebrekziektes.
Bepaalde koolhydraten in het voedsel: cellulose en pectine kun je niet verteren dit zijn voedingsvezels. Hun
functie is onder andere het stimuleren van de darmperistaltiek, de samentrekkingen van de spieren van het
darm kanaal, en daarmee een goede doorstroming van de voedselresten in je darmkanaal. Voedingsvezels nemen
veel water op zodat het volume van de darminhoud toeneemt en de ontlasting structuur krijgt en soepel blijft, eet
je te weinig van deze koolhydraten, dan krijg je last van verstopping.
Spijsverteringskanaal (6):
, - Opname van voedsel;
- Mechanische afbraak van het voedsel;
- Transport van ons voedsel door het spijsverteringskanaal;
- Ontleding van het voedsel door enzymen tot substraten;
- Overdracht van de substraten aan de circulatie;
- Uitscheiding van de resten van de voedselafbraak.
Verkleinen en verteren:
Mechanische afbraak van het voedsel door kauwen → vergroot het oppervlak van de moleculen. Enzymen in
verteringssappen breken de voedingsstoffen (die te groot zijn om op te nemen) af tot opneembare moleculen.
Chemische vertering = afbraak van macromoleculen uit je voeding door enzymen.
Speeksel bestaat uit water met eiwitten; verdunning + bacterie- en schimmeldodende werking. Slijm;
vergemakkelijkt het slikken.
Enzymen eindigen op ase: afbreken. Speekselamylase (spijsverteringsenzym). Amylase is een enzym dat zetmeel
(een lang polysacharide) hydrolyseert en afbreekt tot maltose, een disacharide bestaande uit twee
glucosemoleculen.
Tijdens het slikreflex: duwt de tong het voedsel naar achter → de slokdarm in strotklep sluit de luchtpijp af, en de
huig sluit de neusholte af.
Slokdarm:
De spieren in de wand van het darm-maagkanaal duwen voedselbrokken naar beneden en kneden het voedsel. Dit
proces heet darmperistaltiek. Door peristaltische bewegingen trekken eerst de lengtespieren vóór de voedselbrok
samen, waarna de kringspieren achter de voedselbrok samentrekken. Hierdoor schuift het voedsel verder naar
beneden.
Daarna ontspannen de spieren weer en trekken andere lengtespieren vóór de voedselbrok samen, waardoor het
proces zich herhaalt.
In de slokdarm zorgt peristaltiek ervoor dat voedsel en drinken van de keel naar de maag worden vervoerd.
Onderaan de slokdarm zit een sluitspier, de onderste slokdarmsfincter. Deze gaat open om voedsel door te laten en
sluit daarna weer om te voorkomen dat maagzuur terug omhoog komt.
H11, voeding en vertering
Gezonde voeding hangt af van:
- Leeftijd; hoe ouder je bent hoe minder voedingsstoffen je nodig hebt. Als je jonger bent heb je meer
voedingsstoffen nodig voor je bouw.
- Geslacht; mannen verbranden meer dan vrouwen en hebben testosteron.
- Beweging; als je zwaar werk doet of veel sport, heb je meer voedingsstoffen nodig dan iemand die dat niet
doet.
- Kwaliteit/soort voedsel.
ADH = aanbevolen dagelijkse hoeveelheid.
Voedingstoffen = stoffen in voedsel die het lichaam nodig heeft. Alles wat je eet zijn voedingsmiddelen, de
bruikbare delen zijn voedingsstoffen (6):
1. Koolhydraten/sachariden, dienen als brandstof, ze leveren energie in de vorm van ATP (stof). Cellen
gebruiken koolhydraten als bouwstof. Het koolhydraat glycogeen is een reservestof.
- Monosachariden = (enkelvoudige suikers) kunnen door celmembraan heen (glucose) (een celmembraan
zijn fosfolipiden (vetten))
- Disachariden = (dubbele suikers) moeten (door enzymen) gesplitst worden tot monosachariden.
- Polysachariden = (meervoudige suikers) moeten omgezet worden tot disachariden → tot monosachariden.
2. Vetten/lipiden, functie als brandstof, bouwstof (voor membranen & hormonen) en dienen als warmte-
isolatie (lichaam slaat vet op als reservestof). Bestaat uit 1 glycerolmolecuul, verbonden aan 3 vetzuren
Vetzuren bestaan uit (3): -
- C- atomen
- H- atomen
- Zuurgroep (-COOH)
Vetmolecuul is hydrofoob en apolair.
Verzadigde vetten = zonder dubbele binding.
Onverzadigde vetten = met dubbele binding (door binding krijgt molecuul een knik).
, 3. Eiwitten, bouwstoffen , je lichaam gebruikt ze als brandstoffen.
Eiwitten → opgebouwd uit aminozuren = bouwstenen van eiwitten (je lichaam kan maar 12 van de 20
aminozuren maken, de rest essentiële aminozuren krijg je binnen via voeding).
Aminozuren (3):
- Bezitten een hoofdketen (bestaat uit C- atoom met restgroep eraan vast);
- Hebben 2 zijketens, ene kant carbonzuurgroep (-COOH), andere kant aminogroep (-NH2).
4. Water, bouwstof voor je cellen (transportmiddel → bloedplasma, oplosmiddel, warmtebuffer).
5. Mineralen, bouwstoffen, regelstoffen, beschermende stoffen.
Lichaam kan geen mineralen aanmaken, mineralen zijn ionen die in lage dosering nodig zijn, bij een tekort →
gebrekziektes Spoorelementen = mineralen waarvan je nog minder nodig hebt.
6. Vitaminen, essentiële voedingsstoffen die je lichaam in kleine hoeveelheden gebruikt. Net als mineralen zijn
het beschermende stoffen / en regelstoffen.
- Lichaam kan ze niet aanmaken;
- Er zijn wateroplosbare & vet oplosbare vitaminen;
- Bij een tekort → gebrekziektes.
Bepaalde koolhydraten in het voedsel: cellulose en pectine kun je niet verteren dit zijn voedingsvezels. Hun
functie is onder andere het stimuleren van de darmperistaltiek, de samentrekkingen van de spieren van het
darm kanaal, en daarmee een goede doorstroming van de voedselresten in je darmkanaal. Voedingsvezels nemen
veel water op zodat het volume van de darminhoud toeneemt en de ontlasting structuur krijgt en soepel blijft, eet
je te weinig van deze koolhydraten, dan krijg je last van verstopping.
Spijsverteringskanaal (6):
, - Opname van voedsel;
- Mechanische afbraak van het voedsel;
- Transport van ons voedsel door het spijsverteringskanaal;
- Ontleding van het voedsel door enzymen tot substraten;
- Overdracht van de substraten aan de circulatie;
- Uitscheiding van de resten van de voedselafbraak.
Verkleinen en verteren:
Mechanische afbraak van het voedsel door kauwen → vergroot het oppervlak van de moleculen. Enzymen in
verteringssappen breken de voedingsstoffen (die te groot zijn om op te nemen) af tot opneembare moleculen.
Chemische vertering = afbraak van macromoleculen uit je voeding door enzymen.
Speeksel bestaat uit water met eiwitten; verdunning + bacterie- en schimmeldodende werking. Slijm;
vergemakkelijkt het slikken.
Enzymen eindigen op ase: afbreken. Speekselamylase (spijsverteringsenzym). Amylase is een enzym dat zetmeel
(een lang polysacharide) hydrolyseert en afbreekt tot maltose, een disacharide bestaande uit twee
glucosemoleculen.
Tijdens het slikreflex: duwt de tong het voedsel naar achter → de slokdarm in strotklep sluit de luchtpijp af, en de
huig sluit de neusholte af.
Slokdarm:
De spieren in de wand van het darm-maagkanaal duwen voedselbrokken naar beneden en kneden het voedsel. Dit
proces heet darmperistaltiek. Door peristaltische bewegingen trekken eerst de lengtespieren vóór de voedselbrok
samen, waarna de kringspieren achter de voedselbrok samentrekken. Hierdoor schuift het voedsel verder naar
beneden.
Daarna ontspannen de spieren weer en trekken andere lengtespieren vóór de voedselbrok samen, waardoor het
proces zich herhaalt.
In de slokdarm zorgt peristaltiek ervoor dat voedsel en drinken van de keel naar de maag worden vervoerd.
Onderaan de slokdarm zit een sluitspier, de onderste slokdarmsfincter. Deze gaat open om voedsel door te laten en
sluit daarna weer om te voorkomen dat maagzuur terug omhoog komt.