(WEEK 1) HOOFDSTUK 4: MODERNITEIT ALS PROJECT VAN BEVRIJDING (1): HET
AUTONOME INDIVIDU
De Verlichting en het verlangen naar vrijheid
Moderniteit = bepaalde periode die grofweg in 18e eeuw is begonnen, maar het is ook een
proces, waarin de verbetering van de wereld centraal komt te staan
- Moderniteit kan worden begrepen als een proces van bevrijding
Gekenmerkt met waarden als vrijheid en rationaliteit
Voorbeelden:
- Opkomst van mensenrechten en democratie
- De grote rol van wetenschap en techniek in ons leven
- De verregaande manier waarop ons leven verweven is met rationeel ontworpen
organisatiestructuren
Moderniseringsproces start met de Verlichting:
- Filosofie wordt veel bepalender voor het denken over mens en samenleving dan in
de eeuwen daarvoor. Voorheen was er sprake van een mengsel van theologie (=
nadenken over geloof en God, vaak geassocieerd met Christendom) filosofie >
betekent niet dat christelijke traditie nu geheel verworpen is, maar ze presenteren
hun inzichten nu meer in een rationele vorm met minder verwijzingen naar religieuze
teksten
Kernwaarde van moderniteit: vrijheid > moderniteit = project van bevrijding
- Het christelijke verlangen naar het ‘Koningrijk van God’, waarin ieder vrij en
gelijkwaardig is, krijgt nu het karakter van een politiek-maatschappelijk programma
- Keert zich vaker tegen institutionele christendom (de kerk), dat als hinderpaal wordt
gezien
- Men bekritiseert de heilboodschap van de kerk dat gericht is op het leven in het
hiernamaals > de betere wereld moet op deze aarde gerealiseerd worden, niet pas
na het aardse bestaan
- Vrijheid speelt essentieel element
Het goede leven dat in de moderniteit wordt nagejaagd is een leven waarin op allerlei
terreinen de menselijke vrijheid wordt verwerkelijkt
Dus > het christelijke verlangen naar een wereld van vrijheid en gelijkheid krijgt nu een
politiek en maatschappelijk karakter: de betere wereld moet hier en nu gerealiseerd
worden, niet pas in het hiernamaals. Vrijheid wordt het kernideaal van de moderniteit en
drijft ontwikkelingen zoals de Franse Revolutie, emancipatiebewegingen en technologische
vooruitgang
Tegelijk brengt dit streven, project van modernisering, schaduwzijden met zich mee:
gevangenschap, beperking, begrenzing moderniseringsproces heeft een paradoxaal
karakter, want vrijheid brengt ook nieuwe vormen van afhankelijkheid en onvrijheid met zich
mee
,Kernmotieven van de moderniteit (ontwikkelingen van de moderniteit die het vrijheidsideaal
versterken; pogingen om de menselijke autonomie te bevorderen):
1. De opkomst van het autonome individu
2. De rationalisering van het wereldbeeld
3. De opkomst van de moderne techniek
4. De organisatie van het maatschappelijk leven in burgerlijke instituties en de
rechtstaat
5. Het proces van economisering, en in het bijzonder de liberaal kapitalistische vorm
daarvan
Motief 1 vormt kern van het moderne vrijheidsverlangen
Motief 2 t/m 4 de manier waarop moderne mens naar wereld kijkt en die probeert te
organiseren (beheersing van de wereld)
Motief 5 opkomst van de vrije markt
De Reformatie en de gewetensvrijheid
Voor de christelijke God is zielenheil persoonlijk en ieder mens persoonlijk belangrijk, niet
alleen koningen of priesters, waarbij geloof een persoonlijke keuze is > de ultieme waarde
van iemands leven hangt niet af van zijn sociale/wereldrijke positie, maar van zijn
persoonlijke relatie met God. Dus het moderne idee van het autonome individu heeft
wortels in het christendom, omdat daarin ieder mens als individu telt voor God en iemands
ultieme waarde afhangt van zijn verhouding tot God, niet van status of macht.
Voor God telt de persoon, niet de positie in het Nieuwe Testament krijgen juist mensen
aan de rand van de samenleving veel aandacht (vissers, prostituees, zieken, armen). Zij
waren maatschappelijk ‘onbelangrijk’, maar in relatie tot Jezus volledig waardevol als
individu.
In de Middeleeuwen blijft er een splitsing bestaan tussen deze geloofswaarheid en de
feitelijke wereld waarin mensen leven: in praktijk is niet iedereen gelijk. Er bestond een
groot verschil tussen de geestelijke gelijkheid (een koning en bedelaar zijn voor God
evenveel waard) en de maatschappelijke ongelijkheid (samenleving was hiërarchisch). Als je
werkelijk gelooft dat ieder individu voor God telt, waarom hebben sommige mensen dan
sociale superioriteit. Dat is precies wat later in de Reformatie, Verlichting en Franse
Revolutie tot uitbarsting komt dus deze spanning werd niet opgelost, maar vormde de
voedingsbodem voor latere ontwikkeling van autonome individu.
(Rijke) burgers in Nederland maakten zich als eerst los van de feodale orde en ging over tot
zelfbestuur. Volgens Jonathan Israel is de Verlichting dan ook begonnen in de Nederlanden
om over te waaien over Europa.
Deze opkomst van de burgercultuur vindt haar religieuze vertaling in de Reformatie waaruit
de protestantse kerken voortkomen. Burgers willen nu ook zelf verantwoordelijk zijn voor
hun geloof en niet langer meer via de kerk en de priester in een relatie tot God treden.
Katholieken en protestanten zijn beide christelijke stromingen; katholieken hechten aan
hiërarchie met de Paus, protestanten baseren zich primair op de Bijbel (sola scriptura)
,Centrale gedachte Reformatie:
- Niet de kerk bemiddelt tussen mens en God
- De gelovige staat zelf voor God
- Het individuele geweten wordt doorslaggevend
- De waarheid ligt niet in de kerk, maar in de Bijbel (als Woord van God)
Maarten Luther, katholiek, schreef stellingen waarin hij afscheid nam van de grote invloed
van Aristoteles, die hij verantwoordelijk houdt voor een te sterk rationalisme in de theologie.
Vandaag de dag wordt Luther als antisemitisch gezien; haat tegen Joden. Zijn uitspraak “hier
sta ik, ik kan niet anders”: onwrikbaar vasthouden aan je principes ook als dat gevaarlijke
gevolgen heeft.
Door intensieve studie van het Nieuwe Testament kwam Luther tot kerninzicht: een mens
wordt gered door geloof alleen = je kunt je zonden niet afkopen, je kunt je redding niet
verdienen met goede werken alleen, alleen oprecht geloof in God red je
Luther zag een probleem met de kerk en had kritiek op aflaathandel, de kerk verkocht
zogenaamde aflaten. Dus je kon je zonden afkopen en met dat geld werd de Sint-
Pietersbasiliek in Rome gebouwd. Luther vond dit verkeerd: rijke mensen konden hun
zonden dus afkopen en hoefden ze niet christelijk te leven, armen konden dat niet; het leek
alsof geld belangrijker was dan geloof. Volgens hem werd het christendom misbruikt voor
wereldse macht en geld.
Hij schreef 95 stellingen/kritiekpunten, waarmee hij terug naar de kern van het geloof wilde.
Luther werd door katholieke kerk zelf veroordeeld en uit de kerk gezet dit was het begin
van de Reformatie
Maarten Luther:
- Redding door geloof alleen
- Kritiek op de aflaathandel
- De Bijbel komt opnieuw centraal te staan als bron van geloofswaarheid
- Gewetensvrijheid krijgt religieuze betekenis
Dominee komt hier in beeld: hij helpt met Bijbelvertalingen. Dominee heeft andere rol dan
de priester: hij wordt niet van bovenaf toegewezen aan een gemeente, maar hij wordt door
de gelovige gemeente zelf benoemd; en krijgt hiermee een gelijkwaardige rol binnen de
gemeenschap in protestante kerk verschijnt democratische structuur en vormen van
zelfbestuur
In het protestantisme is de verhouding tussen de gelovige en God niet meer bemiddeld door
geestelijken of een instituut, maar wordt de relatie tot God een innerlijke zaak verklaart
fanatisme van protestanten op katholieke kerken (beeldenstorm = pracht en praal leiden
mensen af van ware innerlijke geloofsbeleving). Dus in het protestantisme beslist uiteindelijk
je eigen innerlijke overtuiging of je geloof echt is, wanneer dat zo is, dan spreekt God in dat
innerlijk.
Voor protestante is geweten hoogste autoriteit en staat hun geweten boven de kerk en
staat: niemand mag mij dwingen iets te geloven tegen mijn geweten in. Hiermee wordt het
innerlijke ‘ik’ het fundament van moraal en waarheid (opkomst van het subject en
subjectivering van de moraal). Hier is innerlijke verhouding tot God belangrijker dan wat de
, koning beveelt. Hiermee ontstaat een verschuiving: eerst lag autoriteit buiten de mens, nu
ligt autoriteit binnen de mens opkomst van moderne idee van autonome individu en
innerlijke vrijheid
Bij Descartes vormt deze innerlijke zekerheid van het ‘ik denk’ de grondslag van iedere vorm
van waarheid
Schaduwzijde: met beroep op het geweten kan van alles worden gerechtvaardigd, ook dat
wat volgens anderen juist niet goed is of volgens de wet helemaal niet is toegestaan (moraal
wordt subjectief).
Antwoord protestanten: protestanten proberen het geweten te vullen met vaste regels
gebaseerd op Woord van God (de Bijbel) > men probeert vaste regels vast te stellen die voor
iedereen gelden (de Tien Geboden)
Wat verandert er over ‘het goede leven’?
- Katholieke traditie (Aristoteles): deugdethiek, een goed mens worden door je
karakter te ontwikkelen.
- Protestante traditie: regels volgen, het goede leven is gehoorzaam zijn aan Gods
geboden. Volgens Luther en Calvijn is de mens van nature geneigd tot kwaad en kan
hij zichzelf dus niet ‘opwerken’ tot een goed mens zonder Gods genade > in
protestantisme toch nog geen sprake van moderne autonomie, want afhankelijk van
God
Locke en Kant over de autonomie van het individu
Autonomie betekent in de Verlichting niet ‘doen waar je zin in hebt’, maar jezelf de wet
opleggen: je bent vrij, maar je handelt volgens regels die je als redelijk en juist erkent
Twee soorten vrijheid in de Verlichting
1. Bescherming van individuele rechten (leven, vrijheid, eigendom) tegen de macht van
anderen, zoals koning of staat. Anderen moeten jouw rechten respecteren sterk
bij Locke
2. Het recht om je eigen leven moreel of religieus in te richten sterk bij Kant
John Locke
Grondlegger van liberalisme met:
- Onvervreemdbare rechten: leven, vrijheid, eigendom (life, liberty, property), die niet
door anderen mogen worden geschonden
o Scheppen ruimte om autonoom leven te leiden en hebben economische
strekking: het recht om te ondernemen en eigendom te verwerven dat niet
door een overheid mag worden afgenomen
- Beperkte overheid: staat beschermt rechten, maar mag ze niet schenden (anders
wordt het een bedreiging voor het leven en vrijheid van burgers
- Nadruk op privé-eigendom
Maar die vrijheid bij Locke is sterk verbonden met een protestante religieuze levenservaring.
Wij denken vrijheid van godsdienstvrijheid: elke religie is toegestaan. Locke: religie moet
toegestaan zijn, zoals zij de vrijheid van het individu respecteert. Als een religie hun geweten
onderdrukt of een machtsstructuur boven de staat vormt, dan vormt zij een probleem >
AUTONOME INDIVIDU
De Verlichting en het verlangen naar vrijheid
Moderniteit = bepaalde periode die grofweg in 18e eeuw is begonnen, maar het is ook een
proces, waarin de verbetering van de wereld centraal komt te staan
- Moderniteit kan worden begrepen als een proces van bevrijding
Gekenmerkt met waarden als vrijheid en rationaliteit
Voorbeelden:
- Opkomst van mensenrechten en democratie
- De grote rol van wetenschap en techniek in ons leven
- De verregaande manier waarop ons leven verweven is met rationeel ontworpen
organisatiestructuren
Moderniseringsproces start met de Verlichting:
- Filosofie wordt veel bepalender voor het denken over mens en samenleving dan in
de eeuwen daarvoor. Voorheen was er sprake van een mengsel van theologie (=
nadenken over geloof en God, vaak geassocieerd met Christendom) filosofie >
betekent niet dat christelijke traditie nu geheel verworpen is, maar ze presenteren
hun inzichten nu meer in een rationele vorm met minder verwijzingen naar religieuze
teksten
Kernwaarde van moderniteit: vrijheid > moderniteit = project van bevrijding
- Het christelijke verlangen naar het ‘Koningrijk van God’, waarin ieder vrij en
gelijkwaardig is, krijgt nu het karakter van een politiek-maatschappelijk programma
- Keert zich vaker tegen institutionele christendom (de kerk), dat als hinderpaal wordt
gezien
- Men bekritiseert de heilboodschap van de kerk dat gericht is op het leven in het
hiernamaals > de betere wereld moet op deze aarde gerealiseerd worden, niet pas
na het aardse bestaan
- Vrijheid speelt essentieel element
Het goede leven dat in de moderniteit wordt nagejaagd is een leven waarin op allerlei
terreinen de menselijke vrijheid wordt verwerkelijkt
Dus > het christelijke verlangen naar een wereld van vrijheid en gelijkheid krijgt nu een
politiek en maatschappelijk karakter: de betere wereld moet hier en nu gerealiseerd
worden, niet pas in het hiernamaals. Vrijheid wordt het kernideaal van de moderniteit en
drijft ontwikkelingen zoals de Franse Revolutie, emancipatiebewegingen en technologische
vooruitgang
Tegelijk brengt dit streven, project van modernisering, schaduwzijden met zich mee:
gevangenschap, beperking, begrenzing moderniseringsproces heeft een paradoxaal
karakter, want vrijheid brengt ook nieuwe vormen van afhankelijkheid en onvrijheid met zich
mee
,Kernmotieven van de moderniteit (ontwikkelingen van de moderniteit die het vrijheidsideaal
versterken; pogingen om de menselijke autonomie te bevorderen):
1. De opkomst van het autonome individu
2. De rationalisering van het wereldbeeld
3. De opkomst van de moderne techniek
4. De organisatie van het maatschappelijk leven in burgerlijke instituties en de
rechtstaat
5. Het proces van economisering, en in het bijzonder de liberaal kapitalistische vorm
daarvan
Motief 1 vormt kern van het moderne vrijheidsverlangen
Motief 2 t/m 4 de manier waarop moderne mens naar wereld kijkt en die probeert te
organiseren (beheersing van de wereld)
Motief 5 opkomst van de vrije markt
De Reformatie en de gewetensvrijheid
Voor de christelijke God is zielenheil persoonlijk en ieder mens persoonlijk belangrijk, niet
alleen koningen of priesters, waarbij geloof een persoonlijke keuze is > de ultieme waarde
van iemands leven hangt niet af van zijn sociale/wereldrijke positie, maar van zijn
persoonlijke relatie met God. Dus het moderne idee van het autonome individu heeft
wortels in het christendom, omdat daarin ieder mens als individu telt voor God en iemands
ultieme waarde afhangt van zijn verhouding tot God, niet van status of macht.
Voor God telt de persoon, niet de positie in het Nieuwe Testament krijgen juist mensen
aan de rand van de samenleving veel aandacht (vissers, prostituees, zieken, armen). Zij
waren maatschappelijk ‘onbelangrijk’, maar in relatie tot Jezus volledig waardevol als
individu.
In de Middeleeuwen blijft er een splitsing bestaan tussen deze geloofswaarheid en de
feitelijke wereld waarin mensen leven: in praktijk is niet iedereen gelijk. Er bestond een
groot verschil tussen de geestelijke gelijkheid (een koning en bedelaar zijn voor God
evenveel waard) en de maatschappelijke ongelijkheid (samenleving was hiërarchisch). Als je
werkelijk gelooft dat ieder individu voor God telt, waarom hebben sommige mensen dan
sociale superioriteit. Dat is precies wat later in de Reformatie, Verlichting en Franse
Revolutie tot uitbarsting komt dus deze spanning werd niet opgelost, maar vormde de
voedingsbodem voor latere ontwikkeling van autonome individu.
(Rijke) burgers in Nederland maakten zich als eerst los van de feodale orde en ging over tot
zelfbestuur. Volgens Jonathan Israel is de Verlichting dan ook begonnen in de Nederlanden
om over te waaien over Europa.
Deze opkomst van de burgercultuur vindt haar religieuze vertaling in de Reformatie waaruit
de protestantse kerken voortkomen. Burgers willen nu ook zelf verantwoordelijk zijn voor
hun geloof en niet langer meer via de kerk en de priester in een relatie tot God treden.
Katholieken en protestanten zijn beide christelijke stromingen; katholieken hechten aan
hiërarchie met de Paus, protestanten baseren zich primair op de Bijbel (sola scriptura)
,Centrale gedachte Reformatie:
- Niet de kerk bemiddelt tussen mens en God
- De gelovige staat zelf voor God
- Het individuele geweten wordt doorslaggevend
- De waarheid ligt niet in de kerk, maar in de Bijbel (als Woord van God)
Maarten Luther, katholiek, schreef stellingen waarin hij afscheid nam van de grote invloed
van Aristoteles, die hij verantwoordelijk houdt voor een te sterk rationalisme in de theologie.
Vandaag de dag wordt Luther als antisemitisch gezien; haat tegen Joden. Zijn uitspraak “hier
sta ik, ik kan niet anders”: onwrikbaar vasthouden aan je principes ook als dat gevaarlijke
gevolgen heeft.
Door intensieve studie van het Nieuwe Testament kwam Luther tot kerninzicht: een mens
wordt gered door geloof alleen = je kunt je zonden niet afkopen, je kunt je redding niet
verdienen met goede werken alleen, alleen oprecht geloof in God red je
Luther zag een probleem met de kerk en had kritiek op aflaathandel, de kerk verkocht
zogenaamde aflaten. Dus je kon je zonden afkopen en met dat geld werd de Sint-
Pietersbasiliek in Rome gebouwd. Luther vond dit verkeerd: rijke mensen konden hun
zonden dus afkopen en hoefden ze niet christelijk te leven, armen konden dat niet; het leek
alsof geld belangrijker was dan geloof. Volgens hem werd het christendom misbruikt voor
wereldse macht en geld.
Hij schreef 95 stellingen/kritiekpunten, waarmee hij terug naar de kern van het geloof wilde.
Luther werd door katholieke kerk zelf veroordeeld en uit de kerk gezet dit was het begin
van de Reformatie
Maarten Luther:
- Redding door geloof alleen
- Kritiek op de aflaathandel
- De Bijbel komt opnieuw centraal te staan als bron van geloofswaarheid
- Gewetensvrijheid krijgt religieuze betekenis
Dominee komt hier in beeld: hij helpt met Bijbelvertalingen. Dominee heeft andere rol dan
de priester: hij wordt niet van bovenaf toegewezen aan een gemeente, maar hij wordt door
de gelovige gemeente zelf benoemd; en krijgt hiermee een gelijkwaardige rol binnen de
gemeenschap in protestante kerk verschijnt democratische structuur en vormen van
zelfbestuur
In het protestantisme is de verhouding tussen de gelovige en God niet meer bemiddeld door
geestelijken of een instituut, maar wordt de relatie tot God een innerlijke zaak verklaart
fanatisme van protestanten op katholieke kerken (beeldenstorm = pracht en praal leiden
mensen af van ware innerlijke geloofsbeleving). Dus in het protestantisme beslist uiteindelijk
je eigen innerlijke overtuiging of je geloof echt is, wanneer dat zo is, dan spreekt God in dat
innerlijk.
Voor protestante is geweten hoogste autoriteit en staat hun geweten boven de kerk en
staat: niemand mag mij dwingen iets te geloven tegen mijn geweten in. Hiermee wordt het
innerlijke ‘ik’ het fundament van moraal en waarheid (opkomst van het subject en
subjectivering van de moraal). Hier is innerlijke verhouding tot God belangrijker dan wat de
, koning beveelt. Hiermee ontstaat een verschuiving: eerst lag autoriteit buiten de mens, nu
ligt autoriteit binnen de mens opkomst van moderne idee van autonome individu en
innerlijke vrijheid
Bij Descartes vormt deze innerlijke zekerheid van het ‘ik denk’ de grondslag van iedere vorm
van waarheid
Schaduwzijde: met beroep op het geweten kan van alles worden gerechtvaardigd, ook dat
wat volgens anderen juist niet goed is of volgens de wet helemaal niet is toegestaan (moraal
wordt subjectief).
Antwoord protestanten: protestanten proberen het geweten te vullen met vaste regels
gebaseerd op Woord van God (de Bijbel) > men probeert vaste regels vast te stellen die voor
iedereen gelden (de Tien Geboden)
Wat verandert er over ‘het goede leven’?
- Katholieke traditie (Aristoteles): deugdethiek, een goed mens worden door je
karakter te ontwikkelen.
- Protestante traditie: regels volgen, het goede leven is gehoorzaam zijn aan Gods
geboden. Volgens Luther en Calvijn is de mens van nature geneigd tot kwaad en kan
hij zichzelf dus niet ‘opwerken’ tot een goed mens zonder Gods genade > in
protestantisme toch nog geen sprake van moderne autonomie, want afhankelijk van
God
Locke en Kant over de autonomie van het individu
Autonomie betekent in de Verlichting niet ‘doen waar je zin in hebt’, maar jezelf de wet
opleggen: je bent vrij, maar je handelt volgens regels die je als redelijk en juist erkent
Twee soorten vrijheid in de Verlichting
1. Bescherming van individuele rechten (leven, vrijheid, eigendom) tegen de macht van
anderen, zoals koning of staat. Anderen moeten jouw rechten respecteren sterk
bij Locke
2. Het recht om je eigen leven moreel of religieus in te richten sterk bij Kant
John Locke
Grondlegger van liberalisme met:
- Onvervreemdbare rechten: leven, vrijheid, eigendom (life, liberty, property), die niet
door anderen mogen worden geschonden
o Scheppen ruimte om autonoom leven te leiden en hebben economische
strekking: het recht om te ondernemen en eigendom te verwerven dat niet
door een overheid mag worden afgenomen
- Beperkte overheid: staat beschermt rechten, maar mag ze niet schenden (anders
wordt het een bedreiging voor het leven en vrijheid van burgers
- Nadruk op privé-eigendom
Maar die vrijheid bij Locke is sterk verbonden met een protestante religieuze levenservaring.
Wij denken vrijheid van godsdienstvrijheid: elke religie is toegestaan. Locke: religie moet
toegestaan zijn, zoals zij de vrijheid van het individu respecteert. Als een religie hun geweten
onderdrukt of een machtsstructuur boven de staat vormt, dan vormt zij een probleem >