1. Het onderscheid tussen privaatrecht en
publiekrecht uitleggen en aangeven onder welk rechtsgebied de gegeven
situatie valt;
Het nationale recht wordt onderverdeeld in privaatrecht en publiekrecht.
Privaatrecht, (kan ook civiel recht of burgerlijk recht worden genoemd): in het
privaatrecht staat de rechtsbetrekking tussen burgers centraal. Onder burgers
vallen natuurlijke personen en rechtspersonen: organisatorische eenheden die
aan het rechtsverkeer kunnen deelnemen, zij hebben zelfstandig rechten en
plichten. Zowel natuurlijke personen als rechtspersonen zijn rechtssubjecten: zij
hebben rechten en plichten.
Publiekrecht gaat over de rechtsbetrekkingen tussen de burgers en de overheid.
De overheid kan eenzijdige beslissingen nemen waar jij als burger aan verbonden
bent.
(Artikel citeren uit het BW doe je als volgt; art. 2:100 BW is artikel 100 uit boek 2)
2. Het onderscheid tussen materieel en formeel recht, tussen objectief en
subjectief recht en tussen aanvullend en dwingend recht uitleggen en
aangeven over welke vorm van het recht het gaat;
Materieel recht: de regels waarin het recht personen bepaalde gedragingen
voorschrijft of verbiedt. Het materieel recht bevat dus eigenlijk de inhoud van het
recht. Denk bijvoorbeeld aan de vragen: art. onrechtmatige daad valt onder
materieelrecht.
- Wat zijn jouw rechten en plichten?
- Wat mag je wel en wat mag je niet doen?
- Wat gebeurt er als je bepaalde plichten niet nakomt?
- Wat gebeurt er wanneer je rechten van anderen schendt?
Formeel recht: helpt zo veel mogelijk de naleving van het materiële recht te
verzekeren. Het formele recht is van toepassing als jouw recht is geschonden of
als je jouw verplichtingen niet nakomt. Het geeft namelijk regels voor procedures.
Denk bijvoorbeeld aan volgende vragen:
- Wat kun je doen als de wederpartij zich niet houdt aan de inhoudelijke
(materiële) regels?
- Met welke procedure, met welk optreden van politie en justitie krijgt een
verdachte te maken?
- Wat kun je doen als een overheidsorgaan een besluit neemt waar je het
niet mee eens bent?
Objectief recht: het geheel van rechtsregels die in Nederland gelden. Denk aan
Sr, BW en rechtsnormen die uit gewoonterecht en jurisprudentie zijn ontstaan.
Subjectief recht: de juridische bevoegdheden die een persoon kan hebben op
basis van het objectieve recht. Het subjectieve recht is de bevoegdheid die je
hebt om aanspraak te maken op het objectieve recht. Je hebt de bevoegdheid om
iets te vragen, te vorderen of te eisen van een ander.
,Het aanvullend recht, ook wel regelend recht genoemd vult de afspraken van
partijen aan als zij op een bepaald onderdeel zelf niets hebben geregeld. Voor de
aanvullende regels geldt dus dat je je volgens die regels mag gedragen, maar het
is niet verplicht. Hier spreken we van de contractsvrijheid (partijautonomie)
tussen partijen in het privaatrecht.
Dwingend recht: de partijautonomie wordt beperkt door het dwingend recht. Aan
wetsartikelen van dwingend recht is men wel verplicht zich te houden
3. De verschillende rechtsbronnen benoemen, uitleggen en aan de hand van
re c h t s b ro n n
voorbeelden aangeven hoe deze worden toegepast.
wet
jurisprudenti
e
en
gewoonterec
ht
verdrag
Rechtsbron 1: de wet
Wetten worden gemaakt door de staatsorganen, denk aan de Staten-Generaal en
de regering samen, de provincie en de gemeente. De wetten die de Staten-
Generaal samen maakt zijn wetten in formele zin.
Rechtsbron 2: de jurisprudentie
Jurisprudentie is het geheel van rechterlijke uitspraken. In de samenleving doen
zich steeds nieuwe problemen voor, als de wetgever hier nog geen regels voor
heeft moet de rechter met een uitspraak komen.
Rechtsbron 3: Gewoonterecht
Het gewoonterecht komt voort uit het echte leven. Het wordt niet bedacht door
een wetgever of rechter. Mensen verwachten onderling gedragingen van elkaar.
Het gewoonterecht heeft ook nadelen: het gaat gepaard met rechtsonzekerheid
en rechtsongelijkheid
Rechtsbron 4: het verdrag
In verdragen zijn (internationale) rechtsregels te vinden. Verdragen zijn
overeenkomsten tussen staten of tussen staten en internationale organisaties
zoals de EU, de Raad van Europa en de VN.
, Leerdoelen A2
1. De student weet (basaal) hoe het goederenrecht zich verhoudt tot het
overeenkomstenrecht.
Vermogensrecht: alles wat met geld te maken heeft
Vermogensrecht is te verdelen in verbintenissenrecht (overeenkomstenrecht) en
goederenrecht
Goederenrecht: Gaat om een relatie tussen een persoon en een goed.
Bijvoorbeeld: eigendomsrecht nadat je iets hebt gekocht, dus als je eigenaar bent
van een bepaald product.
Verbintenissenrecht (overeenkomstenrecht): gaat om een relatie tussen
twee of meer personen, waarbij het om geld draait. Persoon A wil (koopt) iets van
persoon B
2. Het begrip ‘verbintenis' juridisch correct definiëren en dit begrip uitleggen;
Een verbintenis is een rechtsbetrekking tussen 2 of meer personen, waarbij deze
personen jegens elkaar rechten en plichten hebben. Bij een verbintenis is de een
verplicht om een prestatie te leveren, deze persoon wordt aangeduid als
schuldenaar of debiteur. De ander heeft recht op die prestatie, en deze
noemen we schuldeiser of crediteur.
Om van een verbintenis te spreken moet er spraken zijn van:
Een rechtsbetrekking (heeft juridische gevolgen), die
Vermogensrechtelijk (de rechtsbetrekking moet op geld waardeerbaar zijn) is,
en
Tussen twee of meer personen geldt.
Een verbintenis kan ontstaan uit de rechtshandeling (bijv. een overeenkomst)
of uit de wet
je verricht een
je sluit een handeling waaraan de
overeenkomst met een wet een gevolg
ander verbindt zonder dat je
dit gevolg gewild hebt
er
ontstaat
een
verbinteni
s