Pre-motorische cortex is betrokken bij proprioceptie.
Upper motorneurons: van motorcortex naar ruggenmerg.
Lower motorneurons: van ruggenmerg naar spier.
Spinale motorneuronen: vanuit ruggenmerg naar spieren.
Afhankelijk van de beweging gaat het via interneuronen of niet.
Snelle motorunits: ‘fast-resistance’ of ‘fast fatique’.
Precentrale girus: motorische cortex
Postcentrale girus: sensorische cortex
Primaire cortex: stuurt spieren aan
- Somatotopie
,Basale ganglia: voorbereiding en initiatie bewegingen
In medulla oblongata kruisen motorneuronen → via laterale kolom naar beneden → ventrale hoorn:
cellichamen motorneuronen die naar hand gaan.
Cellichamen: grijze stof.
Axonen die gemyeliniseerd zijn: witte stof.
Motorunit: 1 motorneuron innerveert meerdere spiervezels met dezelfde eigenschappen.
Postsynaptisch potentiaal = EPP
- ALTIJD bovendrempelig!
- Dus altijd spiervezelpotentiaal
, In skeletspier: Ca alleen uit SR
Gladde spier: Ca uit ECV
Hartspier: Ca uit ECV/SR
Hoe meer kruisbruggen, hoe sterker de contractie. En hoe meer calcium, hoe sterker de contractie.
Endomysium zit om 1 spiervezel heen. Om een klompje spiervezelfs zit perimysium omheen. Om een
gehele spier zit epimysium. Dit bindweefsel wil allemaal een bepaalde vorm aanhouden (terug naar
eigen vorm → passieve kracht).
Oppervlak van spiervezels (meer myofibrillen), bepaald de hoeveelheid kracht.
Soorten contracties:
- Isometrisch: lengte blijft onveranderd
- Concentrisch: spier verkort (spanning blijft gelijk, spier verkort)
- Excentrisch: spier verlengt
AP komt aan → duurt even voordat er een contractie plaatsvindt
Langzame spiervezel: weinig kracht
Kracht wordt deels gereguleerd via frequentiegradatie (summatie van krachten → tetanische
contractie), en deels via recruteringsgradatie (meer motorneuronen = meer motor units, “size
principle”)
- Size principle: eerst S (hoge inputweerstand) → dan FR → dan FF (lage inputweerstand, veel
lekkanalen)
o Wet van Ohm: U = I * R
o Hoe hoger de weerstand, hoe hoger membraanpotentiaal verschil