Inhoudsopgave
Samenvatting syllabus blok 1.2......................................................................................................................... 1
OWE 1.2 .............................................................................................................................................................. 2
Week 6: Schildklierprobleem .......................................................................................................................... 2
Week 8&9: Bloed en anemie .......................................................................................................................... 2
Week 10: Stolling ............................................................................................................................................ 2
OWE 1.4 ............................................................................................................................................................ 10
Week 21: Ademhaling .................................................................................................................................. 10
Week 22: Palpitaties (hart elektrisch en mechanisch) .................................................................................. 12
Week 23: klepgebreken (circulatie) .............................................................................................................. 26
OWE 2.2 ............................................................................................................................................................ 35
Week 6: Hartfalen ......................................................................................................................................... 35
E-Learning: electrocardiografie .................................................................................................................... 56
Practicum: Spirometrie en Hart .................................................................................................................... 60
Week 7: Longaandoeningen ......................................................................................................................... 62
E-Learning: longepitheel ............................................................................................................................... 95
OWE 3.1 ................................................................................................................ Error! Bookmark not defined.
Week 5: Pijn ...................................................................................................... Error! Bookmark not defined.
OWE 3.2 ................................................................................................................ Error! Bookmark not defined.
Week 6: Hoofdpijn ............................................................................................ Error! Bookmark not defined.
Week 7: Halfzijdige verlamming ....................................................................... Error! Bookmark not defined.
Week 8: Bewegingsstoornis .............................................................................. Error! Bookmark not defined.
Week 9: Bewustzijn en coma ............................................................................ Error! Bookmark not defined.
Week 10: Wegraking......................................................................................... Error! Bookmark not defined.
1
,OWE 1.2
Week 6: Schildklierprobleem
Week 8&9: Bloed en anemie
Week 10: Stolling
1. Het autonome zenuwstelsel en de rol van het bijniermerg.
Sympathicus (“fight or flight”) en parasympathicus (“rest and digest”).
Primaire centra: hypothalamus en hersenstam.
Secundaire centra: hersenstam en ruggenmerg.
Tertiaire centra: autonome ganglia.
De zenuwroute bestaat uit twee stappen:
• Preganglionaire neuronen: Deze beginnen in de secundaire centra en sturen hun
gemyeliniseerde axonen naar de autonome ganglia.
• Postganglionaire neuronen: Deze beginnen in de ganglia (tertiair centrum), zijn
ongemyeliniseerd, en verbinden zich van daaruit met de doelorganen.
Sympathische neuronenroute
• Vanuit de hypothalamus/hersenstam (primaire centrum) lopen signalen naar de
intermediolaterale hoorn in ruggenmergsegment T1-L2 (secundair centrum).
• De gemyeliniseerde preganglionaire axonen verlaten het ruggenmerg via de ventrale wortel
en verbinden zich met de spinale zenuw.
• Ze verlaten de spinale zenuw via de witte ramus (myeline maakt deze wit) en komen in de
paravertebrale grensstreng (autonome ganglia).
• Daar kunnen ze:
1. In hetzelfde ganglion synaps maken, waarna postganglionaire axon
(ongemyeliniseerd) via de grijze ramus teruggaat naar de spinale zenuw om huid,
bloedvaten of klieren te innerveren.
2. In een ander ganglion hoger of lager synaps maken en dan hetzelfde proces volgen.
3. Zonder synaps doorlopen als splanchnische zenuw naar prevertebrale ganglia, en
daar synaps maken voor inwendige organen.
Parasympathische neuronenroute
• Preganglionaire neuronen beginnen in hersenstamkernen (bijvoorbeeld hersenzenuwen CN3,
7, 9, 10) of sacrale ruggenmergsegmenten (S2-S4).
• Hun gemyeliniseerde axonen lopen direct naar ganglia dicht bij of in de doelorganen zonder
het gebruik van witte of grijze ramus.
• Postganglionaire neuronen zijn kort en ongemyeliniseerd en sturen signalen naar de organen
2
, Receptor Effect
Sympathicus
α1 Bloedvaten (vasoconstrictie), spieren
α2 Zenuwuiteinden (remming neurotransmissie), pancreas (insuline)
β1 Hart (positief chrono- en inotroop), nieren (stimulatie renine-afgifte)
β2 Longen (bronchodilatatie), bloedvaten (vasodilatatie in actieve
skeletspieren), lever (glycogenolyse)
β3 Vetweefsel (lipolyse)
Parasympathicus
M1 CNS (exciterend), klieren
M2 Hart (negatief chrono- en inotroop)
M3 Gladde spieren (constractie), klieren (secretie)
M4 CNS (remmend, modulatie)
M5 CNS (mogelijke rol in dopamine)
Ezelsbruggetje sympathische receptoren: ß1 zit op het hart, want je hebt maar 1 hart. ß2 zit op de
longen, want je hebt 2 longen.
De volgende organen zijn alleen geïnnerveerd door de sympathicus: bloedvaten, zweetklieren
(pgNT is ACh ipv NA), nieren en bijnieren!
Rol bijniermerg
Het bijniermerg werkt als een versterker van het sympathisch zenuwstelsel. Het bijniermerg ontvangt
direct signalen van een preganglionair synaptisch neuron via ACh afgifte aan zogenaamde
chromaffinecellen. Deze chromaffinecellen reageren op de ACh door grote hoeveelheden adrenaline
(ongeveer 90%) en noradrenaline (ongeveer 10%) aan het bloed af te geven. Deze hormonen
verspreiden zich door het hele lichaam en veroorzaken een snelle en krachtige "fight or flight"-
reactie. Ze zorgen ervoor dat bijvoorbeeld de hartslag omhooggaat, de luchtwegen verwijden, en de
energieproductie in spieren toeneemt. Het bijniermerg fungeert dus als een soort "gemodificeerd
postganglionair neuron" dat het sympathische effect systemisch versterkt.
2. De functie en werking van het glad spierweefsel.
4 soorten contracties:
• Tonisch: normaal gesproken aangespannen
(sfincter) of variabel (bloedvaten).
• Fasisch: normaal gesproken ontspannen
(slokdarm) of variabel (darmen).
3
, Verschil met skeletspier:
• Structuur: actine zit in gladde spieren vast aan dense bodies en kruisbruggen zijn side-polair
i.p.v. biploair. Zorgt voor 80% verkorting. Het SR is minder ontwikkeld dus calcium wordt
voornamelijk uit ECF gehaald.
• Contractie: calcium bindt b i.p.v. troponine. Tragere excitatie-contractiekoppeling (dus minder
ATP nodig)
• Bijzonde eigenschappen gladde spier:
o Latch mechanisme: weinig energie nodig voor het generen van veel kracht.
o Stress-relaxatie: denk aan blaas.
o Slow wave potentials: lokale depolarisaties door periodieke Na+-instroom, waardoor
spontane APs worden ontwikkeld.
3. De samenstelling van het bloed en van de normale hematopoëse in het beenmerg, met
name de erytropoëse.
Bloed bestaat uit plasma en erythrocyten, leukocyten en trombocyten. Rode bloedcellen bevatten
koolzuuranhydrase dat de omzetting van CO2 en water naar bicarbonaat versnelt. Hierdoor kan bloed
grote hoeveelheden CO2 vervoeren. De vorm van een erytrocyt is biconcaaf.
Alle bloedcellen ontstaan uit de multipotente hematopoëtische stamcel en vanuit deze stamcel
onstaan verschillende committed stem cells (CFU) bijv. CFU-E (erytrocyten), CFU-GM (granulocyten
en monocyten) en CFU-M (megakaryocyten → trombocyten). Deze ontwikkeling en deling wordt
geregeld door groeifactoren (IL-3) en differentiatie-inducerende factoren. Bij volwassenen neemt de
activiteit van het beenmerg geleidelijk aan af en wordt het vervangen door vet (geel beenmerg).
Erytropoëse
Erytropoëse is het proces waarbij rode bloedcellen worden gevormd uit stamcellen in het beenmerg.
Het begint bij de CFU-E en verloopt via verschillende ontwikkelingsstadia:
1. Pro-erytroblast
2. Basofiele erytroblast – bevat veel
RNA en kleurt sterk basofiel.
3. Polychromatische erytroblast –
begint hemoglobine te produceren.
4. Orthochromatische erytroblast – de
cel raakt gevuld met hemoglobine;
de kern condenseert en verdwijnt.
5. Reticulocyt – bevat nog resten van
organellen (zoals mitochondriën en
Golgi). Deze cel verlaat het
beenmerg.
6. Rijpe erytrocyt – volledig gevuld
met hemoglobine, zonder kern en
organellen.
Vitamine B12, intrinisc factor (IF) en
foliumzuur zijn cruciaal in het stadium van
de pro-erytroblast tot en met de
polychromatische erytroblast, met name voor de DNA-synthese en celdeling die nodig is voor
normale maturatie van rode bloedcellen. Vitamine B12 wordt alleen gebonden aan IF opgenomen in
de darmen.
4