Inhoudsopgave
Samenvatting syllabus blok 1.3......................................................................................................................... 1
OWE 1.2: Nieuwvorming ..................................................................................................................................... 2
Week 11: Verstoorde hematopoëse, stamcellen ............................................................................................ 2
Week 12: Erfelijke borstkanker ..................................................................................................................... 18
OWE 1.6: Veroudering, kwetsbaarheid en ziekte .............................................................................................. 32
Week 38 & 39: MDL (anatomie, histologie, fysiologie, kliniek) .................................................................... 32
OWE 2.2: Benauwd en moe .............................................................................................................................. 54
Week 8: Basisprincipes oncologie ................................................................................................................ 54
Week 9: Vlekje op de thoraxfoto (longkanker) ............................................................................................. 65
Week 10: Koorts, bloedingen en moeheid ................................................................................................... 75
Week 11: Jeuk, koorts en opgezette klieren ..................................................... Error! Bookmark not defined.
Week 12: Palliatieve Zorg en de Dood .............................................................. Error! Bookmark not defined.
OWE 2.3: Tractus Digestivus ................................................................................. Error! Bookmark not defined.
Week 13: Slikklachten ....................................................................................... Error! Bookmark not defined.
Week 14: Zuurbranden ..................................................................................... Error! Bookmark not defined.
Week 15: Geelzucht .......................................................................................... Error! Bookmark not defined.
Week 16: Bloed bij de ontlasting ...................................................................... Error! Bookmark not defined.
1
,OWE 1.2: Nieuwvorming
Week 11: Verstoorde hematopoëse, stamcellen
1. De rol van stamcellen bij normale hematopoëse.
Hematopoëse: het vormen en ontwikkelen van bloedcellen uit hematopoëtische stamcellen (HSCs) in
het beenmerg. Stamcellen (progenitor cellen) bevinden zich in het beenmerg, terwijl hun rijpe
nakomelingen (bloedcellen) uiteindelijk in het perifere bloed circuleren. Eigenschappen van
stamcellen:
• Zelfvernieuwing: stamcellen kunnen zich delen en ongewijzigd blijven.
• Differentiatievermogen: ze kunnen ontwikkelen tot alle typen bloedcellen.
• Plasticiteit: ze zijn in staat tot aanpassing en ontwikkeling tot diverse bloedceltypen.
Normale hematopoëse start in het beenmerg: HSCs → multipotente progenitor cellen (MPPs), onder
invloed van groeifactoren → myeloïde/lymfoïde stamcellen.
• MPPs: meer proliferatief, maar minder goed zelfvernieuwend.
• Hemapoëitische groeifactoren: IL-3, GM-CSF, M-CSF, Flt-3 Ligand, SCF, erythropoëtine (EPO)
en thrombopoietine (TPO).
Myeloïde lijn: granulocyten, monocyten, macrofagen, trombocyten, erytrocyten
Lymfoïde lijn: T-cellen, B-cellen, NK-cellen, dendritische cellen.
Voor hematopoëse zijn de volgende componenten nodig:
• Gezond stamcelcompartiment
• Fucntionele beenmerg-micro-omgeving
• Voldoende groeifactoren
• Voldoende voedingsstoffen/vitaminen (B12, fosfaat, ijzer)
2. Oorzaken en klinische gevolgen van een verstoorde hematopoëse.
Wanneer één van bovenstaande componenten ontbreekt is er verstoorde hematopoëse.
2
,Clonale hematopoëse = één enkele hematoepoëtische stamcel in het beenmerg krijgt een genetische
mutatie en groeit daarna uit tot een grotere populatie cellen dan normaal, waardoor een deel van
het bloed wordt geproduceerd door die ene gemuteerde kloon. Hoeft niet per se problemen te
geven, maar kan wel later in het leven.
Een defect in stamcellen kan leiden tot beenmergfalen waardoor onvoldoende bloedcellen worden
geproduceerd, met gevolgen zoals:
• Anemie: vermoeidheid, hartkloppingen en bleekheid.
• Leukopenie: koorts, transpiratie en infecties.
• Trombocytopenie: ecchymosen (blauwe plek), petechiën/hematomen en purpura.
Andere oorzaken van pancytopenie
1. Verminderde aanmaak in het beenmerg
• Primaire beenmergziekten: bijvoorbeeld aplastische anemie, myelodysplastisch
syndroom.
• Maligne infiltratie van beenmerg: leukemie, lymfoom, metastasen.
• Infecties: HIV, hepatitis, Parvovirus B19.
• Toxische stoffen: chemotherapie, alcohol, sommige geneesmiddelen.
• Voedingsdeficiënties: vitamine B12, foliumzuur, koper.
2. Verhoogde afbraak of verlies
• Auto-immuunziekten: auto-immuun hemolytische anemie, immuungemedieerde
trombocytopenie.
• Hemofagocytose (hemophagocytic lymphohistiocytosis, HLH): overmatige fagocytose van
bloedcellen door macrofagen.
• Andere zeldzame oorzaken: hypersplenisme, chronische infecties.
Aplastische anemie (AA) ontstaat door groeiremming van stamcellen (bijvoorbeeld door
immuunreactie, medicatie, bestraling), resulterend in een leeg beenmerg en tekort aan alle
bloedceltypen. Myelodysplastisch syndroom (MDS) wordt gekenmerkt door stoornissen in uitrijping
en toegenomen apoptose van voorlopercellen: het beenmerg is hypercellulair, maar functionele rijpe
cellen zijn in het perifere bloed onvoldoende aanwezig. Dit leidt tot ineffectieve hematopoëse en
verhoogde kans op transformatie naar acute myeloïde leukemie. Beide ziekten kunnen leiden tot
zogenaamde "pancytopenie" (tekort aan alle bloedcellen), wat het klinische beeld van beenmergfalen
verklaart.
Aplastische anemie
Kenmerk Beschrijving
Definitie Remming van stamcelgroei → leeg beenmerg (te
kort aan bloedcellen)
Pathogenese Meestal immuungemedieerde vernietiging van hematopoëtische stamcellen
door autoreactieve T-cellen. Soms veroorzaakt door virussen, toxines,
medicatie of erfelijke defecten (bv. Fanconi-anemie).
Beenmergbeeld Hypocellulair, bijna leeg beenmerg met vetinfiltratie en zeer weinig
hematopoëtische cellen.
Perifeer bloed Pancytopenie: tekort aan rode bloedcellen (anemie), witte bloedcellen
(leukopenie), en bloedplaatjes (trombocytopenie).
Symptomen Vermoeidheid, bleekheid (door anemie), infecties (door leukopenie),
bloedingsneiging, petechiën, hematomen (door trombocytopenie).
3
, Cytogenetica Meestal normaal, soms zeldzame afwijkingen.
Behandeling Immunosuppressieve therapie, stamceltransplantatie bij ernstige vormen.
Prognose Afhankelijk van ernst, kan levensbedreigend zijn zonder behandeling. Kans
op herstel bij behandeling.
Myelodysplastisch syndroom
Kenmerk Beschrijving
Definitie Afwijkende uitrijping en toegenomen apoptose in BM → vol beenmerg (hypercellulair),
maar weinig functionele cellen
Pathogenese Mutaties in hematopoëtische precursorcellen leiden tot dysplastische en apoptotische
voorlopercellen die niet goed rijpen en functioneren, ondanks dat het beenmerg
hypercellulair is. Risico op AML-transformatie.
Beenmergbeeld Hypercellulair beenmerg met veel dysplastische, abnormaal gevormde voorlopercellen
(bijv. ringvormige sideroblasten, kernafwijkingen).
Perifeer bloed Pancytopenie door ineffectieve cellenproductie, vaak chronisch beloop.
Symptomen Vermoeidheid, infecties, bloedingsneiging, vaak progressief verloop.
Cytogenetica Vaak afwijkend: del(5q), monosomie 7, TP53-mutaties etc.
Behandeling Afhankelijk van risico: ondersteunend (bloedtransfusies), hypomethylatie-therapie,
stamceltransplantatie bij geselecteerde patiënten.
Prognose Variabel, vaak chronisch progressief; hoog risico op transformatie naar acute myeloïde
leukemie (AML).
3. De celbiologische basis van kanker en de rol van proto-oncogenen en tumorsuppressor
genen hierbij.
Neoplasma = een massa van abnormale cellen, die benigne (goedaardig) of maligne (kwaadaardig)
kan zijn. Ontstaat uit uit één enkele cel, wat leidt tot monoclonale groei.
Dysplasie = abnormale celveranderingen van vorm, grootte en organisatie, zonder echte
tumorvorming, vaak een voorstadium van kanker. Alle hallmarks zijn aanwezig, behalve de
mogelijkheid om te metastaseren.
Kanker = maligne neoplasma, groeit destructief in weefsel en kan uitzaaien naar andere organen. De
kwaadaardige transformatie betreft veranderingen op cellulair niveau die de normale groeiregulatie
doorbreken, waardoor de ziekte zich ontwikkelt en verspreidt.
Driver mutaties = mutaties die meewerken aan het vormen van de maligniteit.
Ontstaan van kanker
De kans op het krijgen van kanker kan erfelijk verhoogd zijn, maar je erft niet de kanker zelf: je erft
hooguit mutaties in genen die de celcyclus reguleren of DNA-schade bewaken. Zelfs met zo’n
predispositie is het risico nooit 100%, omdat ook omgevingsfactoren een grote rol spelen. Kanker
ontstaat uiteindelijk door genotoxische stress, een verzamelnaam voor alle processen die continu
DNA-laesies veroorzaken. Bronnen van genotoxische stress zijn o.a. replicatieve stress, UV-straling,
ioniserende straling en chemische stoffen. Deze veroorzaken een breed scala aan DNA-laesies dat
voortdurend moet worden gerepareerd door gespecialiseerde herstelmechanismen.
4