Huisartsgeneeskunde
1. De student heeft een goed begrip van de niet-acute bovenbuikklachten waarmee de
patiënt de huisarts bezoekt.
Zuurbranden en maagklachten in de eerste lijn
Epidemiologie:
• Maagpijn: 22/1000 per jaar
• Zuurbranden: 7/1000 per jaar
• Huisartsengastroscopie:
o 20-25% refluxziekte of oesofagitis
o 5% ulcus
o 60-70% functionele maagklachten
o Carcinomen <2-3%
Pathofysiologie:
• Roken (sterke associatie), alcohol, voeding, obesitas
• Reflux
• Helicobacter pylori (in Nederland niet heel prevalent) → HP test in de ontlasting
• NSAIDs
• Geneesmiddelen
• Reboundeffect: PPIs en H2-antagonisten
Alarmsymptomen:
• Gewichtsverlies
• Bloedverlies (hematemesis)
• Aanhoudend braken
• Stoornis of pijn bij voedselpassage
• Melena: zwarte ontlasting
DD niet-acute bovenbuiksklachten
• Functionele maagklachten (prikkelbare darmen)
• Refluxoesofagitis
• Maagulcus
• Maagcarcinoom
• Galblaas, pancreas, milt
• Hartinfarct
Overige klachten eerste lijn
Acute buikpijn:
• Minder dan 1/3e bezoekt de huisarts
• 2-3x per week bij de huisarts
• 75% wordt behandeld in de eerste lijn
Chronische buikpijn:
• >1 week aanhoudend
• 15-20% jaarlijkse enkele episodes van buikpijn
• Vrouwen > mannen
• 20-30% van schoolgaande kinderen recidiverende buikpijn
• 95% wordt behandeld in de eerste lijn
1
,Aanvullend onderzoek doen bij:
• Chronische buikpijn
• Bijkomende klachten (ALARMSYMPTOMEN):
o Nachtelijke pijn/diarree
o Koorts
o Algehele malaise
o Rectaal bloedverlies
o >2 weken diarree
o >5% gewichtsverlies
Acute appendicitis
Algemeen Acute appendicitis is een plotseling optredende ontsteking van de appendix
(wormvormig aanhangsel van de blindedarm). Typisch is loslaatpijn
rechtsonder in de buik.
Pathofysiologie Obstructie van het appendiculaire lumen (fecoliet, lymfoïde hyperplasie,
parasiet of tumor) → ↑ intraluminale druk → veneuze congestie → ischemie →
bacteriële overgroei. Dit veroorzaakt eerst vage viscerale pijn (epigastrisch) en
later scherpe somatische pijn in de rechteronderbuik wanneer het peritoneum
wordt geprikkeld. Progressie leidt tot gangreen of perforatie met peritonitis.
Epidemiologie Meest voorkomende chirurgische oorzaak van acute buikpijn. Incidentie: 80–
120/100.000 per jaar. Voornamelijk bij jongeren (10–30 jaar). Iets vaker bij
mannen. 20–30% presenteert zich in een gecompliceerd stadium (abces of
perforatie).
Klinische Eerst viscerale pijn in het epigastrisch gebied. Wanneer het pariëtale
symptomen peritoneum wordt aangeraakt wordt de pijn meer gelokaliseerd (rechtsonder).
Pijn neemt toe. Pijn bij plassen en ontlasting. Temperatuur 38.5 °C. Drukpijn
gehele onderbuik, maximale drukpijn bij McBurney, loslaatpijn, psoasteken
positief. Normale peristaltiek, wisselend tympaan, percussiepijn RLQ. Begon
zonder koorts, later koorts en stijging van CRP van 26 → 90. Negatieve
urinekweek, HCG negatief. Houding voorovergebogen door pijn.
Diagnostiek Lichamelijk onderzoek
• Loslaatpijn bij peritoneale prikkeling.
• McBurney-drukpijn → 1/3 van de lijn tussen de rechtervoorste
bovenste darmbeenkam (spina iliaca anterior superior) en de navel. Dit
is meestal de plek waar de maximale pijn bij appendicitis wordt
gevoeld. Maakt diagnose 8x waarschijnlijker.
• Psoasteken positief → aanspannen m. iliopsoas geeft toename van
pijn.
Lab: CRP!
Aanvullend onderzoek: echo buik.
Behandeling Tegenwoordig vaak eerst antibiotica, op basis van CRP kijken of het aanslaat.
Bij acute buik: chirurgie.
Irritable Bowel Syndrome (IBS)
Algemeen Functionele gastro-intestinale stoornis zonder structurele of biochemische
afwijkingen. Vaak terugkerende buikpijn en veranderd defecatiepatroon
(diarree-obstipatie). Meest voorkomend bij volwassenen, vaker bij
vrouwen. Begint vaak in jongvolwassen leeftijd.
Pathofysiologie • Verstoorde darmmotiliteit
• Verhoogde viscerale gevoeligheid
2
, • Psychosociale factoren (stress, angst)
• Mogelijk verstoring van microbioom of darm-hersenas
Epidemiologie Prevalentie 10–15% van de algemene bevolking.
Familiale clustering mogelijk.
Klinische symptomen • Terugkerende buikpijn of ongemak ≥1 dag/week in de afgelopen 3
maanden
• Geassocieerd met defecatie
• Verandering in frequentie of consistentie van ontlasting
• Wisselend obstipatie en diarree (IBS-M)
• Opgeblazen gevoel, winderigheid
• Geen systemische symptomen zoals koorts, significant
gewichtsverlies of bloederige diarree (dit zijn alarmsymptomen)
Diagnostiek Rome IV-criteria:
• Terugkerende buikpijn gemiddeld ≥1 dag/week in de afgelopen 3
maanden
• Geassocieerd met ≥2 van de volgende:
– Verbetering bij defecatie
– Begin geassocieerd met verandering in ontlastingsfrequentie
– Begin geassocieerd met verandering in ontlastingsconsistentie
• Symptomatische criteria moeten aanwezig zijn minstens 3
maanden, met begin ≥6 maanden geleden
Uitsluiten van alarmsymptomen: bloedverlies, anemie, hoge CRP,
gewichtsverlies.
Laboratorium of beeldvorming alleen indien alarmsymptomen of atypische
presentatie.
Behandeling Leefstijl: vezelrijke voeding, stressreductie, regelmatige maaltijden.
Symptomatisch: antispasmodica, laxeermiddelen bij obstipatie, loperamide
bij diarree.
Dieetinterventies: FODMAP-arm dieet, probiotica.
Psychologische begeleiding bij stress-gerelateerde klachten.
Educatie en reassurance: aandoening is chronisch maar niet
levensbedreigend.
Acute obstipatie
Algemeen Acute of subacute ophoping van feces in het colon of rectum, leidt tot
buikpijn, moeite met defecatie of afwezigheid van ontlasting. Vaak milde
klachten zonder systemische symptomen.
Epidemiologie Zeer frequent in de huisartsenpraktijk.
Vooral oudere volwassenen, maar komt bij alle leeftijden voor.
Risicofactoren: onvoldoende vezel, vochttekort, sedentaire leefstijl,
bepaalde medicatie (opioïden, ijzer, calciumblokkers).
Klinische symptomen • Constante of krampende buikpijn, vaak in linkeronderbuik
• Geen ontlasting gedurende meerdere dagen
• Opgeblazen gevoel
• Soms misselijkheid
• Drukpijn
Normale temperatuur of lichte verhoging.
Geen tekenen van peritonitis (geen loslaatpijn, normale peristaltiek, zachte
buik).
3
, Diagnostiek Klinisch onderzoek: anamnese + palpatie abdomen
Inspectie anus en rectaal toucher bij twijfel
Laboratorium: CRP laag, bloedbeeld meestal normaal
Urine: uitsluiten UWI
Beeldvorming (X-thorax/echo) alleen bij twijfel op fecale impactatie of
obstructie
Maag-, Darm en Leverziekten
2. De student heeft kennis van de structuur ([microscopische] anatomie) en (fysiologische)
functies van slokdarm, maag, pancreas en dunne darm.
Oesofagus
De slokdarm transporteert voedsel van de mond naar de maag door gecoördineerde peristaltiek.
Tijdens het slikken sluit de bovenste slokdarmsfincter, en de onderste slokdarmsfincter (LES) ontspant
om voedsel door te laten.
Structuur slokdarm:
• Bekleed met meerlagig plaveiselepitheel (beschermend tegen wrijving).
• Overgang naar de maag gebeurt ter hoogte van de Z-lijn, waar het epitheel verandert in
cilindrisch epitheel.
Maag
De maagwand bevat verschillende gespecialiseerde cellen:
• Slijmcellen: produceren mucus en bicarbonaat als bescherming tegen zuur.
• Pariëtale cellen: produceren HCl en intrinsieke factor (voor B12-opname).
• Hoofdcellen (chief cells): maken pepsinogeen aan, dat door HCl wordt omgezet in pepsine
(eiwitafbraak).
• Endocriene cellen:
o G-cellen → gastrine (stimuleert zuurproductie)
o ECL-cellen → histamine (stimuleert pariëtale cellen)
o D-cellen → somatostatine (remt zuurproductie)
4