Open Universiteit
Uitgebreiden Samenvatting
Leereenheid 0
1.1 Introductie
Met de genoemde begrippen corresponderen twee titels van het Burgerlijk Wetboek: de tweede
titel van Boek 3 (art. 3:32–59), met als opschrift 'Rechtshandelingen', en de vijfde titel van Boek
6 (art. 6:213–279), geheten 'Overeenkomsten in het algemeen'. Op het te betreden terrein
bevindt zich bovendien titel 3 van Boek 3 (art. 3: 60–79, 'Volmacht'), die ook
rechtshandelingenrecht bevat, maar dan toegespitst op de situatie waarin een rechtshandeling
door de tussenkomst van een gevolmachtigde wordt verricht.
overeenkomstentitel (afdeling 6.5.5, art. 6:261–279) Die afdeling, gewijd aan de wederkerige
overeenkomst, bevat regels die gelegen zijn op het terrein van de nietnakoming – art.
6:262–264 betreffen de opschorting, art. 6:265–278 de ontbinding wegens contractsschending
kan in wezen ook 'totstandkomingsrecht' worden genoemd; het is gewijd aan de bijzondere
situatie waarin een van de betrokkenen de rechtshandeling voor een andere tot stand brengt.
Ook wanneer de totstandkoming van de rechtshandeling als zodanig geheel volgens de regels
verloopt, is het mogelijk dat die (rechts)handeling juridisch geen effect sorteert omdat zij van
rechtswege door nietigheid wordt getroffen. Evenzo kan het zijn dat de onderzochte
rechtshandeling weliswaar in beginsel geldig is, maar die geldigheid door een latere vernietiging
kan verliezen (vernietigbaarheid)..
De rechtshandeling
3. Begrip 'rechtshandeling'
De wetgever heeft aan de rechtshandeling een belangrijke titel van het wetboek gewijd (titel
3.2), maar heeft van het centrale begrip 'rechtshandeling' geen omschrijving opgenomen. Deze
opstelling wordt begrijpelijk zodra men zich realiseert dat in de juridische literatuur op dit punt
geen eenstemmigheid bestaat, en dat het in een dergelijke situatie voor een wetgever, die
'slechts' tot taak heeft een in de praktijk werkbaar regelstelsel te verschaffen, niet verstandig is
om zich – in casu door het opstellen van een definitie – op een bepaalde theorie vast te leggen.
Het ontbreken van een begripsomschrijving neemt niet weg, dat de wet aanwijzingen bevat over
wat de wetgever zich bij het verschijnsel rechtshandeling heeft voorgesteld. Art.3:33 geeft aan
wat voor een rechtshandeling nodig is: een rechtshandeling vereist een op rechtsgevolg
gerichte wil, die zich door een verklaring heeft geopenbaard. In dit artikel, dat een wilsverklaring
als vereiste stelt, komt het wezenskenmerk van de rechtshandeling aan het licht: haar
gerichtheid op een of meer rechtsgevolgen. In de literatuur wordt de rechtshandeling dan ook
vaak gedefinieerd als een handeling die op rechtsgevolg is gericht, of – sterker naar de
,wil van de handelende verwijzend – als een handeling waarmee rechtsgevolg wordt beoogd.
Daarbij is onder 'rechtsgevolg' te verstaan het ontstaan, gewijzigd raken of tenietgaan van een
bepaalde juridische relatie.
De omschrijving van het begrip 'rechtshandeling' is omstreden omdat zij samenhangt met een
verschil aan inzicht met betrekking tot de waarde die aan wil, verklaring en vertrouwen toekomt
in het kader van het totstandkomingsleerstuk. Op dat terrein zijn en worden vele theorieën
verdedigd, waarvan sommige sterk op de handelende persoon en diens bedoelingen zijn
afgestemd (subjectieve benadering), terwijl andere veeleer de uiterlijk waarneembare feiten
centraal stellen, te beoordelen naar verkeersopvattingen (objectieve benadering); . Een
omschrijving als 'een handeling waarmee rechtsgevolg wordt beoogd' is voor subjectief
denkende juristen vrijwel ideaal, maar is voor aanhangers van een meer objectieve benadering
onaantrekkelijk.
Definiëring als 'een handeling die op rechtsgevolg is gericht' is als meer neutraal te
beschouwen, in die zin, dat zij ruimte laat voor het plaatsen van verschillende accenten.
Voorstanders van een subjectieve aanpak kunnen beklemtonen dat de handeling 'is gericht'
dóór de handelende persoon, zodat toch diens bedoelingen centraal staan. Voorstanders van
een objectiever koers kunnen aanvoeren dat de woorden 'is gericht' betrekking hebben op de te
constateren (rechts) handeling als zodanig, zodat de precieze bedoelingen van de handelende
persoon juist naar de achtergrond verdwijnen.
Rechtshandelingen versus andere handelingen
Het gegeven dat zij op het intreden van rechtsgevolg moet zijn gericht, onderscheidt de
rechtshandeling van gewone handelingen. Het lezen van een krant en het lopen door een bos
zijn menselijke handelingen, maar zijn geen rechtshandelingen, want zijn niet gericht op het
ontstaan, het gewijzigd raken of het tenietgaan van een juridische relatie. Dergelijke daden
zullen voor het recht in het algemeen niet interessant zijn. Dit laatste wordt anders wanneer een
persoon zo handelt dat hij aan een ander schade toebrengt, bijvoorbeeld door een ruit in te
gooien. Dit soort feiten is voor het recht wel degelijk van belang. Maar deze belangstelling is
negatief geaard: het recht wenst dergelijk 'onrechtmatig' gedrag niet en verbindt eraan een
verbintenis tot vergoeding van de veroorzaakte schade (art. 6:162 e.v.). Een onrechtmatige
daad is weliswaar een voor het recht relevante handeling, en roept ook een rechtsgevolg in het
leven (er ontstaat een verbintenis tot schadevergoeding), maar daarmee is zij nog geen
rechtshandeling: het gedrag is hier op puur feitelijk gevolg gericht (verbrijzeling van de ruit),
terwijl het recht er uit eigen beweging een verbintenis aan koppelt.
Rechtshandelingen zijn uitsluitend de handelingen die, naar hun aard, gericht zijn op een of
meer bepaalde rechtsgevolgen. Voorbeelden – uit zeer vele – zijn het sluiten van een koop- of
arbeidsovereenkomst en het opzeggen van een huurcontract.
De rechtsgevolgen waarop de genoemde handelingen zijn gericht, zijn respectievelijk het
ontstaan van verbintenissen om een zaak en geld uit te wisselen, het ontstaan van
verbintenissen om arbeid te verrichten en daarvoor loon te betalen, en het tenietgaan van een
bestaande huurverhouding.
,Ten aanzien van dit type gedragingen (rechtshandelingen) is de houding van het recht positief.
Zolang er geen zwaarwegende redenen zijn voor het tegendeel, zal het recht zich achter de
handelende en zijn rechtshandeling opstellen, in die zin dat het de rechtsgevolgen waarop
wordt aangestuurd ook inderdaad doet intreden.
Aldus komt de menselijke autonomie tot uitdrukking, dat wil zeggen de bevoegdheid van elk
individu om de eigen rechtspositie te bepalen (dit autonomie- of zelfbeschikkingsprincipe is het
'moederbeginsel' van de later te behandelen contractsvrijheid, In het vorenstaande werd
gesproken van feiten, handelingen en rechtshandelingen, maar kwam de in dit verband ook
vaak opduikende term 'rechtsfeiten' nog niet ter tafel. Een rechtsfeit kan worden omschreven als
een feit waaraan rechtsgevolg – dus het ontstaan, gewijzigd raken of tenietgaan van een
juridische relatie – is verbonden. Tot deze (omvangrijke) rubriek van de rechtsfeiten behoren
uiteraard de rechtshandelingen. Zoals gezien kunnen ook andersoortige menselijke
handelingen – met name onrechtmatige daden – tot rechtsgevolg leiden; zij zijn dan als
rechtsfeit te kwalificeren. In de derde plaats zijn er 'blote feiten' (niet-handelingen) waaraan het
recht rechtsgevolg verbindt en die daarmee de status van rechtsfeit hebben; te denken is onder
meer aan geboorte of overlijden. Aan de kwalificatie 'rechtsfeit' zijn geen rechtsgevolgen
verbonden. De gedachtegang verloopt immers andersom: een feit wordt rechtsfeit genoemd
omdat – en dus nadat – is geconstateerd dat aan dat feit een of meer rechtsgevolgen
verbonden zijn.
Meerzijdige en eenzijdige rechtshandelingen
De rubriek van de rechtshandelingen kan worden ontleed in meerzijdige en eenzijdige
rechtshandelingen.
De meerzijdige rechtshandeling laat zich omschrijven als een rechtshandeling – dus een op
rechtsgevolg gerichte handeling – die door meer dan één persoon wordt verricht. Het prototype
van deze meerzijdige rechtshandelingen is de overeenkomst, die tot stand wordt gebracht
doordat de ene persoon een aanbod doet, dat door een andere persoon wordt aanvaard (art.
6:217BW).
Zeker wanneer men de term 'overeenkomst' als algemeen begrip opvat en hem niet tot de
verbintenisscheppende overeenkomsten beperkt (zoals art. 6:213 BW), kan worden
geconstateerd dat de rubriek van de meerzijdige rechtshandelingen voor het overgrote deel uit
overeenkomsten bestaat. Maar er zijn ook meerzijdige rechtshandelingen die geen
overeenkomsten zijn; deze komen niet tot stand via het model van aanbod en aanvaarding,
maar bestaan veeleer uit een aantal parallel lopende wilsverklaringen. Men spreekt hierbij wel,
met een aan het Duitse recht ontleende term, van 'Gesamtakte'. Zo'n Gesamtakt doet zich
bijvoorbeeld voor wanneer een vergadering van aandeelhouders van een vennootschap een
meerderheidsbesluit neemt.
Naast de meerzijdige staat de eenzijdige rechtshandeling, die door slechts één persoon tot
stand wordt gebracht. Voor de geldigheid van veel van deze eenzijdige rechtshandelingen is
vereist, dat de bewuste handeling tot een bepaalde andere persoon wordt gericht. Die andere
persoon brengt de handeling niet zelf mede tot stand (zijn instemming is niet nodig), maar hij
, fungeert als ontvanger van de verklaring, als geadresseerde. Te denken is bijvoorbeeld aan de
vernietiging van een koopovereenkomst of aan de opzegging van een huur- of arbeidscontract;
deze rechtshandelingen moeten worden gericht tot de contractuele wederpartij (verkoper/koper,
verhuurder/huurder, werkgever/werknemer), maar zij zijn niettemin eenzijdig, omdat die ander er
niet mee behoeft in te stemmen maar uitsluitend als geadresseerde van de verklaring fungeert.
Zoals al uit de gegeven voorbeelden blijkt, komt de eenzijdige gerichte rechtshandeling in de
praktijk vooral voor in situaties waarin tussen twee personen reeds een bepaalde (contractuele)
relatie bestaat. Men moet dan onderscheid maken tussen aan de ene kant die contractuele
relatie, waarbij twee partijen zijn betrokken, en aan de andere kant de eenzijdige
rechtshandeling van vernietiging of opzegging, die als zodanig slechts één verrichtende partij
kent, maar die zal moeten worden gericht tot degene die bij de bestaande rechtsverhouding de
wederpartij is.
De eenzijdige gerichte rechtshandelingen worden wel 'empfangsbedürftig' genoemd; deze
Duitse term geeft scherper dan ons woord 'gericht' aan dat de ontvangst door een ander
noodzakelijk is.
Naast deze 'eenzijdige gerichte' kent het recht 'eenzijdige niet-gerichte' rechtshandelingen; voor
de totstandkoming hiervan is noch de instemming van een andere persoon, noch de ontvangst
door een bepaalde andere persoon noodzakelijk. Voorbeelden van deze laatste rubriek zijn het
maken van een testament en de verwerping of aanvaarding van een erfenis.
Het maken van een testament geschiedt bij uitsluiting door de erflater zelf en is dus een
eenzijdige rechtshandeling. Deze eenzijdige rechtshandeling is van een niet-gerichte aard. De
nabestaanden fungeren niet als ontvanger van de verklaring; de omstandigheid dat zij later de
gevolgen van het testament zullen ondervinden en dus belanghebbend zijn, doet niet af aan het
feit dat zij bij het opmaken van het testament als zodanig (de rechtshandeling) in geen enkel
opzicht zijn betrokken. Ook de notaris die de notariële akte verzorgt (zie het vormvoorschrift van
art. 4:94) is niet als geadresseerde te beschouwen; hij is weliswaar bij het opmaken van het
testament aanwezig, maar de rechtshandeling is niet tot hem gericht in de hierbedoelde zin.
Ook de aanvaarding en verwerping van erfenissen zijn zulke eenzijdige niet-gerichte
rechtshandelingen.
Het onderscheid tussen eenzijdige gerichte en eenzijdige niet-gerichte rechtshandelingen komt
in diverse wetsartikelen tot uitdrukking. Als voorbeeld kan art. 3: 32 lid 2 worden aangehaald,
dat door een handelingsonbekwame verrichte rechtshandelingen vernietigbaar verklaart, maar
daarop een uitzondering (nietigheid) maakt voor 'een eenzijdige rechtshandeling (...) die niet tot
een of meer bepaalde personen gericht was'. Uit deze en enige andere bepalingen blijkt, dat de
wetgever op het terrein van de nulliteiten geneigd is de eenzijdige gerichte rechtshandelingen
conform de meerzijdige te behandelen, en alleen voor de eenzijdige niet-gerichte
rechtshandelingen een aparte plaats in te ruimen.
Het feit dat eenzijdige gerichte rechtshandelingen herhaaldelijk gelijk aan de meerzijdige
worden behandeld, betekent uiteraard niet dat het verschil tussen beide uit het oog mag worden
verloren. Op punten waarop het 'partijschap' cruciaal is, doet dit verschil zich onverkort gelden: