Hoorcollege week 1, 06 september ’24 hoofdstuk 1
Kernconcept 1
Psychologie is de wetenschap van gedrag en geestelijke processen.
Psychiatrie is een medisch specialisme dat zich richt op de diagnose en
behandelingen van mentale stoornissen.
Pseudopsychologie: niet onderbouwde psychologische aannamen die als
wetenschappelijke waarheden worden gepresenteerd. Is gebaseerd op hoop,
bevestiging van vooroordelen en de goedgelovigheid van de mens.
Kritisch denken:
1. Wat is de bron? is het feitelijke kennis?
2. Is de bewering redelijk of extreem? ‘voor buitengewone beweringen is
buitengewoon bewijs nodig.’
3. Wat is het bewijsmateriaal? Er is wetenschappelijk bewijsmateriaal
nodig. Anekdotisch bewijsmateriaal: getuigenissen die de ervaringen
van iemand schetsen, maar ten onrechte voor wetenschappelijk bewijs
worden aangezien.
4. Kan de conclusie zijn beïnvloed door bias? Bias is een vooroordeel van een
situatie, meestal op basis van persoonlijke ervaringen en waarden. 2
vormen emotionele bias: de neiging om oordelen te vellen gebaseerd
op attitudes en gevoelens, in plaats van op een rationele analyse van het
bewijsmateriaal. confirmation bias: de neiging om informatie die niet
bij je opvattingen aansluit te negeren of te bekritiseren en m in plaats
daarvan informatie te zoeken waar je het wel mee eens bent.
5. Worden veelvoorkomende denkfouten vermeden?
6. Zijn voor het oplossen van het probleem verschillende invalshoeken nodig?
1
,Kernconcept 2
6 perspectieven;
1. Biologisch oorzaak van gedrag ligt in biologische processen; hersenen,
genetica, zenuwstelsel, hormoonstelsel. Het heeft zich ontwikkelt in 2
richtingen:
- Neurowetenschap
- Evolutionaire psychologie
2. Cognitief zintuigelijke en emotionele reacties op bepaalde prikkels
vastleggen door middel van introspectie. Heeft vooral aandacht voor leren,
geheugen, sensatie, taal en denken en nadruk op informatieverwerking.
- Structuralisme: pleitte voor het begrijpen van geestelijke processen
zoals bewustzijn door de inhoud en structuur ervan te onderzoeken.
- Functionalisme: pleitte dat geestelijke processen het best kunnen
worden begrepen met betrekking tot hun adaptieve doel en hun
functies.
3. Behavioristisch zet zich af tegen introspectie (zelfreflectie). Ze gaan af
op observeerbaar gedrag.
4. Gehele persoon wat is een goeie beschrijving van de mens? Globaal
inzicht in persoonlijkheid.
3 standpunten vormen dit perspectief:
- Psychoanalytische benadering: nadruk op psychische stoornissen en
onbewuste processen.
- Humanistische psychologie: het potentieel van de menselijke natuur.
Het legt de nadruk op onze mogelijkheden, groei en potentieel. De
opvattingen die je hebt over jezelf en je fysieke en emotionele
behoeften hebben een grote invloed op je gedachten, emoties en
handelen.
- Karaktertrekken en temperament: verschillen tussen mensen ontstaan
uit verschillen in stabiele kenmerken en neigingen, die karaktertrekken
en temperamenten worden genoemd. Unieke
persoonlijkheidskenmerken die in de tijd en in alle situaties consistent
zijn.
5. Ontwikkeling nadruk op erfelijkheid én omgeving. Opvoeding, wat is
jou aangeleerd? Richt de aandacht op geestelijke en gedragsmatige
veranderingen die voorspelbaar gedurende het gehele leven plaatsvinden.
Deze veranderingen zijn het gevolg van interactie van erfelijkheid en
omgeving. (nature vs nurture)
6. Sociocultureel sociale invloed staat centraal. Invloed van cultuur. Richt
de aandacht op het feit dat elk individu wordt beïnvloed door andere
mensen en door de cultuur waarvan iedereen deel uitmaakt.
Biologische, cognitieve en ontwikkelingsperspectieven hebben de overhand
gekregen.
2
,Kernconcept 3
4 stappen in wetenschappelijke methode;
1. Hypothese ontwikkelen moet weerlegbaar zijn, juist of onjuist.
2. Data verzamelen experimentele groep en controle groep.
Onafhankelijke variabele = de factor die gewijzigd wordt, andere
omstandigheden blijven constant, Randomiseren is de toewijzing aan
groepen op basis van toeval.
3. Resultaten analyseren hypothese verwerpen of accepteren.
4. Publiceren, bekritiseren en repliceren. onderzoek opnieuw
uitvoeren om te zien of je dezelfde uitkomst krijgt.
5 soorten psychologisch onderzoek;
1. Experiment heeft een oorzaak-gevolg relatie
2. Correlatie onderzoek onderzoek waar samenhang en verband wordt
benadrukt. Je gaat op zoek naar een ‘experiment’ dat al toevallig,
onopzettelijk, heeft plaatsgevonden in de wereld buiten het lab. Nadeel: je
weet nooit zeker of de groepen werkelijk op alle vlakken vergelijkbaar zijn.
3. Survey vragenlijsten, mening over…
4. Natuurlijke observatie wanneer je meer wilt weten over
opvoedingspraktijken, winkelgewoonten van een bepaalde groep mensen
of flirten in het openbaar. Nadeel: de omstandigheden zijn veel minder
gecontroleerd dan bij een experiment. Ook heb je geen controle over de
omgeving, kost dus hoop geld en tijd. Voordeel: je ziet gedragingen zoals
ze zich op natuurlijke wijze voordoen.
5. Gevalstudie studie van persoon met zeldzame aandoening of talent.
Ethisch kwesties in psychologisch onderzoek;
1. Onderzoekers zijn verplicht de informatie die ze via het onderzoek hebben
verkregen vertrouwelijk te behandelen.
2. Onderzoekers zijn verplicht hun proefpersonen te beschermen tegen
potentieel schadelijke procedures.
3. Geïnformeerde toestemming verzekering dat deelnemers vrijwillig
meedoen aan het onderzoek.
4. Misleiding proefpersonen moeten wordt verteld met welke problemen ze
te maken krijgen en ze moeten de mogelijkheid hebben om uit te studie te
stappen.
5. Dierstudies het gebruik van proefdieren is alleen toegestaan als het
onderzoek niet op een andere manier kan worden uitgevoerd.
3
, Hoorcollege week 2, 10 september ’24 hoofdstuk 2
Kernconcept 1
Genotype: kenmerken van een organisme zoals die genetisch zijn vastgelegd.
Fenotype: waarneembare fysieke kenmerken. Ook gedrag.
Adaptieve kenmerken zijn ontstaan door aanpassing aan een specifieke
omgeving.
Cellen ontwikkelen zich als reactie op signalen uit je lichaam en je omgeving.
Iedere gebeurtenis wordt als chemische code opgeslagen op het DNA of op
histonen. Dit vormt het epigenoom.
Histoon is een specifiek eiwit waar het DNA zijn spiralen omheen wikkelt. Zit dus
aan de binnenkant van de spiraal.
Op DNA-structuur zitten genen. streng DNA.
DNA kan veranderen door leefomgeving. Delen van DNA kunnen aan en uit
worden gezet. Dit wordt epi genetica genoemd.
Epigenetica is de studie van overerfbare veranderingen die niet terug te vinden
zijn in de genetische informatie die in het DNA gecodeerd zit.
Kernconcept 2
Een neuron is een cel die gespecialiseerd is om informatie te ontvangen, te
verwerken en aan andere cellen door te geven. Een bundeling van een groot
aantal neuronen wordt een zenuw genoemd.
3 groepen neuronen;
1. Sensorische neuronen; geleiden enkel signalen van de zintuigen naar de
hersenen. Dit leidt tot sensaties van zicht, gehoor, smaak, aanraking, geur,
pijn en evenwicht.
2. Motorische neuronen; geleiden signalen vanuit de hersenen en het
ruggenmerg naar de spieren, organen en klieren. Ze geleiden dus de
instructies voor al onze handelingen.
3. Schakelcellen: geeft boodschap van het ene type zenuwcel door aan het
andere type en komt vooral voor in de hersenen en ruggenmerg. Dit
gebeurt bij reflexen. Hierbij communiceren sensorische en motorische
neuronen niet rechtstreeks met elkaar.
Neuron ontvangt signaal via dendrieten. Het signaal wordt doorgestuurd naar het
axon, dat het door middel van een actiepotentiaal (signaal dat door axon gaat)
weer overbrengt naar het axonuiteinde. Hierin bevinden zich neurotransmitters.
Deze worden naar buiten geduwd door trillingen chemische stofjes die vrij
worden gelaten en landen op buitenkant van dendriet. (figuur 2.4)
Dendrieten geven hun berichten door aan het centrale deel van het neuron =
cellichaam/soma. Het bevat chromosomen van de cel.
4
Kernconcept 1
Psychologie is de wetenschap van gedrag en geestelijke processen.
Psychiatrie is een medisch specialisme dat zich richt op de diagnose en
behandelingen van mentale stoornissen.
Pseudopsychologie: niet onderbouwde psychologische aannamen die als
wetenschappelijke waarheden worden gepresenteerd. Is gebaseerd op hoop,
bevestiging van vooroordelen en de goedgelovigheid van de mens.
Kritisch denken:
1. Wat is de bron? is het feitelijke kennis?
2. Is de bewering redelijk of extreem? ‘voor buitengewone beweringen is
buitengewoon bewijs nodig.’
3. Wat is het bewijsmateriaal? Er is wetenschappelijk bewijsmateriaal
nodig. Anekdotisch bewijsmateriaal: getuigenissen die de ervaringen
van iemand schetsen, maar ten onrechte voor wetenschappelijk bewijs
worden aangezien.
4. Kan de conclusie zijn beïnvloed door bias? Bias is een vooroordeel van een
situatie, meestal op basis van persoonlijke ervaringen en waarden. 2
vormen emotionele bias: de neiging om oordelen te vellen gebaseerd
op attitudes en gevoelens, in plaats van op een rationele analyse van het
bewijsmateriaal. confirmation bias: de neiging om informatie die niet
bij je opvattingen aansluit te negeren of te bekritiseren en m in plaats
daarvan informatie te zoeken waar je het wel mee eens bent.
5. Worden veelvoorkomende denkfouten vermeden?
6. Zijn voor het oplossen van het probleem verschillende invalshoeken nodig?
1
,Kernconcept 2
6 perspectieven;
1. Biologisch oorzaak van gedrag ligt in biologische processen; hersenen,
genetica, zenuwstelsel, hormoonstelsel. Het heeft zich ontwikkelt in 2
richtingen:
- Neurowetenschap
- Evolutionaire psychologie
2. Cognitief zintuigelijke en emotionele reacties op bepaalde prikkels
vastleggen door middel van introspectie. Heeft vooral aandacht voor leren,
geheugen, sensatie, taal en denken en nadruk op informatieverwerking.
- Structuralisme: pleitte voor het begrijpen van geestelijke processen
zoals bewustzijn door de inhoud en structuur ervan te onderzoeken.
- Functionalisme: pleitte dat geestelijke processen het best kunnen
worden begrepen met betrekking tot hun adaptieve doel en hun
functies.
3. Behavioristisch zet zich af tegen introspectie (zelfreflectie). Ze gaan af
op observeerbaar gedrag.
4. Gehele persoon wat is een goeie beschrijving van de mens? Globaal
inzicht in persoonlijkheid.
3 standpunten vormen dit perspectief:
- Psychoanalytische benadering: nadruk op psychische stoornissen en
onbewuste processen.
- Humanistische psychologie: het potentieel van de menselijke natuur.
Het legt de nadruk op onze mogelijkheden, groei en potentieel. De
opvattingen die je hebt over jezelf en je fysieke en emotionele
behoeften hebben een grote invloed op je gedachten, emoties en
handelen.
- Karaktertrekken en temperament: verschillen tussen mensen ontstaan
uit verschillen in stabiele kenmerken en neigingen, die karaktertrekken
en temperamenten worden genoemd. Unieke
persoonlijkheidskenmerken die in de tijd en in alle situaties consistent
zijn.
5. Ontwikkeling nadruk op erfelijkheid én omgeving. Opvoeding, wat is
jou aangeleerd? Richt de aandacht op geestelijke en gedragsmatige
veranderingen die voorspelbaar gedurende het gehele leven plaatsvinden.
Deze veranderingen zijn het gevolg van interactie van erfelijkheid en
omgeving. (nature vs nurture)
6. Sociocultureel sociale invloed staat centraal. Invloed van cultuur. Richt
de aandacht op het feit dat elk individu wordt beïnvloed door andere
mensen en door de cultuur waarvan iedereen deel uitmaakt.
Biologische, cognitieve en ontwikkelingsperspectieven hebben de overhand
gekregen.
2
,Kernconcept 3
4 stappen in wetenschappelijke methode;
1. Hypothese ontwikkelen moet weerlegbaar zijn, juist of onjuist.
2. Data verzamelen experimentele groep en controle groep.
Onafhankelijke variabele = de factor die gewijzigd wordt, andere
omstandigheden blijven constant, Randomiseren is de toewijzing aan
groepen op basis van toeval.
3. Resultaten analyseren hypothese verwerpen of accepteren.
4. Publiceren, bekritiseren en repliceren. onderzoek opnieuw
uitvoeren om te zien of je dezelfde uitkomst krijgt.
5 soorten psychologisch onderzoek;
1. Experiment heeft een oorzaak-gevolg relatie
2. Correlatie onderzoek onderzoek waar samenhang en verband wordt
benadrukt. Je gaat op zoek naar een ‘experiment’ dat al toevallig,
onopzettelijk, heeft plaatsgevonden in de wereld buiten het lab. Nadeel: je
weet nooit zeker of de groepen werkelijk op alle vlakken vergelijkbaar zijn.
3. Survey vragenlijsten, mening over…
4. Natuurlijke observatie wanneer je meer wilt weten over
opvoedingspraktijken, winkelgewoonten van een bepaalde groep mensen
of flirten in het openbaar. Nadeel: de omstandigheden zijn veel minder
gecontroleerd dan bij een experiment. Ook heb je geen controle over de
omgeving, kost dus hoop geld en tijd. Voordeel: je ziet gedragingen zoals
ze zich op natuurlijke wijze voordoen.
5. Gevalstudie studie van persoon met zeldzame aandoening of talent.
Ethisch kwesties in psychologisch onderzoek;
1. Onderzoekers zijn verplicht de informatie die ze via het onderzoek hebben
verkregen vertrouwelijk te behandelen.
2. Onderzoekers zijn verplicht hun proefpersonen te beschermen tegen
potentieel schadelijke procedures.
3. Geïnformeerde toestemming verzekering dat deelnemers vrijwillig
meedoen aan het onderzoek.
4. Misleiding proefpersonen moeten wordt verteld met welke problemen ze
te maken krijgen en ze moeten de mogelijkheid hebben om uit te studie te
stappen.
5. Dierstudies het gebruik van proefdieren is alleen toegestaan als het
onderzoek niet op een andere manier kan worden uitgevoerd.
3
, Hoorcollege week 2, 10 september ’24 hoofdstuk 2
Kernconcept 1
Genotype: kenmerken van een organisme zoals die genetisch zijn vastgelegd.
Fenotype: waarneembare fysieke kenmerken. Ook gedrag.
Adaptieve kenmerken zijn ontstaan door aanpassing aan een specifieke
omgeving.
Cellen ontwikkelen zich als reactie op signalen uit je lichaam en je omgeving.
Iedere gebeurtenis wordt als chemische code opgeslagen op het DNA of op
histonen. Dit vormt het epigenoom.
Histoon is een specifiek eiwit waar het DNA zijn spiralen omheen wikkelt. Zit dus
aan de binnenkant van de spiraal.
Op DNA-structuur zitten genen. streng DNA.
DNA kan veranderen door leefomgeving. Delen van DNA kunnen aan en uit
worden gezet. Dit wordt epi genetica genoemd.
Epigenetica is de studie van overerfbare veranderingen die niet terug te vinden
zijn in de genetische informatie die in het DNA gecodeerd zit.
Kernconcept 2
Een neuron is een cel die gespecialiseerd is om informatie te ontvangen, te
verwerken en aan andere cellen door te geven. Een bundeling van een groot
aantal neuronen wordt een zenuw genoemd.
3 groepen neuronen;
1. Sensorische neuronen; geleiden enkel signalen van de zintuigen naar de
hersenen. Dit leidt tot sensaties van zicht, gehoor, smaak, aanraking, geur,
pijn en evenwicht.
2. Motorische neuronen; geleiden signalen vanuit de hersenen en het
ruggenmerg naar de spieren, organen en klieren. Ze geleiden dus de
instructies voor al onze handelingen.
3. Schakelcellen: geeft boodschap van het ene type zenuwcel door aan het
andere type en komt vooral voor in de hersenen en ruggenmerg. Dit
gebeurt bij reflexen. Hierbij communiceren sensorische en motorische
neuronen niet rechtstreeks met elkaar.
Neuron ontvangt signaal via dendrieten. Het signaal wordt doorgestuurd naar het
axon, dat het door middel van een actiepotentiaal (signaal dat door axon gaat)
weer overbrengt naar het axonuiteinde. Hierin bevinden zich neurotransmitters.
Deze worden naar buiten geduwd door trillingen chemische stofjes die vrij
worden gelaten en landen op buitenkant van dendriet. (figuur 2.4)
Dendrieten geven hun berichten door aan het centrale deel van het neuron =
cellichaam/soma. Het bevat chromosomen van de cel.
4