Hoofdstuk 1 Inleiding
Het woord adolescentie wordt gebruikt voor de periode tussen de kinderjaren en de
volwassenheid. Dit is een periode van overgang, waarin zich veel ontwikkelingen voordoen op
verschillende terreinen. Er vinden ontwikkelingen plaats in het verstandelijk functioneren en in
het denken over morele kwesties. De belangrijkste ontwikkelingstaak in de adolescentie is
volgens Erikson: het ontwikkelen van een eigen identiteit.
Emerging adulthood: fenomeen waarbij jongeren zich steeds later volwassen voelen.
Quaterlife crisis: jongeren rond de 25 jaar ervaren moeilijkheden bij het vinden van een plaats in
de volwassen wereld.
Jeugd wordt gedefinieerd als de periode tussen 15 en 24 jaar.
De vroege adolescentie ligt tussen 10 en 13 jaar.
De midden adolescentie ligt tussen 14 en 18 jaar.
De late adolescentie ligt tussen 19 en 23 jaar.
Het begrip puberteit heeft betrekking op het proces van geslachtsrijp worden, inclusief de
hormonale ontwikkeling die de geslachtsrijping en tal van andere rijpings- en
ontwikkelingsprocessen aanstuurt. Er treedt hierdoor verandering op in gedrag en stemmingen.
De adolescentie is de fase waarin de jongeren de veranderingen gaan integreren die zich ten
gevolge van rijping en ontwikkeling voordoen.
Storm and stress (Sturm und Drang) is het begrip voor gedrag dat typerend is voor de
adolescentieperiode, vaak emotioneel en opstandig. Sommigen ervaren grote problemen
tijdens de adolescentie.
Emotionele verwarring en problematische gedragingen zijn niet ongewoon, maar wanneer
moeten we ons afvragen of deze problemen zouden kunnen duiden op een stoornis in de
ontwikkeling?
Steinberg noemt daarbij drie aandachtspunten:
1. De noodzaak om onderscheid te maken tussen eenmalige stemmingen of gedragingen
en meer langdurende patronen.
2. De noodzaak om de diagnostische vraag te stellen of de problemen een symptoom
kunnen zijn van een dreigende stoornis. Het gevaar bestaat dat dit onderscheid niet goed
wordt gemaakt en dat we ten onrechte menen dat de problemen vanzelf zullen overgaan.
3. De timing van het probleemgedrag. Treedt het op in de adolescentie of heeft het zijn
wortels in de periode vóór de adolescentie?
Adolescence limited zijn gedragsproblemen die beginnen in de adolescentie maar niet doorgaan
in de volwassenheid.
De voorgeschiedenis van een kind zegt veel over hoe de problemen tijdens de adolescentie
moeten worden ingeschat.
Risicofactoren zijn factoren die invloed hebben op de ontwikkeling gedurende de adolescentie.
Dit leidt echter niet onvermijdelijk tot een minder goed verloop van de ontwikkeling.
Intra-individuele veranderingen: de veranderingen binnen de persoon over het verloop van de
tijd.
Interindividuele verschillen: verschillen die zich in het verloop van de ontwikkeling tussen
verschillende jongeren voordoen.
Het ontwikkelingsproces wordt door verschillende factoren beïnvloed en is op te vatten als het
resultaat van een langdurige wisselwerking tussen aanleg en omgevingsfactoren: net zoals
persoonskenmerken kunnen leiden tot bepaalde veranderingen in de omgeving, kunnen
omgevingsfactoren de persoon zelf veranderen.
, 1. De adolescentie als een karakteristieke ontwikkelingsperiode, met daaraan verbonden
specifieke ontwikkelingstaken.
Als karakteristiek voor de fase van de adolescentie worden vooral gezien:
- Het vormen van een eigen identiteit en het bereiken van autonomie ten opzichte van de
ouders.
- Manieren van omgaan met bepaalde innerlijke beleefde conflicten.
- Een bepaald niveau van cognitief functioneren.
Ontwikkelingstaken verwijzen naar de eisen en verwachtingen die binnen een bepaalde cultuur
voor een bepaalde leeftijdsgroep gelden. Wat een persoon geleerd heeft tijdens het aanpassen
aan de ene ontwikkelingstaak, heeft consequenties voor hoe hij of zij latere ontwikkelingstaken
gaat aanpakken.
2. De adolescentie als onderdeel van een ontwikkelingsproces met continue en
discontinue momenten.
Continuïteit: de ontwikkeling gaat meestal voort in de richting die er al lang in zit. jongeren
blijven zich ook wel goed ontwikkelen. Vroegere ervaringen van een persoon voorspellen het
latere functioneren.
Discontinuïteit: met jongeren met wie het tot een bepaald moment vrij goed ging, gaat het
ineens minder goed.
Levenslooptrajecten is gedragsverandering op latere leeftijd gebaseerd op vroege ervaringen.
3. Ontwikkelingspsychopathologie: het samenspel tussen individu en omgeving.
De ontwikkelingspsychopathologie richt zich op onderzoek naar de condities waaronder
stoornissen in de ontwikkeling optreden, in stand blijven of verdwijnen, en naar de individuele
verschillen in aanpassing die daarbij voorkomen.
Dynamisch interactionisme: benadrukken dat mensen hun eigen omgeving vormgeven, maar op
hun beurt ook door hun omgeving worden vormgegeven. Wordt ook wel transactionele modellen
genoemd.
Hoe beïnvloedt iemand zijn of haar omgeving?
3 manieren van persoon-omgeving interactie:
- Passieve interactie: het individu krijgt een omgeving die door ouders wordt aangeboden.
Je kiest niet je eigen omgeving.
- Evocatieve interactie: het individu beïnvloedt een omgeving door reacties die men bij
anderen oproept. Bepaalde kenmerken van de persoon hebben bepaalde reacties van de
omgeving tot gevolg. De omgeving verandert dus als gevolg van de reactie die de persoon
uitlokt.
- Actieve interactie: het individu selecteert een omgeving. Ze zoeken bijvoorbeeld vrienden
die bij hen passen, of een werkkring waarin ze zich thuis voelen. De omgeving verandert
dus als gevolg van bepaalde acties van de persoon.
Tijdens de adolescentie lijkt er een verandering plaats te vinden van passieve interacties naar
actieve interacties. Dit komt doordat het belang van acties of keuzes van een individu over de
levensloop toeneemt. Jongeren kunnen gemakkelijker buiten het gezin een nieuwe omgeving
vinden. Deze omgeving kan een negatieve invloed hebben (delinquente vriendengroep) of een
positieve invloed hebben.
,Epigenetica bestudeerd hoe de werking van de genen kan veranderen, bijvoorbeeld onder
invloed van de omgeving, zonder dat daarbij uiteraard de moleculaire genetische structuur zelf
verandert.
Samenspel tussen persoon en omgeving kan onder verdeeld woorden in twee mechanismen:
mediatie en moderatie.
Mediatie: als het effect van de omgeving op het gedrag van een jongere loopt via de persoon,
bijvoorbeeld als het gepest worden door leeftijdsgenoten leidt tot een lage zelfwaardering, en de
lage zelfwaardering vervolgens weer leidt tot depressie en suïcidale gevoelens.
Moderatie: als de effecten van de omgeving afhangen van persoonskenmerken, of als de
effecten van een persoonskenmerk afhangen van de omgeving. Bijvoorbeeld: een jongere met
een drang naar sensatie komt wel in de problemen als hij, bij gebrek aan geld, gaat zwart rijden
en niet als hij, met voldoende geld, zich met een helikopter op een hoge berg laat afzetten om
naar beneden te skiën.
De adolescentie is dus een periode van veel veranderingen. Het gaat hierbij om twee groepen
veranderingen: veranderen binnen de adolescent zelf en veranderingen in relatie tot zijn of haar
omgeving.
De veranderingen binnen elk domein:
1. biologische domein: de adolescentie is de periode van snelle veranderingen in het
uiterlijk en van seksuele ontwikkeling.
2. Cognitief domein: het denken van jongeren. ze kunnen daardoor anderen beter
begrijpen, maar ook eerde de acties van anderen goed- of afkeuren. Ze leren abstract en
hypothetisch denken.
3. Sociaal domein: adolescenten verwerven een andere sociale status omdat ze van rol
veranderen mar ook omdat ze andere interesses krijgen in hun relaties.
, Hoofdstuk 2 Theorieën over de adolescentie
Met de term ‘ontwikkeling’ wordt verwezen naar alle veranderingen in het menselijk gedrag die
samenhangen met de leeftijd.
Ontwikkelingspsychologen proberen 3 dingen te doen:
- Beschrijven van veranderingen die zich voordoen in de loop van de ontwikkeling;
- Verandering verklaren door aan te tonen welke gebeurtenissen aan de basis liggen van
een bepaald verloop van het ontwikkelingsproces;
- Ontwikkeling optimaliseren door bijvoorbeeld interventie programma’s op te zetten.
Ontwikkelingstaken zijn een reeks van taken of uitdagingen die op een bepaald moment in je
leven voorkomen en die je moet oplossen of uitvoeren om goed met je omgeving om te gaan.
Als deze taken goed worden vervuld, voelt de opgroeiende persoon zich tevreden over zichzelf,
krijgt hij positieve reacties vanuit de omgeving en heeft hij meer succes bij het aanpakken van
taken die zich later in het leven aandienen.
Als de taak niet lukt, zal precies het tegenovergestelde gebeuren.
Ontwikkelingstaken worden door verschillende invloeden bepaald:
- Lichamelijke ontwikkeling
- Verwachtingen vanuit de omgeving
- Vanuit de persoon zelf
Er zijn 3 soorten ontwikkelingstaken:
- Opgaven die gelden voor alle jongeren en voor alle tijden → normatief (vorming van de
identiteit of het afstand nemen van de ouders)
- Opgaven die enkel gelden voor jongeren die leven in een bepaalde periode van de
geschiedenis. (door sociale media kunnen jongeren sneller contact leggen met hun
leeftijdsgenoten)
- Opgaven die enkel gelden voor een beperkt aantal jongeren die met grote persoonlijke
veranderingen worden geconfronteerd in hun leven. (Denk aan echtscheiding van hun
ouders, chronische ziekte of beperkingen).
Ontwikkelingstheorieën richten zich op 2 vragen:
- Wat is het dat zich ontwikkelt?
- Op welke manier dragen individu (nature) en omgeving (nurture) eraan bij?
Theoretische benaderingen zorgen voor theoretische inzichten die ervoor zorgen dat de
psychologische ontwikkeling tijdens de adolescentie beter begrepen wordt.
4 theoretische benaderingen van de adolescentie:
Het woord adolescentie wordt gebruikt voor de periode tussen de kinderjaren en de
volwassenheid. Dit is een periode van overgang, waarin zich veel ontwikkelingen voordoen op
verschillende terreinen. Er vinden ontwikkelingen plaats in het verstandelijk functioneren en in
het denken over morele kwesties. De belangrijkste ontwikkelingstaak in de adolescentie is
volgens Erikson: het ontwikkelen van een eigen identiteit.
Emerging adulthood: fenomeen waarbij jongeren zich steeds later volwassen voelen.
Quaterlife crisis: jongeren rond de 25 jaar ervaren moeilijkheden bij het vinden van een plaats in
de volwassen wereld.
Jeugd wordt gedefinieerd als de periode tussen 15 en 24 jaar.
De vroege adolescentie ligt tussen 10 en 13 jaar.
De midden adolescentie ligt tussen 14 en 18 jaar.
De late adolescentie ligt tussen 19 en 23 jaar.
Het begrip puberteit heeft betrekking op het proces van geslachtsrijp worden, inclusief de
hormonale ontwikkeling die de geslachtsrijping en tal van andere rijpings- en
ontwikkelingsprocessen aanstuurt. Er treedt hierdoor verandering op in gedrag en stemmingen.
De adolescentie is de fase waarin de jongeren de veranderingen gaan integreren die zich ten
gevolge van rijping en ontwikkeling voordoen.
Storm and stress (Sturm und Drang) is het begrip voor gedrag dat typerend is voor de
adolescentieperiode, vaak emotioneel en opstandig. Sommigen ervaren grote problemen
tijdens de adolescentie.
Emotionele verwarring en problematische gedragingen zijn niet ongewoon, maar wanneer
moeten we ons afvragen of deze problemen zouden kunnen duiden op een stoornis in de
ontwikkeling?
Steinberg noemt daarbij drie aandachtspunten:
1. De noodzaak om onderscheid te maken tussen eenmalige stemmingen of gedragingen
en meer langdurende patronen.
2. De noodzaak om de diagnostische vraag te stellen of de problemen een symptoom
kunnen zijn van een dreigende stoornis. Het gevaar bestaat dat dit onderscheid niet goed
wordt gemaakt en dat we ten onrechte menen dat de problemen vanzelf zullen overgaan.
3. De timing van het probleemgedrag. Treedt het op in de adolescentie of heeft het zijn
wortels in de periode vóór de adolescentie?
Adolescence limited zijn gedragsproblemen die beginnen in de adolescentie maar niet doorgaan
in de volwassenheid.
De voorgeschiedenis van een kind zegt veel over hoe de problemen tijdens de adolescentie
moeten worden ingeschat.
Risicofactoren zijn factoren die invloed hebben op de ontwikkeling gedurende de adolescentie.
Dit leidt echter niet onvermijdelijk tot een minder goed verloop van de ontwikkeling.
Intra-individuele veranderingen: de veranderingen binnen de persoon over het verloop van de
tijd.
Interindividuele verschillen: verschillen die zich in het verloop van de ontwikkeling tussen
verschillende jongeren voordoen.
Het ontwikkelingsproces wordt door verschillende factoren beïnvloed en is op te vatten als het
resultaat van een langdurige wisselwerking tussen aanleg en omgevingsfactoren: net zoals
persoonskenmerken kunnen leiden tot bepaalde veranderingen in de omgeving, kunnen
omgevingsfactoren de persoon zelf veranderen.
, 1. De adolescentie als een karakteristieke ontwikkelingsperiode, met daaraan verbonden
specifieke ontwikkelingstaken.
Als karakteristiek voor de fase van de adolescentie worden vooral gezien:
- Het vormen van een eigen identiteit en het bereiken van autonomie ten opzichte van de
ouders.
- Manieren van omgaan met bepaalde innerlijke beleefde conflicten.
- Een bepaald niveau van cognitief functioneren.
Ontwikkelingstaken verwijzen naar de eisen en verwachtingen die binnen een bepaalde cultuur
voor een bepaalde leeftijdsgroep gelden. Wat een persoon geleerd heeft tijdens het aanpassen
aan de ene ontwikkelingstaak, heeft consequenties voor hoe hij of zij latere ontwikkelingstaken
gaat aanpakken.
2. De adolescentie als onderdeel van een ontwikkelingsproces met continue en
discontinue momenten.
Continuïteit: de ontwikkeling gaat meestal voort in de richting die er al lang in zit. jongeren
blijven zich ook wel goed ontwikkelen. Vroegere ervaringen van een persoon voorspellen het
latere functioneren.
Discontinuïteit: met jongeren met wie het tot een bepaald moment vrij goed ging, gaat het
ineens minder goed.
Levenslooptrajecten is gedragsverandering op latere leeftijd gebaseerd op vroege ervaringen.
3. Ontwikkelingspsychopathologie: het samenspel tussen individu en omgeving.
De ontwikkelingspsychopathologie richt zich op onderzoek naar de condities waaronder
stoornissen in de ontwikkeling optreden, in stand blijven of verdwijnen, en naar de individuele
verschillen in aanpassing die daarbij voorkomen.
Dynamisch interactionisme: benadrukken dat mensen hun eigen omgeving vormgeven, maar op
hun beurt ook door hun omgeving worden vormgegeven. Wordt ook wel transactionele modellen
genoemd.
Hoe beïnvloedt iemand zijn of haar omgeving?
3 manieren van persoon-omgeving interactie:
- Passieve interactie: het individu krijgt een omgeving die door ouders wordt aangeboden.
Je kiest niet je eigen omgeving.
- Evocatieve interactie: het individu beïnvloedt een omgeving door reacties die men bij
anderen oproept. Bepaalde kenmerken van de persoon hebben bepaalde reacties van de
omgeving tot gevolg. De omgeving verandert dus als gevolg van de reactie die de persoon
uitlokt.
- Actieve interactie: het individu selecteert een omgeving. Ze zoeken bijvoorbeeld vrienden
die bij hen passen, of een werkkring waarin ze zich thuis voelen. De omgeving verandert
dus als gevolg van bepaalde acties van de persoon.
Tijdens de adolescentie lijkt er een verandering plaats te vinden van passieve interacties naar
actieve interacties. Dit komt doordat het belang van acties of keuzes van een individu over de
levensloop toeneemt. Jongeren kunnen gemakkelijker buiten het gezin een nieuwe omgeving
vinden. Deze omgeving kan een negatieve invloed hebben (delinquente vriendengroep) of een
positieve invloed hebben.
,Epigenetica bestudeerd hoe de werking van de genen kan veranderen, bijvoorbeeld onder
invloed van de omgeving, zonder dat daarbij uiteraard de moleculaire genetische structuur zelf
verandert.
Samenspel tussen persoon en omgeving kan onder verdeeld woorden in twee mechanismen:
mediatie en moderatie.
Mediatie: als het effect van de omgeving op het gedrag van een jongere loopt via de persoon,
bijvoorbeeld als het gepest worden door leeftijdsgenoten leidt tot een lage zelfwaardering, en de
lage zelfwaardering vervolgens weer leidt tot depressie en suïcidale gevoelens.
Moderatie: als de effecten van de omgeving afhangen van persoonskenmerken, of als de
effecten van een persoonskenmerk afhangen van de omgeving. Bijvoorbeeld: een jongere met
een drang naar sensatie komt wel in de problemen als hij, bij gebrek aan geld, gaat zwart rijden
en niet als hij, met voldoende geld, zich met een helikopter op een hoge berg laat afzetten om
naar beneden te skiën.
De adolescentie is dus een periode van veel veranderingen. Het gaat hierbij om twee groepen
veranderingen: veranderen binnen de adolescent zelf en veranderingen in relatie tot zijn of haar
omgeving.
De veranderingen binnen elk domein:
1. biologische domein: de adolescentie is de periode van snelle veranderingen in het
uiterlijk en van seksuele ontwikkeling.
2. Cognitief domein: het denken van jongeren. ze kunnen daardoor anderen beter
begrijpen, maar ook eerde de acties van anderen goed- of afkeuren. Ze leren abstract en
hypothetisch denken.
3. Sociaal domein: adolescenten verwerven een andere sociale status omdat ze van rol
veranderen mar ook omdat ze andere interesses krijgen in hun relaties.
, Hoofdstuk 2 Theorieën over de adolescentie
Met de term ‘ontwikkeling’ wordt verwezen naar alle veranderingen in het menselijk gedrag die
samenhangen met de leeftijd.
Ontwikkelingspsychologen proberen 3 dingen te doen:
- Beschrijven van veranderingen die zich voordoen in de loop van de ontwikkeling;
- Verandering verklaren door aan te tonen welke gebeurtenissen aan de basis liggen van
een bepaald verloop van het ontwikkelingsproces;
- Ontwikkeling optimaliseren door bijvoorbeeld interventie programma’s op te zetten.
Ontwikkelingstaken zijn een reeks van taken of uitdagingen die op een bepaald moment in je
leven voorkomen en die je moet oplossen of uitvoeren om goed met je omgeving om te gaan.
Als deze taken goed worden vervuld, voelt de opgroeiende persoon zich tevreden over zichzelf,
krijgt hij positieve reacties vanuit de omgeving en heeft hij meer succes bij het aanpakken van
taken die zich later in het leven aandienen.
Als de taak niet lukt, zal precies het tegenovergestelde gebeuren.
Ontwikkelingstaken worden door verschillende invloeden bepaald:
- Lichamelijke ontwikkeling
- Verwachtingen vanuit de omgeving
- Vanuit de persoon zelf
Er zijn 3 soorten ontwikkelingstaken:
- Opgaven die gelden voor alle jongeren en voor alle tijden → normatief (vorming van de
identiteit of het afstand nemen van de ouders)
- Opgaven die enkel gelden voor jongeren die leven in een bepaalde periode van de
geschiedenis. (door sociale media kunnen jongeren sneller contact leggen met hun
leeftijdsgenoten)
- Opgaven die enkel gelden voor een beperkt aantal jongeren die met grote persoonlijke
veranderingen worden geconfronteerd in hun leven. (Denk aan echtscheiding van hun
ouders, chronische ziekte of beperkingen).
Ontwikkelingstheorieën richten zich op 2 vragen:
- Wat is het dat zich ontwikkelt?
- Op welke manier dragen individu (nature) en omgeving (nurture) eraan bij?
Theoretische benaderingen zorgen voor theoretische inzichten die ervoor zorgen dat de
psychologische ontwikkeling tijdens de adolescentie beter begrepen wordt.
4 theoretische benaderingen van de adolescentie: