CASUS 1
CGO
De student kan uitleggen wat het SAFE-model inhoudt en hoe deze werkwijze
gerelateerd is aan het methodisch verpleegkundig handelen. De student kan op basis
hiervan behandel en herstel perspectieven vaststellen voor een cliënt in de GGZ.
Multidisciplinaire weergave van klinisch redeneerproces bij crisismanagement (psychiatrie).
Situatie → gedragsobservatie en context.
Acties → interventies, proactief beleid en crisisplan.
Follow-up → vervolgacties en monitor focus.
Evaluatie → objectivering patiënten uitkomst.
De student kan belangrijke aandachtspunten formuleren voor de zorgverlening aan
mensen met een borderline persoonlijkheidsstoornis.
- Een open en onbevooroordeelde houding bij het tegemoet treden van mensen helpt.
- Oprechte nieuwsgierigheid om iemand te leren kennen en begrijpen.
- Goed verdiepen in de geschiedenis van de ander en hoe die nog steeds zijn gedrag
en reacties beïnvloedt. Hierdoor snap je waar het gedrag vandaan komt.
- Denken vanuit copingstijlen maakt het makkelijker om samen te zoeken naar
oplossingen.
- Actief zijn → vertrouwen geven dat je betrokken en geïnteresseerd bent.
- Steunen en perspectief bieden.
- Bedachtzaam zijn → blijven reflecteren op zijn gevoelens door een houding van 'niet
weten' aan te nemen.
- Flexibel, pragmatisch en eclectisch handelen → reageren op wat de patiënt oproept
en nodig heeft.
De student heeft kennis van de inhoud en werkwijze van de zorgvorm Intensive Home
Treatment (IHT).
Intensive Home Treatment = iemand wordt niet meer opgevangen/opgenomen in een
kliniek, maar krijgt thuis crisiszorg. Soms worden mensen geplaatst in het logeerhuis, dit is
een normaal huis met keuken, woonkamer en verschillende slaapkamers. Personen kunnen
hier maximaal twee weken verblijven en het is 24/7 beschikbaar en bereikbaar. Het doel is
het voorkomen van een opname. Een aantal personen vallen buiten de IHT-behandeling:
- NAH
- Minderjarige
- Milde psychiatrische problematiek
- Problematiek die verwezen kan worden naar eerste lijn
- Crisis primair als gevolg van middelenmisbruik
- Primair (L)VG-probleem
- (F)ACT inschrijving
- Dakloosheid
- Primair verslavingsprobleem
,De student heeft kennis en inzicht in de begrippen stigmatisering en destigmatisering
en is zich daarnaast bewust van zijn/haar eigen rol hierin.
Stigmatisering = proces waarbij mensen een groep met gemeenschappelijke en afwijkende
kenmerken en/of gedragingen labelt, veroordeelt en uitsluit vaak door onbegrip. De
uitsluiting betreft onder andere rechten, plichten en deelname aan maatschappelijke
activiteiten. Ook wel vooroordelen van een groep (stempel drukken).
Destigmatisering = alles wat betrokken actoren (patiënten zelf, directe omgeving, GGZ,
organisaties in de samenleving) kunnen ondernemen om stigma tegen te gaan. Ook wel de
stempels wegnemen.
LEIDERSCHAP
De student kan in eigen woorden vertellen wat leiderschap is en wat het betekent voor
zichzelf, de patiënt (en familie), collega’s en andere professionals.
Leiderschap = invloed uitoefenen op kwaliteit van zorg.
De student kan het begrip kwaliteit van zorg uitleggen en kan dit toelichten aan de
hand van begrippen genoemd in de kwaliteitsdomeinen.
Donabedian:
Kwaliteit van zorg = kwaliteit is de mate van overeenkomst tussen de criteria van goede
zorg (wenselijke zorg) en de praktijk van die zorg (feitelijke zorg). 3 aspecten van kwaliteit:
1. Structuur; opleidingsniveau, beschikbaarheid van hulpmiddelen en financiële
middelen.
2. Proces; zorgproces, overdracht, handelen van verpleegkundigen.
3. Resultaat; de uitkomst van de zorg over gezondheid en welzijn.
Nationaal Kompas Volksgezondheid:
Kwaliteit is de mate waarin het geheel van eigenschappen van een product, proces en
dienst voldoet aan de eraan gestelde eisen (normen of verwachtingen) die voortvloeien uit
een gebruikersdoel.
Kwaliteitswet Zorginstellingen, dimensies:
1. Professionele kwaliteit; zorg is doeltreffend, veilig en effectief en competente
zorgverleners.
2. Organisatorische kwaliteit; zorg is efficiënt.
3. Patiëntgericht; zorg is afgestemd op de behoefte van de patiënt.
4. Maatschappelijk, moreel en juridisch verantwoord; zorg is tijdig, toegankelijk,
individueel, professional kan verantwoording afleggen over handelen (transparant).
Kwaliteitsdomeinen:
Efficiëntie Zorg die verspilling vermijdt.
Doelgroepgerichtheid Respecteren van voorkeuren, noden en waarden van patiënten en daarnaar handelen.
Veiligheid Vermijden van schade bij interventies die bedoeld zijn voor het bevorderen van de gezondheid.
Effectiviteit De mate waarin geformuleerde doelstellingen in de praktijk worden bereikt.
Tijdigheid Op het juiste tijdstip aanbieden van zorg en voorkomen van onnodige wachttijden na een
positieve screeningsuitslag.
Toegankelijkheid Het in aanmerking komen voor (zorg)voorzieningen en interventies wordt niet belemmerd door
persoonlijke kenmerken.
,Situationeel leiderschap hersey en blanchard
Delegeren → de leidinggevende laat beslissingen en de wijze waarop de taak moet worden
uitgevoerd over aan de medewerkers, deze zijn zelf verantwoordelijk en krijgen dan ook de
nodige bevoegdheden. Deze stijl staat ook bekend als 'management by exception'. Weinig
sturing en ondersteuning.
Steunen → leidinggevende en medewerkers beslissen samen hoe het werk wordt
uitgevoerd. Deze stijl wordt ook wel organisch management genoemd. Weinig sturing en
veel ondersteuning.
Begeleiden → de leidinggevende ondersteunt de medewerker door verantwoordelijkheden
te delen en door veel vragen te stellen: actief luisteren, de ander raadplegen en betrekken,
complimenteren en stimuleren. Wel worden de taken nauwkeurig vastgesteld en zo nodig
gecontroleerd. Deze stijl wordt ook wel aangeduid als resultaatgericht management. Veel
sturing en ondersteuning.
Leiden → deze stijl wordt ook aangeduid als 'management by prescription'. Veel sturing en
weinig ondersteuning; de leidinggevende schrijft voor wat medewerkers moeten doen, geeft
nauwkeurige instructies en controleert de taakuitvoering.
COVA
De student kan benoemen wat onder agressie verstaan wordt.
Agressie = het toebrengen van schade aan materiaal of aan een persoon door het
overschrijden van grenzen, normen of regels van een ander, zich uitend in verbale agressie,
bedreiging, fysieke agressie of agressie naar objecten.
De student kan verschillende definities van agressie benoemen.
Frustratie agressie = mensen raken gefrustreerd, omdat ze gehinderd worden bij het
bereiken van een doel of het bevredigen van een behoefte. Het gaat niet zoals iemand
verwacht had, gewenst had dat het zou gaan.
Instrumentele agressie (doelgericht) = mensen gebruiken bij deze vorm weloverwogen
agressie om hun zin te krijgen. Agressie wordt ingezet als een middel, tegen jou als persoon
om bij jou een bepaald doel te bereiken.
(On)willekeurige agressie = mensen die weinig of geen controle over hun impulsen hebben
en willekeurig reageren, als het tot agressief gedrag komt is dit vaker ongeremder.
Bijvoorbeeld als gevolg van langdurig alcohol- of drugsgebruik. Ook bij mensen met een
psychische stoornis of bepaald ziektebeeld (dementerenden) kan willekeurig agressief
gedrag voorkomen.
AFPF
De student kan uitleggen wat het doel is van preoperatief onderzoek en waaruit dit
kan bestaan.
Preoperatief onderzoek = de gezondheidstoestand van een zorgvrager wordt voorafgaand
aan een operatie in kaart gebracht. Hiermee kan een inschatting worden gemaakt van de
risico’s van de operatie. De uitgebreidheid van de preoperatieve screening hangt af van de
soort operatie, de leeftijd en de aandoeningen van de zorgvrager. Vaak krijgen zorgvragers
een gezondheidsvragenlijst om thuis alvast in te vullen en wordt de medicatie die zij
gebruiken in kaart gebracht. Bij de anamnese is aandacht voor welke aandoeningen en
operaties de zorgvrager heeft (gehad), of diegene allergieën heeft en of diegene eerder
problemen heeft gehad rondom verdoving of narcose. Daarnaast vindt er lichamelijk
, onderzoek plaats. Hierbij worden in ieder geval de lengte en het gewicht van de zorgvrager
bepaald, de bloeddruk en de saturatie gemeten, en vindt auscultatie van hart en longen
plaats. Inspectie van de mond is nodig om de ademweg te beoordelen in verband met
eventuele beademing tijdens de operatie. Wanneer de zorgvrager in aanmerking komt voor
epidurale of spinale anesthesie (via een ruggenprik) kan inspectie van de rug plaatsvinden.
De student kan de aandachtspunten van de anamnese bij het preoperatieve
onderzoek benoemen.
Bij de anamnese is aandacht voor welke aandoeningen en operaties de zorgvrager heeft
(gehad), of diegene allergieën heeft en of diegene eerder problemen heeft gehad rondom
verdoving of narcose. Bij de verpleegkundige anamnese kunnen er nieuwe bevindingen zijn,
zoals allergieën, nieuwe medicatie of zelfmedicatie, die nog niet bekend waren bij de
preoperatieve screening. Ook kan blijken dat de zorgvrager niet (op tijd) met bepaalde
medicatie is gestopt.
De student kan beschrijven welke classificatie wordt gebruikt bij de operatieve
risico-inschatting.
ASA-classificatie = American Society of Anesthesiologists Physical Status Classification
System.
De student kan uitleggen welk aanvullend onderzoek gedaan kan worden bij een
preoperatieve screening en waarom.
Bloedonderzoek of een ecg (hartfilmpje). Bij bloedonderzoek wordt onder andere gekeken
naar stollingswaarden en lever- en nierfunctie, vanwege inschatten van het bloedingsrisico
en mogelijke interactie met geplande medicatie.
De student kan verpleegkundige aandachtspunten benoemen bij de preoperatieve
fase op een afdeling.
Voorlichting over het verloop van de operatie en over wat de zorgvrager na de operatie kan
verwachten kan de spanning verminderen. Overleggen met arts als er nieuwe bevindingen
zijn, zoals allergieën, nieuwe medicatie of zelfmedicatie, die nog niet bekend waren bij de
preoperatieve screening. Ook als de zorgvrager niet (op tijd) met bepaalde medicatie is
gestopt, terwijl dat wel de afspraak was vanuit de preoperatieve screening. Op de afdeling is
vaak per operatie een preoperatief protocol met alle afspraken en interventies. Dit kan
worden aangevuld met specifieke afspraken. Vaak vindt er een preoperatieve controle van
vitale functies plaats. Bij algehele anesthesie en sedatie moet de zorgvrager 'nuchter' zijn.
Nuchter betekent dat de zorgvrager een aantal uur voor de operatie niet mag eten en
drinken. Voorafgaand aan een operatie wordt op de afdeling regelmatig al premedicatie
gegeven.
CGO
De student kan uitleggen wat het SAFE-model inhoudt en hoe deze werkwijze
gerelateerd is aan het methodisch verpleegkundig handelen. De student kan op basis
hiervan behandel en herstel perspectieven vaststellen voor een cliënt in de GGZ.
Multidisciplinaire weergave van klinisch redeneerproces bij crisismanagement (psychiatrie).
Situatie → gedragsobservatie en context.
Acties → interventies, proactief beleid en crisisplan.
Follow-up → vervolgacties en monitor focus.
Evaluatie → objectivering patiënten uitkomst.
De student kan belangrijke aandachtspunten formuleren voor de zorgverlening aan
mensen met een borderline persoonlijkheidsstoornis.
- Een open en onbevooroordeelde houding bij het tegemoet treden van mensen helpt.
- Oprechte nieuwsgierigheid om iemand te leren kennen en begrijpen.
- Goed verdiepen in de geschiedenis van de ander en hoe die nog steeds zijn gedrag
en reacties beïnvloedt. Hierdoor snap je waar het gedrag vandaan komt.
- Denken vanuit copingstijlen maakt het makkelijker om samen te zoeken naar
oplossingen.
- Actief zijn → vertrouwen geven dat je betrokken en geïnteresseerd bent.
- Steunen en perspectief bieden.
- Bedachtzaam zijn → blijven reflecteren op zijn gevoelens door een houding van 'niet
weten' aan te nemen.
- Flexibel, pragmatisch en eclectisch handelen → reageren op wat de patiënt oproept
en nodig heeft.
De student heeft kennis van de inhoud en werkwijze van de zorgvorm Intensive Home
Treatment (IHT).
Intensive Home Treatment = iemand wordt niet meer opgevangen/opgenomen in een
kliniek, maar krijgt thuis crisiszorg. Soms worden mensen geplaatst in het logeerhuis, dit is
een normaal huis met keuken, woonkamer en verschillende slaapkamers. Personen kunnen
hier maximaal twee weken verblijven en het is 24/7 beschikbaar en bereikbaar. Het doel is
het voorkomen van een opname. Een aantal personen vallen buiten de IHT-behandeling:
- NAH
- Minderjarige
- Milde psychiatrische problematiek
- Problematiek die verwezen kan worden naar eerste lijn
- Crisis primair als gevolg van middelenmisbruik
- Primair (L)VG-probleem
- (F)ACT inschrijving
- Dakloosheid
- Primair verslavingsprobleem
,De student heeft kennis en inzicht in de begrippen stigmatisering en destigmatisering
en is zich daarnaast bewust van zijn/haar eigen rol hierin.
Stigmatisering = proces waarbij mensen een groep met gemeenschappelijke en afwijkende
kenmerken en/of gedragingen labelt, veroordeelt en uitsluit vaak door onbegrip. De
uitsluiting betreft onder andere rechten, plichten en deelname aan maatschappelijke
activiteiten. Ook wel vooroordelen van een groep (stempel drukken).
Destigmatisering = alles wat betrokken actoren (patiënten zelf, directe omgeving, GGZ,
organisaties in de samenleving) kunnen ondernemen om stigma tegen te gaan. Ook wel de
stempels wegnemen.
LEIDERSCHAP
De student kan in eigen woorden vertellen wat leiderschap is en wat het betekent voor
zichzelf, de patiënt (en familie), collega’s en andere professionals.
Leiderschap = invloed uitoefenen op kwaliteit van zorg.
De student kan het begrip kwaliteit van zorg uitleggen en kan dit toelichten aan de
hand van begrippen genoemd in de kwaliteitsdomeinen.
Donabedian:
Kwaliteit van zorg = kwaliteit is de mate van overeenkomst tussen de criteria van goede
zorg (wenselijke zorg) en de praktijk van die zorg (feitelijke zorg). 3 aspecten van kwaliteit:
1. Structuur; opleidingsniveau, beschikbaarheid van hulpmiddelen en financiële
middelen.
2. Proces; zorgproces, overdracht, handelen van verpleegkundigen.
3. Resultaat; de uitkomst van de zorg over gezondheid en welzijn.
Nationaal Kompas Volksgezondheid:
Kwaliteit is de mate waarin het geheel van eigenschappen van een product, proces en
dienst voldoet aan de eraan gestelde eisen (normen of verwachtingen) die voortvloeien uit
een gebruikersdoel.
Kwaliteitswet Zorginstellingen, dimensies:
1. Professionele kwaliteit; zorg is doeltreffend, veilig en effectief en competente
zorgverleners.
2. Organisatorische kwaliteit; zorg is efficiënt.
3. Patiëntgericht; zorg is afgestemd op de behoefte van de patiënt.
4. Maatschappelijk, moreel en juridisch verantwoord; zorg is tijdig, toegankelijk,
individueel, professional kan verantwoording afleggen over handelen (transparant).
Kwaliteitsdomeinen:
Efficiëntie Zorg die verspilling vermijdt.
Doelgroepgerichtheid Respecteren van voorkeuren, noden en waarden van patiënten en daarnaar handelen.
Veiligheid Vermijden van schade bij interventies die bedoeld zijn voor het bevorderen van de gezondheid.
Effectiviteit De mate waarin geformuleerde doelstellingen in de praktijk worden bereikt.
Tijdigheid Op het juiste tijdstip aanbieden van zorg en voorkomen van onnodige wachttijden na een
positieve screeningsuitslag.
Toegankelijkheid Het in aanmerking komen voor (zorg)voorzieningen en interventies wordt niet belemmerd door
persoonlijke kenmerken.
,Situationeel leiderschap hersey en blanchard
Delegeren → de leidinggevende laat beslissingen en de wijze waarop de taak moet worden
uitgevoerd over aan de medewerkers, deze zijn zelf verantwoordelijk en krijgen dan ook de
nodige bevoegdheden. Deze stijl staat ook bekend als 'management by exception'. Weinig
sturing en ondersteuning.
Steunen → leidinggevende en medewerkers beslissen samen hoe het werk wordt
uitgevoerd. Deze stijl wordt ook wel organisch management genoemd. Weinig sturing en
veel ondersteuning.
Begeleiden → de leidinggevende ondersteunt de medewerker door verantwoordelijkheden
te delen en door veel vragen te stellen: actief luisteren, de ander raadplegen en betrekken,
complimenteren en stimuleren. Wel worden de taken nauwkeurig vastgesteld en zo nodig
gecontroleerd. Deze stijl wordt ook wel aangeduid als resultaatgericht management. Veel
sturing en ondersteuning.
Leiden → deze stijl wordt ook aangeduid als 'management by prescription'. Veel sturing en
weinig ondersteuning; de leidinggevende schrijft voor wat medewerkers moeten doen, geeft
nauwkeurige instructies en controleert de taakuitvoering.
COVA
De student kan benoemen wat onder agressie verstaan wordt.
Agressie = het toebrengen van schade aan materiaal of aan een persoon door het
overschrijden van grenzen, normen of regels van een ander, zich uitend in verbale agressie,
bedreiging, fysieke agressie of agressie naar objecten.
De student kan verschillende definities van agressie benoemen.
Frustratie agressie = mensen raken gefrustreerd, omdat ze gehinderd worden bij het
bereiken van een doel of het bevredigen van een behoefte. Het gaat niet zoals iemand
verwacht had, gewenst had dat het zou gaan.
Instrumentele agressie (doelgericht) = mensen gebruiken bij deze vorm weloverwogen
agressie om hun zin te krijgen. Agressie wordt ingezet als een middel, tegen jou als persoon
om bij jou een bepaald doel te bereiken.
(On)willekeurige agressie = mensen die weinig of geen controle over hun impulsen hebben
en willekeurig reageren, als het tot agressief gedrag komt is dit vaker ongeremder.
Bijvoorbeeld als gevolg van langdurig alcohol- of drugsgebruik. Ook bij mensen met een
psychische stoornis of bepaald ziektebeeld (dementerenden) kan willekeurig agressief
gedrag voorkomen.
AFPF
De student kan uitleggen wat het doel is van preoperatief onderzoek en waaruit dit
kan bestaan.
Preoperatief onderzoek = de gezondheidstoestand van een zorgvrager wordt voorafgaand
aan een operatie in kaart gebracht. Hiermee kan een inschatting worden gemaakt van de
risico’s van de operatie. De uitgebreidheid van de preoperatieve screening hangt af van de
soort operatie, de leeftijd en de aandoeningen van de zorgvrager. Vaak krijgen zorgvragers
een gezondheidsvragenlijst om thuis alvast in te vullen en wordt de medicatie die zij
gebruiken in kaart gebracht. Bij de anamnese is aandacht voor welke aandoeningen en
operaties de zorgvrager heeft (gehad), of diegene allergieën heeft en of diegene eerder
problemen heeft gehad rondom verdoving of narcose. Daarnaast vindt er lichamelijk
, onderzoek plaats. Hierbij worden in ieder geval de lengte en het gewicht van de zorgvrager
bepaald, de bloeddruk en de saturatie gemeten, en vindt auscultatie van hart en longen
plaats. Inspectie van de mond is nodig om de ademweg te beoordelen in verband met
eventuele beademing tijdens de operatie. Wanneer de zorgvrager in aanmerking komt voor
epidurale of spinale anesthesie (via een ruggenprik) kan inspectie van de rug plaatsvinden.
De student kan de aandachtspunten van de anamnese bij het preoperatieve
onderzoek benoemen.
Bij de anamnese is aandacht voor welke aandoeningen en operaties de zorgvrager heeft
(gehad), of diegene allergieën heeft en of diegene eerder problemen heeft gehad rondom
verdoving of narcose. Bij de verpleegkundige anamnese kunnen er nieuwe bevindingen zijn,
zoals allergieën, nieuwe medicatie of zelfmedicatie, die nog niet bekend waren bij de
preoperatieve screening. Ook kan blijken dat de zorgvrager niet (op tijd) met bepaalde
medicatie is gestopt.
De student kan beschrijven welke classificatie wordt gebruikt bij de operatieve
risico-inschatting.
ASA-classificatie = American Society of Anesthesiologists Physical Status Classification
System.
De student kan uitleggen welk aanvullend onderzoek gedaan kan worden bij een
preoperatieve screening en waarom.
Bloedonderzoek of een ecg (hartfilmpje). Bij bloedonderzoek wordt onder andere gekeken
naar stollingswaarden en lever- en nierfunctie, vanwege inschatten van het bloedingsrisico
en mogelijke interactie met geplande medicatie.
De student kan verpleegkundige aandachtspunten benoemen bij de preoperatieve
fase op een afdeling.
Voorlichting over het verloop van de operatie en over wat de zorgvrager na de operatie kan
verwachten kan de spanning verminderen. Overleggen met arts als er nieuwe bevindingen
zijn, zoals allergieën, nieuwe medicatie of zelfmedicatie, die nog niet bekend waren bij de
preoperatieve screening. Ook als de zorgvrager niet (op tijd) met bepaalde medicatie is
gestopt, terwijl dat wel de afspraak was vanuit de preoperatieve screening. Op de afdeling is
vaak per operatie een preoperatief protocol met alle afspraken en interventies. Dit kan
worden aangevuld met specifieke afspraken. Vaak vindt er een preoperatieve controle van
vitale functies plaats. Bij algehele anesthesie en sedatie moet de zorgvrager 'nuchter' zijn.
Nuchter betekent dat de zorgvrager een aantal uur voor de operatie niet mag eten en
drinken. Voorafgaand aan een operatie wordt op de afdeling regelmatig al premedicatie
gegeven.