S YSTEEM WEEK 1.1 – R ECHTSPERSONEN EN PERSONENVENNOOTSCHAPPEN
Er bestaan twee soorten rechtssubjecten (drager van rechten en plichten, kan deelnemen aan
het privaatrechtelijke rechtsverkeer): natuurlijke personen en rechtspersonen. Er bestaan
verschillende rechtsvormen met rechtspersoonlijkheid (zie art 2:3 BW). Deze hebben allemaal
bepaalde materiële (voorwaarden inkleuring rechtsvorm) en formele kenmerken (voorwaarden
tot stand koming rechtsvorm):
Besloten vennootschap (BV) (art 2:175 BW)
- Materieel – een BV is een rechtspersoon met aandelen op naam (overdracht kan via
notaris). De aandeelhouders zijn niet persoonlijk aansprakelijk voor wat vanuit de
vennootschap wordt verricht en kan alleen de inleg van zijn aandelen verliezen.
- Formeel – wordt opgericht bij notariële akte en moet worden ingeschreven in het
handelsregister. Er is geen startkapitaal vereist.
Naamloze vennootschap (NV) (art 2:64 BW)
- Materieel – een NV is een rechtspersoon met aandelen die vrij verhandelbaar zijn op de
beurs. Aandeelhouders zijn niet persoonlijk aansprakelijk voor wat vanuit de
vennootschap wordt verricht en kan alleen de inleg van zijn aandelen verliezen.
- Formeel – wordt opgericht bij notariële akte en moet worden ingeschreven in het
handelsregister. Er is een startkapitaal van 45.000 euro nodig.
In arrest NV ‘de Hoop’ werd de rechtspersoonlijkheid van de NV als eerst aanvaard. Voorheen
werd dit namelijk gezien als een overeenkomst.
Stichting (art 2:285 BW)
- Materieel – een stichting heeft geen leden, enkel een bestuur. Ze hebben een
maatschappelijk doel welke ze met hun vermogen willen verwezenlijken. Alleen
daarvoor mogen ze uitkeringen doen.
- Formeel – wordt opgericht bij notariële akte en moet worden ingeschreven in het
handelsregister.
Vereniging (art 2:26 BW)
- Materieel – een vereniging is een ledenorganisatie met een gemeenschappelijk doel.
Winst mag niet onder haar leden worden verdeeld, het mag enkel t.b.v. de vereniging
worden gebruikt. Het bestuur beheert de vereniging.
- Formeel – een vereniging kan formeel of informeel zijn. Formele verenigingen zijn
opgericht bij notariële akte en moeten worden ingeschreven in het handelsregister.
Informele verenigingen zijn dit niet; de bestuurders zijn dan hoofdelijk aansprakelijk voor
schulden uit rechtshandelingen die tijdens hun bestuur plaatsvinden.
Coöperatie en onderlinge waarborgmaatschappij (art 2:53 BW)
- Materieel – ledenorganisaties met een economisch doel. Een coöperatie richt zich op
zakelijke samenwerking ten behoeve van een collectief doel en de onderlinge
waarborgmaatschappij sluit een verzekeringsovereenkomst met haar leden. Het bestuur
is niet hoofdelijk aansprakelijk.
- Formeel – wordt opgericht bij notariële akte en moet worden ingeschreven in het
handelsregister.
1
,Naast rechtsvormen met rechtspersoonlijkheid, bestaan er ook een aantal rechtsvormen
zonder rechtspersoonlijkheid (ook wel personenvennootschappen) met bijbehorende materiële
en formele kenmerken:
Eenmanszaak (geen wettelijke grondslag)
- Materieel – in geval van een eenmanszaak is er geen scheiding tussen persoonlijk en
zakelijk vermogen. Eigenaar is dan ook persoonlijk aansprakelijk met zijn eigen
vermogen. Al gaat een eenmanszaak failliet is het verhaalsrecht geregeld in art 3:276
BW.
- Formeel – inschrijving in het handelsregister is verplicht, verder is een eenmanszaak
vormvrij.
Maatschap (art 7A:1655 BW)
- Materieel – een samenwerkingsverband van 2 of meer personen om een beroep of
bedrijf uit te oefenen met een gemeenschappelijk doel (vaak winst). In beginsel zijn alle
maten aansprakelijk voor gelijke delen met hun persoonlijke vermogen (art 7A:1680 BW).
Al gaat een maat op eigen houtje een verplichting aan, is alleen hij daar persoonlijk voor
aansprakelijk.
- Formeel – wordt opgericht door een vormvrije overeenkomst (wel gebonden aan
bepaalde artikelen uit boek 7A) en inschrijving in het handelsregister is verplicht. Alle
maten brengen iets in; dit kan geld, goederen, genot van goederen en arbeid zijn
(verschil met een rechtspersoon, daar kun je alleen geld inbrengen). Een maatschap kan
worden ontbonden door een van de in art 7A:1683 BW genoemde situaties.
Er zijn twee soorten maatschappen: stille en openbare maatschappen. Stille maatschappen
worden niet naar buiten toe kenbaar gemaakt onder een gemeenschappelijke naam, terwijl
openbare maatschappen worden ingeschreven in het handelsregister onder een openbare
gemeenschappelijke naam. Verder kan een maatschap een beroep of bedrijf uitoefenen. In
geval van een beroep gaat het met name om een samenwerkingsverband waarin persoonlijke
dienstverlening voorop staat en kunnen de maten hun kwaliteiten ontwikkelen. Bij een
bedrijfsuitvoering staat daarentegen de winst voorop.
De maatschap is als het ware de ‘moedervorm’, waar ook de VOF en CV onder vallen. Alles wat
voor de maatschap geldt, geldt ook voor de VOF en CV plus een paar extra kenmerken (zie
hieronder). Op basis van volgend schema kun je bepalen met welk type rechtsvorm je te maken
hebt:
2
, Vennootschap onder firma (VOF) (art 16 K)
- Materieel – een VOF oefent een bedrijf uit onder een gemeenschappelijke naam
(openbaar). Vennoten handelen in naam van de vennootschap en alle vennoten zijn
hoofdelijk aansprakelijk.
- Formeel – inschrijving in het handelsregister is verplicht.
Commanditaire vennootschap (CV) (art 19 K)
- Materieel – bestaat naast beherende vennoten, ook uit stille vennoten die in de
vennootschap hebben geïnvesteerd. De stille vennoten zijn enkel geldschieters en zijn
dan ook niet aansprakelijk, enkel voor hun inbreng.
- Formeel - inschrijving in het handelsregister is verplicht.
Om te bepalen met welke rechtsvorm je te maken hebt, volg je het volgende stappenplan:
(1) Heeft de rechtsvorm rechtspersoonlijkheid of is het een personenvennootschap? – kijk
hiervoor of er iets wordt gezegd over oprichting bij notariële akte en de inbreng. Al wordt
er iets anders dan geld ingebracht, gaat het om een personenvennootschap;
(2) Is er aan de basisvoorwaarden van een maatschap voldaan? – is er sprake van een
overeenkomst, is er een inbreng, is er en gemeenschappelijk doel, gaat met om 2 of
meer personen en is er een uitoefening in beroep of bedrijf;
(3) Is het een openbaar of stil maatschap?
(4) Is het een uitoefening in beroep of bedrijf?
(5) Zijn er stille maten (geldschieters)? – zie schema hierboven voor uitkomsten.
S YSTEEM WEEK 1.2 – P ERSONENVENNOOTSCHAPPEN ( VERMOGEN EN EXTERNE
VERHOUDINGEN )
Bij een maatschap moet iedere maat iets inleggen (geld, goederen, genot van goederen of arbeid
ex art 7A:1662 BW). Dit kan op verschillende manieren:
(1) Inbreng van juridisch eigendom – het goed wordt overgedragen aan de gezamenlijke
vennoten en zij worden gezamenlijk eigenaar. Waardeveranderingen en risico’s komen
nu voor rekening van de maatschap;
(2) Inbreng van genot – inleggende vennoot blijft eigenaar, enkel het recht om het goed te
gebruiken wordt ingebracht. Waardeveranderingen en risico’s blijven voor de eigenaar;
(3) Inbreng van economisch eigendom – eigendom blijft bij de inbrenger, maar de risico’s
een waardeveranderingen komen voor rekening van de maatschap.
In het geval van huur is er geen sprake van inbreng van genot, omdat er dan een tegenprestatie
tegenover de inbreng staat. Je bent als huurder geen vennoot, je brengt namelijk niets in.
Wanneer er geen specifieke afspraken zijn gemaakt over winst en verlies, krijgt elke vennoot een
aandeel dat proportioneel is aan zijn inbreng in de maatschap (art 7A:1670 BW). De maten
kunnen hier in hun overeenkomst afspraken over maken, maar dit heeft alleen interne werking.
De enige beperking hieraan is dat een vennoot niet volledig mag worden uitgesloten van de
winst (art 7A:1672 lid 1 BW), ook wel een leeuwenvennootschap. Het is wel mogelijk dat een
vennoot alle verliezen op zich neemt (lid 2).
Bij een personenvennootschap bestaat het vennootschapsvermogen uit de inbreng van alle
vennoten gezamenlijk. Er ontstaat dan een gemeenschap (art 3:166 BW). Dit is een
afgescheiden vermogen, omdat enkel schuldeisers van de vennootschap zich hier op kunnen
verhalen – privé schuldeisers niet.
3