C&V WEEK 1 – OVERDRACHT
Goederen kunnen worden verkregen onder algemene en bijzondere titel (art 3:80 BW).
Verkrijging onder algemene titel kan onder andere door erfopvolging, onder bijzondere door
overdracht, verjaring en onteigening. Bij algemene titel gaan zowel de activa als passiva
(schulden) van rechtswege over – je treed dan in de volledige juridische positie (rechten en
plichten) van de voorganger – maar bij bijzondere enkel de activa (rechten).
Daarnaast kan verkrijging originaire of derivatief zijn. In geval van originaire verkrijging ontstaat er
een nieuw recht, onafhankelijk van de voorganger, terwijl bij derivatieve verkrijging het recht
wordt ontleend aan de voorganger – het recht gaat over inclusief beperkingen die er al op
rustten.
Erfopvolging is derivatieve verkrijging onder algemene titel. Er is een opvolging van bezit en
houderschap in de zin van art 3:116 BW.
Verjaring daarentegen is een originaire verkrijging onder bijzondere titel. Er bestaan
verschillende termijnen voor verkrijgende verjaring te goeder trouw (art 3:99 BW) en niet te
goeder trouw/te kwader trouw (art 3:105 jo 3:306 BW). In het geval van verjaring niet te goeder
trouw/te kwader trouw noem je dit bevrijdende verjaring.
Verder staan er vanaf art 5:4 BW nog een paar overige vormen van originaire verkrijging onder
bijzondere titel, zoals schatvinding.
Overdracht is een derivatieve verkrijging onder bijzondere titel. Voor een geldige overdracht zijn
er drie vereisten (art 3:84 lid 1 BW):
(1) Geldige titel – een rechtsverhouding/overeenkomst die de overdracht rechtvaardigt,
zoals een koop, ruil en schenking. Vanaf art 3:32 BW staan er een aantal punten die een
titelgebrek opleveren. Denk aan handelingsonbekwaamheid (bijv. bij minderjarigheid),
wilsontbreken, geestelijke stoornis, wilsgebreken of in strijd met de wet of openbare
orde;
(2) Beschikkingsbevoegdheid – degenen die bevoegd zijn om een goed of zaak te
vervreemden zijn eigenaren van zaken, rechthebbenden op goederen, gerechtigden tot
een bepaald recht en crediteuren van vorderingen;
(3) Levering – dit is afhankelijk van de aard van het goed. Roerende zaken, niet
registergoederen moeten ex art 3:90 jo art 3:114 BW corporeel overgedragen door een
feitelijke handeling (bezitsverschaffing), onroerende zaken, registergoederen volgens art
3:89 BW en vorderingsrechten op naam volgens art 3:94 BW.
Levering kan ook zonder feitelijke handeling, maar bij tweezijdige verklaring (art 3:115 aanhef
BW):
(a) Constitutum possessorium (CP-levering) – de vervreemder blijft na levering houder van
de zaak voor de verkrijger;
(b) Traditio brevi manu (overdracht met de korte hand) – de
verkrijger is reeds houder van de zaak voor de
vervreemder;
1
, (c) Tradituo longa manu (overdracht met
de lange hand) – de zaak bevind zich
bij een derde, maar gaat over van
eigenaar. Bezit gaat pas over na
mededeling van vervreemder of
verkrijger aan houder.
Wanneer de vervreemder achteraf niet beschikkingsbevoegd bleek te zijn, bestaat er
derdenbescherming voor de derde (art 3:86 lid 1 BW). Overdracht zou anders namelijk niet geldig
zijn. Het moet hiervoor gaan om een goed van de juiste soort (roerende zaak, niet-registergoed,
recht aan toonder of order), een verkrijging anders dan om niet zijn en verkrijger moet te goeder
trouw zijn (art 3:11 BW). Is dat het geval, dan geniet de derde bescherming en is er sprake van
een geldige overdracht. In geval van diefstal kan een officieel eigenaar echter wel eigendom van
zijn roerende zaak revindiceren binnen drie jaar vanaf de diefstal (art 3:86 lid 3 aanhef BW), tenzij
de in de subjes genoemde gevallen.
Voor registergoederen en alle andere niet in art 3:86 BW genoemde goederen, biedt art 3:88 BW
derdenbescherming.
Om dit goed te kunnen toepassen is het belangrijk om het onderscheid tussen eigendom, bezit
en houderschap te weten:
- Eigendom is het meest omvattende recht dat een persoon op een goed kan hebben (art
5:1 BW). Je bent eigenaar wanneer een goed of zaak op juiste wijze is verkregen (kan
onder algemene of bijzondere titel);
- Bezit is het houden van een goed voor jezelf (art 3:107 lid 1 BW). Dit kan onmiddellijk zijn,
als je zelf de feitelijke macht over het goed uitoefent (lid 2), of middellijk wanneer iemand
het bezit voor jou houdt (lid 3). Als bezitter ben je niet altijd eigenaar. Als je bijvoorbeeld
iets steelt, houdt je iets van een ander maar voer je de feitelijke macht uit voor jezelf. Je
bent dan bezitter te kwader trouw. Het eigendom in dat geval gaat pas over bij verjaring;
- Houderschap houdt in dat iemand de feitelijke macht over een goed heeft, maar dit voor
een ander houdt, bijvoorbeeld als je iets leent. Ook houderschap kan onmiddellijk en
middellijk zijn op overeenkomstige manier (bijv. wanneer je een geleende telefoon naar
de reparateur hebt gebracht: reparateur is dan de middellijk houder en jij onmiddellijk)
(lid 4). Als houder kun je zelf niet zomaar wijzigingen uitvoeren in jouw rechtspositie, tot
de eigenaar daar verandering in brengt (inversieverbod art 3:111 BW). Hij kan echter wel
anderen subhouder (middellijk/onmiddellijk) maken, zoals in het voorbeeld van de
reparateur.
Belangrijk is dat je als houder in beginsel geen zaak of goed kunt leveren, omdat je niet de
bezitter bent. Bij levering wordt het bezit namelijk overgedragen (nemo plus-beginsel: je kunt niet
meer rechten overdragen dan je zelf hebt). Een houder kan daarom niet CP-leveren: vervreemder
moet bezitter zijn (art 3:115 aanhef sub a BW). Al gebeurd dit toch, is de overdracht niet geldig
vanwege een ongeldige levering. Art 3:86 lid 1 BW biedt hier geen bescherming tegen, enkel
tegen de beschikkingsonbevoegdheid.
Volgens het HR Berg/De Bary kan een CP-levering overgaan in longa manu, wanneer
vervreemder (houder) of verkrijger mededeling van de overdracht doet aan de subhouder/derde-
houder waar het goed zich bevindt (wanneer houder de zaak bijvoorbeeld ergens anders heeft
opgeslagen). Door deze mededeling is volgens HR Lease Plan Nederland/IBM er aan verkrijger
2
, voldoende feitelijke macht verschaft, waardoor het toch als een geldige levering wordt gezien.
Verkrijger kan dan wél een beroep doen op de derdenbescherming van 3:86 lid 1 BW in geval van
een beschikkingsonbevoegde vervreemder.
Wanneer een overeenkomst wordt vernietigd, heeft dit terugwerkende kracht tot het moment
waarop de betreffende rechtshandeling is verricht (art 3:53 BW). In het geval van overdracht, zal
het eigendom van rechtswege teruggaan naar de eerdere eigenaar. De feitelijke toestand blijft
verder hetzelfde: bezit blijft waar het op dat moment is. Als er een derde partij in het spel is die
voor de vernietiging eigenaar was, is art 3:90 lid 2 BW van toepassing. Wanneer de zaak op dat
moment nog niet in handen is van die derde (bij CP-levering), dan werkt de levering nog niet t.o.v.
degene met een ouder recht op die zaak. Derde geniet dan geen derdenbescherming. In geval
van CP-levering is er dus geen derdenbescherming, zolang de derde geen feitelijke macht over
de zaak heeft.
Al is er hier mededeling gedaan door verkrijger van de CP-levering aan de derde-houder, heeft hij
volgens HR Lease Plan Nederland/IBM zoals hier boven genoemd echter wel voldoende
feitelijke macht over de zaak. Art 3:90 lid 2 BW gaat dan niet meer op en de levering werkt wél
t.o.v. degene met het oudere recht.
SYSTEEM WEEK 2.1 – PAND EN HYPOTHEEK
Pand en hypotheek zijn zekerheidsrechten waar schuldeisers hun vorderingen op kunnen
verhalen. Hypotheekrecht ziet op onroerende registergoederen zoals grond en gebouwen en
pandrecht op alle overige goederen, waaronder vorderingen en roerende goederen (art 3:227 lid
1 BW). Voorwaarde is dat de goederen vatbaar moeten zijn voor overdracht (art 3:228 BW),
mocht het tot executie moeten komen.
Zekerheidsrechten hebben een aantal eigenschappen:
- Accessoriteit (afhankelijk recht, art 3:7 en 3:82 BW) – het zekerheidsrecht kan niet
bestaan zonder de vordering waarvoor het is gevestigd. Al wordt de vordering voldaan,
vervalt het zekerheidsrecht. Bij cessie (overdracht vordering) gaat het zekerheidsrecht
mee over;
- Recht van voorrang (art 3:278 BW) – zekerheidsrechten hebben voorrang op andere
schuldeisers;
- Parate executie (art 3:248 en 3:268 BW) – in beginsel is er een executoriale titel nodig
voor executie, maar in geval van zekerheidsrechten niet;
- Separatisme (art 57 Fw) – in geval van faillissement, mogen houders van
zekerheidsrechten zich buiten de faillissementsprocedure om verhalen op de goederen;
- Toe-eigeningsverbod (art 3:235 BW) – als houder van zekerheidsrechten mag je je nooit
het goed toe-eigenen waar het recht op ziet; gever blijft eigenaar.
Het feit dat het een goederenrechtelijk recht betreft, brengt nog een aantal kenmerken met zich
mee:
- Absolute werking – het recht werkt tegenover iedereen;
- Zaaksgevolg – al rust er een bepaald recht op een goed, gaat deze mee bij de overdracht;
- Prioriteitsbeginsel – wanneer meerdere mensen een bepaald recht op hetzelfde goed
hebben, gaat het oudste recht voor op jongere rechten.
3