Geschreven door studenten die geslaagd zijn Direct beschikbaar na je betaling Online lezen of als PDF Verkeerd document? Gratis ruilen 4,6 TrustPilot
logo-home
Samenvatting

Samenvatting - Vastgoedeconomie (SVMNIVO)

Beoordeling
-
Verkocht
-
Pagina's
32
Geüpload op
21-04-2026
Geschreven in
2025/2026

Samenvatting vastgoedeconomie voor een van de onderdelen van de studie KRMT via SVMNIVO

Instelling
Vak

Voorbeeld van de inhoud

Vastgoed economie samenvatting

Vraagstukken in de huidige economie: Werkloosheid, Inflatie, Milieuvervuiling.
Op mondiaal niveau is dit: Wereldenergie, Voedseltekort en Bevolkingsgroei.

Economie is een keuzewetenschap waarbij de schaarste centraal staat. Om schaarse tegen te gaan moet iets anders
worden opgeofferd.

Voorbeeld
Drinkwater uit de kraan lijkt niet schaars, maar is het wel aangezien er financiële offers moeten worden gebracht. De zon
daarentegen is geen schaars goed, omdat iedereen er onbeperkt zijn behoefte mee kan genieten.

Economische goederen: Goederen die schaars en bovendien nuttig zijn. Ze moeten in een behoefte voorzien.

Schaars: Schaarste betekend niet zozeer zeldzaam. Voor schaarste moet er iets worden opgeofferd (bijv. Tijd,
grondstoffen, slijtage bij machines). Bij de productie van een economisch schaarste goed moeten er middelen worden
gebruikt die daardoor niet meer bij de productie van een ander goed kunnen worden gebruikt.

Aangezien er een tekort is aan middelen in de wereld voor de oneindige behoefte van mensen moet er een keuze
(keuzeprobleem) worden gemaakt hoe de middelen worden benut. De economie houdt zich bezig met het
spanningsveld tussen oneindige behoefte en beperkte middelen om in die behoeften te voorzien.

Economie: De wetenschap die zich bezighoud met de manier waarop mensen omgaan met de schaarse alternatief
aanwendbare middelen met het oog op een optimale behoeftebevrediging.

Data van de economie:
- Behoefteschema’s van de consument
- Kwantiteit (omvang) en kwaliteiten van de productiefactoren
- Juridische en sociale organisatie van de samenleving
- Stand van de techniek
Aggregratieniveau’s van de economie: Micro (individu), Meso (groep) en Macro (land) niveau

Vastgoed heeft een belangrijke functie binnen de economie. Aangezien vastgoed noodzakelijk is voor de mens, namelijk
grond voor het telen van voedsel, om in te wonen, voor opstal, voor activiteiten. Grond kan niet worden geproduceerd en
gaat nooit verloren, maar kan wel veranderen door de mensen (bijv. Drooglegging van veengronden voor landbouw.

Vastgoedmarkt: De markt waar vraag naar en aanbod van vastgoed elkaar ontmoeten. De vastgoedmarkt kan worden
opgedeeld in (1) gebruikersmarkt, (2) ontwikkelingsmarkt, (3) beleggingsmarkt en (4) aanbodmarkt.

Het open karakter in de Nederlandse kapitaalmarkt speelt een belangrijke rol in de vastgoedeconomie:
1. Internationale investeerders - Door het open karakter kunnen investeerders makkelijk toetreden tot een
vastgoedinvestering in Nederland
2. Buitenlandse financiering - Het verkrijgen van een financiering via buitenlandse bronnen
3. Grensoverschrijdende transacties - Buitenlandse investeerders kunnen vastgoed kopen in Nederland en vice versa
4. Vastgoedfondsen en beleggingsmaatschappijen - De mogelijkheid voor investeerders om deel te nemen in binnen-
en buitenlandse vastgoedprojecten.
5. Transparantie en regelgeving - Investeerders hebben vertrouwen in de Nederlandse vastgoedmarkt.

Micro-economie
Micro-economie heeft betrekking op individuele producenten, inkomenstrekkers en consumenten. Hierin wordt gekeken
naar de relaties tussen huishoudens onderling. In de micro-economie worden 4 onderwerken behandeld:

1. Vraag en consument
Een consument is een persoon of huishouden die goederen/diensten consumeert. Hiervoor heeft de consument een
budget die hij gebruikt om het nut van de consument te maximaliseren (rationeel gedacht).

Nut is de eigenschap (het vermogen) van een goed om in behoeften te voorzien. Nutsmaximalisatie hangt af van de
behoeften van de consument die binnen het budget ligt.

Consumeren staat tegenover sparen. Het goed wordt direct gebruikt, en niet bewaard voor de toekomst. Echter is sparen
uitstellen van consumeren.

Effectieve vraag is de mate waarin het aanbod van goederen tegemoet komt aan de vraag en hoeveel er wordt
geconsumeerd.

2. Aanbod en producent
Aanbod geeft de beschikbaarheid van goederen aan. Bij productie wordt een goed/dienst geschikt gemaakt voor gebruik.
Elke handeling die het nut van een goed vergroot is een productieve handeling.

,Er zijn verschillende ondernemingsvormen:
- Eenmanszaak; één persoon is volledig eigenaar en verantwoordelijk.
- Vennootschap onder firma (VOF); twee of meer personen dragen samen de verantwoordelijkheid en winsten/verlies
- Besloten vennootschap (BV); Het kapitaal wordt verdeeld in aandelen, waardoor de eigenaren beperkt aansprakelijk
zijn. Dus het persoonlijke bezit wordt niet direct bedreigd. Een BV heeft een afzonderlijk rechtspersoonlijkheid.
- Naamloze vennootschap (NV); Is vergelijkbaar met een bv, maar dan met een complexere structuur en wordt gebruikt
door grotere bedrijven die openbaar verhandelde aandelen hebben.
- Coöperatie; Groep individuen/bedrijven die zich verenigt om gemeenschappelijke belangen te behartigen
(voornamelijk bij landbouw, bank en consumentensector).
- Maatschap; Twee of meer personen waarbij elke partner bijdraagt aan het bedrijf en de winsten/verliezen worden
verdeeld (voornamelijk in medische, juridische en accountant sector)

Voor produceren zijn productiemiddelen/-factoren nodig, namelijk;
- Arbeid; De aanbieder/werknemer krijgt loon in ruil voor een lichamelijke/geestelijke handeling in het productieproces.
- Natuur; Natuurlijke hulpbronnen (olie, grond, water, milieu). De beloning wordt pracht/huur genoemd
- Kapitaal; Aan de ene kant zijn dit kapitaalgoederen die worden gebruikt bij het productieproces (machines,
fabrieksgebouwen). Aan de andere kant zijn is dit geldkapitaal, het vermogen (ook wel interest genoemd).
- Ondernemerschap; brengt bovenstaande productiefactoren bij elkaar om goederen te produceren.
De goederen die met behulp van bovenstaande productiefactoren worden geproduceerd kunnen worden onderverdeeld
in;
- Consumptiegoederen; Worden door de consument gebruikt voor het bevredigen van behoeften.
- Kapitaalgoederen; Goederen die in het productieproces zorgen voor nieuwe kapitaal- of consumptiegoederen
- Vaste kapitaalgoederen (gebouwen en machines)
- Vlottende kapitaalgoederen (na één productieproces volledig verbruikt, bijv. Grondstoffen, chemische hulpstoffen)
Investeren= Het open van kapitaalgoederen door een onderneming/overheid.

De arbeidsproductiviteit is hoger naarmate de ingezette hoeveelheid kapitaalgoederen per eenheid arbeid groter is -> de
productie wordt kapitaalintensiever. Technische ontwikkelingen zorgen voor meer productie, soorten technische
ontwikkelingen zijn:
- Arbeidsbesparende technische ontwikkelingen (minder arbeid nodig voor hetzelfde product, vergroot
arbeidsproductiviteit)
- Kapitaalbesparende technische ontwikkelingen (minder kapitaalgoederen nodig voor hetzelfde product, vergroot
kapitaalintensiteit)
- Neutrale technische ontwikkeling (minder arbeid en kapitaal nodig voor hetzelfde product).
3. Prijsmechanisme
Het preferentieschema van de consument houdt in hoe de consument zijn inkomen (vermogen) verdeeld in dagelijkse
uitgaven, recreatieve uitgaven en sparen.

Prijsmechanisme is het vrije spel van vraag en aanbod op de markt en de bepaling van de prijs van het aanbod. De
prijs wordt bepaald door de confrontatie tussen vraag en aanbod, deze ontmoeten elkaar op de markt (fysiek bij de
markt, of abstract op internet). In de vrije economie bepaalt het marktmechanisme de verdeling van de beschikbare
productiefactoren naar de verschillende productcategorieën. Op langere termijn bepalen de productiekosten dan de
evenwichtsprijs.

4. De inkomens- en vermogensverdeling
Inkomen is de beloning die iemand krijgt op zijn productieve prestaties gedurende een bepaalde periode. Vermogen is
het geldkapitaal dat in kapitaalgoederen zoals gebouwen/machines is gestoken.

De inkomstentheorie houdt zich bezig met de verklaring van de hoogte van het loon, de rente/pacht, de interest en de
winst. Het niveau van inkomenssoorten wordt deels bepaald door de schaarste van een productiemiddel (bijv. Een
voetballer verdiend veel geld, omdat niet iedereen het kan, maar iedereen we wel van wil genieten).

Het primaire inkomen bestaat uit de som van de inkomenscategorieën: loon, rente/pacht, interest en winst, voordat
sociale premies en belastingen geheven zijn.

De overheid zorgt voor een rechtvaardige verdeling van het inkomen door belastingheffingen en uitkeringen. Hierdoor is
de secundaire inkomensverdeling gelijkmatiger dan de primaire.

(Inkomens)nivellering is het door de overheid op niet gelijke wijze verkleinen van de individuele primaire inkomens.

Meso-economie
Meso-economie heeft betrekking op het niveau waar bedrijven en consumenten zijn samengevoegd en ingedeeld naar
sectoren en bedrijfstakken. Meso-omgevingsfactoren zijn voor de organisatie externe onbeheersbare, en beperkt
beïnvloedbare factoren in de directe omgeving.

In de meso-economie is wordt de concurrentie (ofwel mededinging) geanalyseerd. Bij concurrentie is er een groot
aantal aanbieders tegenover dezelfde afnemer.

,Bij ondernemingsconcurrentie wordt een product/dienst/merk vervangen door een ander product/dienst/merk. (Bijv.
Voor benzine zijn er verschillende merken, denk aan Shell, Esso, BP. Het maakt niet uit bij welk merk je tankt, het is
makkelijk te vervangen (=substitueren).

De concurrentie-intensiteit of -graad is de mate waarin de individuele aanbieder of afnemer invloed heeft op de
concurrentie.

In de meso-economie wordt ook de bedrijfsomgeving geanalyseerd. Hierin zijn directe (leveranciers, afnemers) en
indirecte (normen, waarden) omgevingsfactoren van invloed. Een onderneming heeft beperkte invloed op de indirecte
omgevingsfactoren, maar deze hebben in haar plaats grote invloed op de onderneming.

Macro-economie
De macro-economie beziet de productie, verdeling en consumptie voor een volkshuishouding als geheel. De economie
kan hierin worden opgedeeld in
- de wetenschap die zich bezig houdt met de spanning tussen behoeften en de middelen die hierin voorzien.
- De volkshuishouding, de wijze waarop het consumeren en produceren van goederen en het ruilverkeer in een land
geregeld is. Hieronder valt ook de overheid. Onder volkshuishouding wordt onderscheid gemaakt tussen:
- Consumptiehuishouding (gezinnen waarin beslist wordt hoeveel tijd aan arbeid zal worden besteed en welke
goederen geconsumeerd zullen worden).
- Productiehuishouding (bedrijven waarin het productieproces van consumptiegoederen plaatsvindt).
Het nationaal inkomen is de som van alle inkomens (rente, loon, pacht en winst) bij elkaar opgeteld in een land in een
bepaalde tijd. Hieruit kan de welvaart van een land worden gehaald, naast vrije tijd, milieu, werkloosheid, veiligheid,
gezondheid en inkomensverdeling.

Bij welvaart in enge zin wordt er alleen gekeken naar de materiële productie van goederen/diensten er wordt niet
gekeken naar de negatieve/externe effecten (milieuvervuiling). Bij welvaart in ruime zin wordt er gekeken naar de
materiële productie van goederen/diensten, maar ook naar de externe effecten (zowel positief als negatief).

Het nationaal product is gelijk aan het nationaal inkomen, alleen wordt erbij het nationaal product gekeken vanuit de
productiekant en niet vanuit de inkomenskant.

Het Bruto Binnenlands Product (BBP) geeft weer hoeveel in een NL geproduceerd is, het is een optelling van alle
beloningen (lonen, winsten, etc) en het beschikbaar stellen van financieel kapitaal (rente, dividend, buitenlandse
investeringen, etc).

Bij economische groei wordt er gesproken van de groei van het BBP. Hierin zit een conjunctuur element (de
golfbeweging van het nationaal inkomen die zich uit in economische groeiversnelling/-vertraging), waarbij de groei
onafhankelijk is van het feit of het nationaal inkomen gemiddeld genomen is veranderd. De gemiddelde toename van het
nationaal inkomen is de structurele groei van de economie (potentiële economische groei). De structurele economische
groei kan plaatsvinden door;
- de toename van de productiefactoren natuur, arbeid of kapitaal
- een kwaliteitstoename van productiefactoren zoals scholing en nieuwe uitvindingen
- technologische ontwikkelingen.

De economische kringloop is een schema waarin alle geldstromen in de economie staan weergegeven.
Y=C+S+B Y=C+I+O+E-M
Y= hoeveel er wordt verdiend in een land (nationaal inkomen) B= hoeveel belasting er is betaald
C= hoeveel er wordt uitgegeven door de consument O= hoeveel de overheid heeft uitgegeven
S= hoeveel er is gespaard M= hoeveel er wordt geïmporteerd
I= hoeveel er is geïnvesteerd E= hoeveel er wordt geëxporteerd

Bij een gesloten economie onderhoudt een volkshuishouding geen betrekkingen met andere volkshuishoudingen. Er is
geen import en export en de behoeften worden alleen bevredigd met producten uit de eigen volkshuishouding.

Bij een open economie is er een volkshuishouding met internationale economische betrekkingen. De behoeften kunnen
worden bevredigd met de import van consumptiegoederen.

Door de jaren heen heeft er arbeidsverdeling plaatsgevonden, waarbij de een gespecialiseerd is in het een en de ander
in het ander (landbouwer, smid, koopman). Doordat er kon worden geruild in consumptiegoederen is de ruilhandel
ontstaan. Uiteindelijk is dit uitgebreid naar internationale handel. Volgens de Wet van Ricardo is er kostenvoordeel
wanneer een land zich specialiseert in de productie waarin zij kostenvoordeel ziet (bijv. NL kan televisies gaan
produceren, maar in lagelonenlanden is dit goedkoper, waardoor NL zich beter kan focussen op zakelijke diensten en de
televisies kan importeren).

, Hoofdstuk 2 consumptie

Consumptie is het kopen van goederen en diensten voor de bevrediging van behoeften.

Het preferentieschema van de consument is de rangorde die wordt gekozen voor het te besteden beschikbare
inkomen.


Consumeren is het resultaat van de afweging aan welke (toekomstige) goederen het beschikbare inkomen wordt
besteed.

Goederen zijn alle zaken die nuttig zijn en die voorzien in de behoeftebevrediging (is zowel tastbaar als niet tastbaar).

Consumptiegoederen kunnen in verschillende categorieën worden ingedeeld:
1. Stoffelijke goederen (voeding/stoel) en niet stoffelijke goederen (theaterbezoek/vakanties).
2. Noodzakelijke/primaire goederen (huisvesting/kleding) en luxegoederen (auto/uiteten gaan).
3. Gebruiksgoederen/duurzame goederen (meermaals te gebruiken) en verbruiksgoederen (eenmalig te gebruiken).

Consumptiegoederen worden voortgebracht m.b.v. Kapitaalgoederen.

Kapitaalgoederen zijn goederen die in het productieproces kunnen worden aangewend om nieuwe kapitaalgoederen te
produceren of om met behulp daarvan consumptiegoederen te produceren. Deze zijn te onderscheiden in 2 typen:
1. Duurzame/Vaste kapitaalgoederen (gebouwen/machines)
2. Vlottende kapitaalgoederen (zijn na 1x gebruik volledig gebruikt/versleten zoals grondstoffen)

Bij sparen ziet men af van consumptie. Hierdoor is er een daling van de vraag en een afname van productie en
economische groei (volgens Keynes)

Omwegproductie: eerst moet het kapitaalgoed worden gemaakt, dan kan de productie voor de consumptie gestart
worden.

Investeren is het aanschaffen van kapitaalgoederen t.b.v. het productieproces.
1. Bruto-investeringen is de som van de netto- en vervangingsinvesteringen
2. Netto-investeringen is het vergroten van kapitaalgoederen (uitbreidingsinvesteringen) en het aanpassen van de
voorraad vlottende kapitaal (voorraadmutatie).

Bij onroerend goed gaat het om de grond of een zaak die duurzaam verenigd is met de grond. Voor een consument is
onroerend goed een consumptiegoed terwijl voor een kantoor dit een kapitaal goed is. Roerende goederen zijn
beweegbaar en vervoerbaar.

De veroudering van een gebouw wordt bepaald door technische slijtage (onderhoud, externe factoren) en door
normatieve slijtage (een gebouw voldoet steeds minder aan de kwaliteitseisen van de gebruiker). De
waardevermindering van het duurzame goed is afschrijving.

Onder de prijs van een goed wordt verstaan de ruilwaarde van het goed.

Een behoefteschema geeft een mogelijke combinatie weer van goederen die de consument kan aanschaffen
aan de hand van het inkomen.

Een preferentieschema geeft weer aan welke mogelijke behoefteschema’s de consument de voorkeur geeft.

Grensnut is de extra behoeftebevrediging van de laatst verkregen eenheid van een goed. Deze daalt
naarmate men meer van dit goed consumeert (volgens Gossen, eerste wet van Gossen). Vervolgens
verschuift een ander goed naar de behoefte voorkeur. bijv. Het eerste glas melk is lekker dan de tweede, nu
staat een ei bovenaan.

Een indifferentieschema geeft aan welke behoefteschema’s hetzelfde nut opleveren. Bijv. 1 kledingstuk en 25
maaltijden kennen beide hetzelfde nut toe.

Een indifferentiecurve is een kromme lijn die consumptiegoederen verbindt die hetzelfde nut opleveren. Bijv. Zoals in de
afb. leveren 2 trossen druiven hetzelfde nut op als 5 slakroppen. Hoe verdere de indifferentiecurve van van de oorsprong
(O) afligt, hoe meer nut de goederencombinaties opleveren, maar hoe hoger het nutsgetal moet zijn.
-> nutsgetallen hebben dus geen absolute waarde, maar alleen rangschikkende.

De budgetlijn is de lijn die aangeeft hoeveel een consument met mijn inkomen aan goederen kan uitgeven.—>
Deze budgetlijn kan veranderen door:
1. Inkomensstijging (de lijn verschuift naar rechts)
2. Inkomensdaling (de lijn verschuift naar links)
3. Prijsverandering van goederen
1. Prijs goed A daalt en prijs goed B blijft hetzelfde -> er kan
meer van goed A worden gekocht

Geschreven voor

Instelling
Studie
Vak

Documentinformatie

Geüpload op
21 april 2026
Aantal pagina's
32
Geschreven in
2025/2026
Type
SAMENVATTING

Onderwerpen

$9.64
Krijg toegang tot het volledige document:

Verkeerd document? Gratis ruilen Binnen 14 dagen na aankoop en voor het downloaden kun je een ander document kiezen. Je kunt het bedrag gewoon opnieuw besteden.
Geschreven door studenten die geslaagd zijn
Direct beschikbaar na je betaling
Online lezen of als PDF

Maak kennis met de verkoper

Seller avatar
De reputatie van een verkoper is gebaseerd op het aantal documenten dat iemand tegen betaling verkocht heeft en de beoordelingen die voor die items ontvangen zijn. Er zijn drie niveau’s te onderscheiden: brons, zilver en goud. Hoe beter de reputatie, hoe meer de kwaliteit van zijn of haar werk te vertrouwen is.
kirstenbroekhuijsen Hanzehogeschool Groningen
Volgen Je moet ingelogd zijn om studenten of vakken te kunnen volgen
Verkocht
471
Lid sinds
9 jaar
Aantal volgers
426
Documenten
4
Laatst verkocht
1 jaar geleden

3.8

99 beoordelingen

5
23
4
42
3
28
2
1
1
5

Recent door jou bekeken

Waarom studenten kiezen voor Stuvia

Gemaakt door medestudenten, geverifieerd door reviews

Kwaliteit die je kunt vertrouwen: geschreven door studenten die slaagden en beoordeeld door anderen die dit document gebruikten.

Niet tevreden? Kies een ander document

Geen zorgen! Je kunt voor hetzelfde geld direct een ander document kiezen dat beter past bij wat je zoekt.

Betaal zoals je wilt, start meteen met leren

Geen abonnement, geen verplichtingen. Betaal zoals je gewend bent via iDeal of creditcard en download je PDF-document meteen.

Student with book image

“Gekocht, gedownload en geslaagd. Zo makkelijk kan het dus zijn.”

Alisha Student

Bezig met je bronvermelding?

Maak nauwkeurige citaten in APA, MLA en Harvard met onze gratis bronnengenerator.

Bezig met je bronvermelding?

Veelgestelde vragen