Informatie lkt
66 vragen, minimaal 44 goed beantwoorden.
Rekenstof in 5 domeinen:
- Hele getallen en bewerkingen (20 vragen)
- Procenten, verhoudingen, breuken en kommagetallen. (19 vragen)
- Meten (11 vragen)
- Meetkunde (8 vragen)
- Verbanden (8 vragen)
Oefensite kennisbasistoets rekenen → voor oefentoets.
Meenemen:
- Geodriehoek
- Pen
- Potlood
Onderdeel A is zonder rekenmachine, deze moet je afsluiten voor je onderdeel B maakt.
Bij decimalen een komma gebruiken, geen punt.
Toets duurt 3 uur.
Oefentoetsen rekenkennisbasis rekenen-wiskunde van paborekenacedemy.
Theorie en werkboek.
https://lkt.10voordeleraar.nl/pabo/wiskunde
,Samenvatting
Domein 1: hele getallen en bewerkingen
Cijfer of getal: cijfers zijn symbolen die je gebruikt om getallen te maken. In totaal zijn er 10 cijfers: 0
t/m 9. Door combinaties van cijfers te maken maak je getallen. Een getal kan ook andere tekens
bevatten (komma, schuine streep bij breuken, punten bij grote getallen). De plaats waarde van een
cijfer bepaalt de waarde (tientallen, honderdtallen, etc.). Ons cijferstelsel noemen we het: tientallig
stelsel, decimale talstelsel of het Arabisch talstelsel.
Functies van getallen: zijn 5 functies;
1. Naamgetal → geeft een getal weer dat hoort bij een naam, getal heeft geen echte waarde.
Bv. Radio 538, perron 18, etc.
2. Meetgetal → geeft een maat of eenheid aan. Bv. 20 minuten, 2,75 kilo, etc.
3. Telgetal of ordinaal getal → een getal dat een volgorde weergeeft. Bv. Derde plaats.
4. Rekengetal → het getal heeft een rekenfunctie. Bv 3 x 6 = 18.
5. Hoeveelheidsgetal of kardinaal getal → geeft een aantal aan. Bv. 3 boterhammen.
Soorten getallen: 5 bekenden:
1. Natuurlijke getallen → is altijd een positief en heel getal. Nooit een kommagetal of negatief.
2. Gehele getallen → lijkt op natuurlijk getal, maar een geheel getal kan ook negatief zijn.
3. Rationale getallen → kun je als breuk schrijven omdat er een ratio (verhouding) in zit. Alle
getallen die deelbaar zijn zijn rationale getallen.
4. Irrationale getallen → getallen met oneindig veel cijfers achter de komma. Er zit geen
regelmaat in de decimalen bijvoorbeeld pi.
5. Reële getallen → alle rationale en irrationale getallen samen (ook wortels). Een reëel getal
kun je altijd op een getallenlijn aanwijzen.
Driehoeksgetallen: kan je weergeven door het aantal stippen in een gelijkzijdige driehoek te
plaatsen. Voorbeelden: 1, 3, 6, 10, etc. Om te kijken of een getal een driehoeksgetal is gebruik je de
formule: n (n +1)/2 waarbij n de basis is. bijvoorbeeld wat is het 5e driehoeksgetal, dan vul je 5 in in
de formule en dan is het dus 15.
Vierkantsgetallen: kun je in een vierkant leggen. Het zijn kwadraten. Bijvoorbeeld 4, 9, 16, etc. om de
rang van het vierkantsgetal te berekenen reken je de wortel uit. De rang van het vierkantsgetal 100 is
het 10e vierkantsgetal. Als je 2 opeenvolgende driehoeksgetallen optelt krijg je een vierkantsgetal.
Priemgetal: kun je alleen door 1 en zichzelf delen (dus 2 delers). 2 is het kleinste priemgetal. De
eerste priemgetallen zijn: 2, 3, 5, 7, 11, 13,17,19,23,29. Priemgetal is een natuurlijk getal.
Priemfactor: getallen die je vermenigvuldigd en die priem zijn, dus die je alleen door 1 en zichzelf kan
delen.
Ontbinden in priemfactoren: ook wel het getal schrijven als product van priemgetallen. Je begint
altijd met delen door het kleinst mogelijke priemgetal (2). Bijvoorbeeld: 56= 2x2x2x7
GGD: grootste gemeenschappelijke deler: je zoekt naar de grootste deler waardoor beide getallen
gedeeld kunnen worden. Dit doe je door beide getallen te ontbinden in priemfactoren. Je gaat dan
opzoek naar getallen die overeenkomen en weet dan wat de GGD is.
, KGV: kleinste gemeenschappelijke veelvoud: je zoekt naar het kleinste getal dat een veelvoud is van
beide getallen.
Getal met een onbekende letter: je krijgt een getal met daarachter een letter bv. 83A, ze benoemen
dat het getal deelbaar moet zijn door 7. Je gaat dan alle getallen optellen, 8+3 +A= 11A, het totaal
moet deelbaar zijn door 7 dus A kan 3 zijn want 14 is deelbaar. Dit doe je op dezelfde manier voor
andere getallen.
Positioneel talstelsel: de plaats van een cijfer bepaald de waarde van het cijfer. Hoe wij tellen is
gebaseerd op de 10 structuur. Ons positionele getallensysteem heet het decimaal talstelsel.
Romeinse cijfers: moet je kunnen aflezen. Als er een symbool met een lagere waarde voor een
symbool met een hogere waarde staat (bv IX) trek je dit symbool van de hogere waarde af, dit is dus
9. De D,L en V komen maximaal 1 keer voor in een getal want het zijn halve symbolen. Elk symbool
heeft een waarde: je leest ze van links naar rechts.
Symbool Waarde
M 1000
D 500
C 100
L 50
X 10
V 5
I 1
Binaire getallen: gebruik je bij rekenen in computers. Bestaat uit de cijfers 0 en 1. Ze worden
uitgedrukt in een macht met als grondtal 2.
66 vragen, minimaal 44 goed beantwoorden.
Rekenstof in 5 domeinen:
- Hele getallen en bewerkingen (20 vragen)
- Procenten, verhoudingen, breuken en kommagetallen. (19 vragen)
- Meten (11 vragen)
- Meetkunde (8 vragen)
- Verbanden (8 vragen)
Oefensite kennisbasistoets rekenen → voor oefentoets.
Meenemen:
- Geodriehoek
- Pen
- Potlood
Onderdeel A is zonder rekenmachine, deze moet je afsluiten voor je onderdeel B maakt.
Bij decimalen een komma gebruiken, geen punt.
Toets duurt 3 uur.
Oefentoetsen rekenkennisbasis rekenen-wiskunde van paborekenacedemy.
Theorie en werkboek.
https://lkt.10voordeleraar.nl/pabo/wiskunde
,Samenvatting
Domein 1: hele getallen en bewerkingen
Cijfer of getal: cijfers zijn symbolen die je gebruikt om getallen te maken. In totaal zijn er 10 cijfers: 0
t/m 9. Door combinaties van cijfers te maken maak je getallen. Een getal kan ook andere tekens
bevatten (komma, schuine streep bij breuken, punten bij grote getallen). De plaats waarde van een
cijfer bepaalt de waarde (tientallen, honderdtallen, etc.). Ons cijferstelsel noemen we het: tientallig
stelsel, decimale talstelsel of het Arabisch talstelsel.
Functies van getallen: zijn 5 functies;
1. Naamgetal → geeft een getal weer dat hoort bij een naam, getal heeft geen echte waarde.
Bv. Radio 538, perron 18, etc.
2. Meetgetal → geeft een maat of eenheid aan. Bv. 20 minuten, 2,75 kilo, etc.
3. Telgetal of ordinaal getal → een getal dat een volgorde weergeeft. Bv. Derde plaats.
4. Rekengetal → het getal heeft een rekenfunctie. Bv 3 x 6 = 18.
5. Hoeveelheidsgetal of kardinaal getal → geeft een aantal aan. Bv. 3 boterhammen.
Soorten getallen: 5 bekenden:
1. Natuurlijke getallen → is altijd een positief en heel getal. Nooit een kommagetal of negatief.
2. Gehele getallen → lijkt op natuurlijk getal, maar een geheel getal kan ook negatief zijn.
3. Rationale getallen → kun je als breuk schrijven omdat er een ratio (verhouding) in zit. Alle
getallen die deelbaar zijn zijn rationale getallen.
4. Irrationale getallen → getallen met oneindig veel cijfers achter de komma. Er zit geen
regelmaat in de decimalen bijvoorbeeld pi.
5. Reële getallen → alle rationale en irrationale getallen samen (ook wortels). Een reëel getal
kun je altijd op een getallenlijn aanwijzen.
Driehoeksgetallen: kan je weergeven door het aantal stippen in een gelijkzijdige driehoek te
plaatsen. Voorbeelden: 1, 3, 6, 10, etc. Om te kijken of een getal een driehoeksgetal is gebruik je de
formule: n (n +1)/2 waarbij n de basis is. bijvoorbeeld wat is het 5e driehoeksgetal, dan vul je 5 in in
de formule en dan is het dus 15.
Vierkantsgetallen: kun je in een vierkant leggen. Het zijn kwadraten. Bijvoorbeeld 4, 9, 16, etc. om de
rang van het vierkantsgetal te berekenen reken je de wortel uit. De rang van het vierkantsgetal 100 is
het 10e vierkantsgetal. Als je 2 opeenvolgende driehoeksgetallen optelt krijg je een vierkantsgetal.
Priemgetal: kun je alleen door 1 en zichzelf delen (dus 2 delers). 2 is het kleinste priemgetal. De
eerste priemgetallen zijn: 2, 3, 5, 7, 11, 13,17,19,23,29. Priemgetal is een natuurlijk getal.
Priemfactor: getallen die je vermenigvuldigd en die priem zijn, dus die je alleen door 1 en zichzelf kan
delen.
Ontbinden in priemfactoren: ook wel het getal schrijven als product van priemgetallen. Je begint
altijd met delen door het kleinst mogelijke priemgetal (2). Bijvoorbeeld: 56= 2x2x2x7
GGD: grootste gemeenschappelijke deler: je zoekt naar de grootste deler waardoor beide getallen
gedeeld kunnen worden. Dit doe je door beide getallen te ontbinden in priemfactoren. Je gaat dan
opzoek naar getallen die overeenkomen en weet dan wat de GGD is.
, KGV: kleinste gemeenschappelijke veelvoud: je zoekt naar het kleinste getal dat een veelvoud is van
beide getallen.
Getal met een onbekende letter: je krijgt een getal met daarachter een letter bv. 83A, ze benoemen
dat het getal deelbaar moet zijn door 7. Je gaat dan alle getallen optellen, 8+3 +A= 11A, het totaal
moet deelbaar zijn door 7 dus A kan 3 zijn want 14 is deelbaar. Dit doe je op dezelfde manier voor
andere getallen.
Positioneel talstelsel: de plaats van een cijfer bepaald de waarde van het cijfer. Hoe wij tellen is
gebaseerd op de 10 structuur. Ons positionele getallensysteem heet het decimaal talstelsel.
Romeinse cijfers: moet je kunnen aflezen. Als er een symbool met een lagere waarde voor een
symbool met een hogere waarde staat (bv IX) trek je dit symbool van de hogere waarde af, dit is dus
9. De D,L en V komen maximaal 1 keer voor in een getal want het zijn halve symbolen. Elk symbool
heeft een waarde: je leest ze van links naar rechts.
Symbool Waarde
M 1000
D 500
C 100
L 50
X 10
V 5
I 1
Binaire getallen: gebruik je bij rekenen in computers. Bestaat uit de cijfers 0 en 1. Ze worden
uitgedrukt in een macht met als grondtal 2.