gaat
H4.1
In 2000 kregen 200000 jongeren jeugdzorg of hulp vanuit de GGZ en in 2018 al
415000. De sterke groei hierin is verontrustend en niet helemaal te begrijpen,
omdat Nederlandse jeugd tegelijkertijd tot de gelukkigste van de wereld behoort.
Blijkbaar on dervinden een aanzienlijk aantal ouders en hun kinderen
moeilijkheden tijdens de opvoeding en in de ontwikkeling. een grote groep
ouders maakt zich zorgen. Zij ervaren bijvoorbeeld gevoelens van
onbekwaamheid, wat de ontwikkeling van kinderen negatief kan beïnvloeden.
Vaak gaan kind- en opvoedingsproblemen samen. Bij problematische
opvoedingssituaties is veelal sprake van een opvoedingsimpasse: die begint als
de opvoeder/andere constateert dat de ontwikkeling van het kind niet in de
gewenste richting gaat en als hij daarin van alles geprobeerd heeft wat niet
voldoende geholpen heeft. Vervolgens gaat het vertrouwen ontbreken dat het
nog gaat lukken. Dat gaat met pijnlijke gevoelens gepaard. Wanneer sprake van
impasse; een deel de beleving van de ouders/opvoeders en meestal ook van hun
kinderen en omgeving. De normen en waarden over opvoeding binnen het gezin,
in die omgeving en in de samenleving. En de verwachtingen die ouders hadden
van hun ouderschap en van hun kind zijn van invloed op de beleving. Of iets als
een probleem wordt gezien en wat dan als probleem wordt gezien, is voor een
groot deel subjectief en afhankelijk van persoonlijke beleving. Dat maakt het
moeilijk te bepalen wanneer professionele hulp echt nodig is. tegenwoordig is
daar meer grip op door zorgen en behoeften te objectiveren : standaarden
waaraan de problemen en de noodzaak van hulp kunnen worden getoetst. Als
daarmee tijdig kan worden bepaald of hulp nodig is en zo ja welke ondersteuning,
kan beter worden voorkomen dat kinderen en hun ouders onnodig in de
hulpverlening terecht komen. Dit verminderd kosten van jeugdzorg en voorkomt
dat problemen te snel worden overgenomen door deskundigen, waardoor het
beeld wordt versterkt dat er iets ergs aan de hand is wat blijkbaar niet door het
gezin zelf kan worden opgelost. Hierdoor komen de eigen kracht en
mogelijkheden van het gezin en de omgeving niet meer voldoende tot hun recht.
Nooit kunnen alleen onafhankelijke criteria bepalen wanneer hulp nodig is, de
beleving van de betrokkenen moet daarbij een belangrijke rol spelen.
‘Normaal’ (Vandereycken en Van Deth) betekent dat iemand aan een bepaalde
norm van een specifieke sociale groep voldoet. Abnormaliteit betekent dat een
persoon of diens gedrag te veel afwijkt van die norm. Als meer objectivering
nodig is, moet die norm wel algemener zijn en dus niet afhangen van wat een
toevallige persoon of groep vindt. Met behoefte aan meer standaardisering
worden normen bepaald aan de hand van onderzoek bij normgroepen van grote
aantallen kinderen met vergelijkbare kenmerken (leeftijd, geslacht). Bij deze
kinderen worden specifieke gedragingen gemeten en het gemiddelde van hun
resultaten wordt bepaald. Dat gemiddelde is dan de norm. de
gedragingen/andere kenmerken van kinderen die vervolgens op dezelfde manier
zijn gemeten, kunnen daarna met dat gemiddelde worden vergeleken, als de
afwijking van het gemiddelde significant is, kan het gedrag abnormaal genoemd
,worden en kan er reden zijn tot zorg. Op die manier wordt of iets normaal is of
niet bepaald door een statische bewerking van kwantitatieve, dus cijfermatige
gegevens (duur, frequentie) en niet door de kwaliteit ervan. Bij deze benadering
van normaal of abnormaal is de keuze voor een passende normgroep belangrijk.
Gedrag kan variëren door factoren als tijd, cultuur en opvoedingssituatie. De
normgroep moet diezelfde variatie ook kennen. Om een normgroep als
toetskader te kunnen gebruiken moet die zo groot mogelijk zijn en moeten de
normen na een bepaalde periode weer opnieuw worden vastgesteld. Een nadeel
van deze benadering is dat die uitgaat van hoe vaak of in welke mate/omvang
iets voorkomt. Dat suggereert dat wat de meeste mensen laten zien ook het
juiste is of staat voor wat normaal is. in de praktijk gaat dat niet op. Kinderen met
een verstandelijke beperking wijken in een aantal opzichten af vaan kinderen
met een gemiddelde intelligentie. Maar ze kunnen zich op hun eigen manier goed
verder ontwikkelen en een belangrijke plaats innemen in de samenleving. En
daar is niet altijd professionele hulp voor nodig. ook is het mogelijk dat gedrag
dat in vergelijking met een normgroep als uitzonderlijk/afwijkend kan worden
beschouwd, op dat moment voor het desbetreffende kind heel functioneel is om
te overleven. Het wordt pas een probleem als dit gedrag blijft terwijl de situatie al
lang niet meer om vraagt. Dat gedrag krijgt vaak een naam, waarmee het wordt
ingedeeld in een bepaalde categorie (traumatisering). als het gedrag wordt
vergeleken met een normgroep van kinderen in vergelijkbare situaties, kan wel
enigszins bepaald worden wanneer het gedrag te lang aanhoudt of wanneer de
ontwikkeling een scheefgroei laat zien. Het kan ook zo zijn dat situaties zodanig
afwijken per kind dat het niet mogelijk is een goede/voldoende grote normgroep
te gebruiken ter vergelijking. Een indeling in normaal of abnormaal is geen
antwoord op de vraag of er iets mis is en of daar iets mee moet worden gedaan,
dit kan zorgen voor een gevoel van buitensluiting. De vraag blijft wanneer
gedrag/ontwikkeling die afwijkt van de norm wel extra aandacht vraagt. Die
afwijking op zich is daar niet voldoende voor. Belangrijk is de betekenis van die
afwijking binnen de context en cultuur waarin het kind opgroeit. Ook
beschermende en risicofactoren hebben daar invloed op en bestaande kennis en
onderzoek over dat soort gedrag zijn belangrijk om bij de beoordeling ervan te
betrekken. Aan de hand van die kennis kunnen soms voorspellingen worden
gedaan en kan ingeschat worden wat er zou gebeuren als er wel of geen hulp
geboden zou worden. Hulpmiddelen bij eerste inschatting van
gedrag/ontwikkeling: signalerings-/screeningslijsten, vragenlijst. Hoe ernstig
problemen zijn en of hulp daarbij nodig is, heeft volgens Pameijer en Van
Beukering niet alleen te maken met het afwijken van een norm. het kan ook
breder worden ingeschat aan de hand van 12 criteria: ze helpen bij de inschatting
of ze vanzelf zullen overgaan of dat daarbij extra hulp nodig is.
1. Leeftijdsadequaat: past het gedrag bij het ontwikkelingsstadium/leeftijd.
Hoe groter het verschil tussen de leeftijdsnorm en probleemgedrag, hoe
ernstiger het probleem.
2. Duur van het probleemgedrag: sinds wanneer bestaan de problemen?
Meestal is de problematiek ernstiger naarmate de problemen langer duren.
3. Omstandigheden: is het gedrag begrijpelijk gezien de
omstandigheden/levensfase? Of te begrijpen of te verwachten gezien de
context? onverwachte problemen (geen aanleiding of specifieke
omstandigheden) worden als ernstiger gezien dan wanneer er sprake is
van voorgeschiedenis.
, 4. Sociaal-culturele setting: past het gedrag in de cultuur waartoe het kind
behoort? Zo niet, dan wordt het beschouwt als problematisch
5. Hoeveelheid en frequente van problemen: komen de problemen vaak en
veel voor? Hoe vaker, des te ernstiger de situatie.
6. Intensiteit van de problemen: bij een grotere intensiteit is het vaak
ernstiger.
7. Type problemen en de mate waarin die problemen in de populatie
voorkomen: wanneer het type probleem weinig voorkomt binnen de
normale populatie, kan de problematiek ernstiger maken
8. Situatiegebonden: kom het gedrag in meerdere situaties voor? Als dat in
meerdere situaties het geval is, is het probleem ernstiger.
9. Factoren in de omgeving die de ontwikkeling van het kind kunnen
belemmeren: zijn er risicofactoren die de problemen kunnen verzwaren?
De situatie kan verergeren als er risicofactoren aanwezig zijn en weinig
beschermende factoren.
10.Soorten en hoeveelheid problemen: als er meer problemen spelen, en deze
elkaar versterken, is de situatie ernstiger.
11.Gevolgen van het gedrag: wanneer het probleemgedrag zorgt dat het kind
wordt belemmerd op andere gebieden in zijn leven, dan is de situatie vaak
ernstiger
12.Effect van het gedrag op de veiligheid en kwaliteit van leven van het kind
en anderen om hen heen: lijdt het kind of lijden anderen om hen heen
onder het gedrag en wat zijn de gevolgen van het gedrag? Bij kinderen die
zelf niet lijden onder het gedrag maar als het gedrag wel effect heeft op
anderen, kan de situatie ernstiger zijn.
Voor vragen over hoe het gedrag, de ontwikkeling- en opvoedingsproblemen
verklaard kunnen worden, wat de problemen in stand houdt en wat er nodig is
om de problemen op te lossen kan diagnostisch onderzoek worden ingezet.
H4.2
Bij diagnostisch onderzoek wordt met behulp van diagnostische instrumenten
geprobeerd een oorzaak/verklaring te vinden voor een specifiek verschijnsel of
meerdere verschijnselen in hun onderlinge samenhang. Bij pedagogische
diagnostiek wordt vooral gekeken naar de opvoedingsrelatie of naar het
individuele kind binnen de opvoedingssituatie en de bredere context waarbinnen
het zich ontwikkelt. Daarbij gaat het om de onderlinge beïnvloeding van de
verschillende factoren en hoe die de problemen in strand houden of juist ten
goede kunnen beïnvloeden. Met behulp van de resultaten van het diagnostisch
onderzoek probeert de onderzoeker samen met de betrokkenen de ontwikkeling
en het gedrag van het kind, de problemen van ouders en de opvoedingssituatie
te duiden: verklarend diagnostiek. De uitkomsten zijn een diagnose of een
diagnostisch beeld, en een advies/indicatie van wat zal helpen om de situatie in
de gewenste richting te keren: indicerende diagnostiek. Pedagogische
diagnostiek is altijd handelingsgericht; het is altijd de bedoeling om een
problematische opvoedingssituatie met de kennis die het diagnostische
onderzoek oplevert te kunnen verbeteren. Daarom moet het altijd een vraag
als startpunt hebben: wat wil men weten en met het oog waarop? De diagnostiek
is doelgericht en afgestemd op die vraag of vragen van het kind en zijn ouders.
Er wordt van uitgegaan dat de ontwikkeling en gedrag van het kind het resultaat
zijn van voortdurende complexe interacties met de omgeving. Daarbij past een
, transactioneel diagnostisch referentiekader. Er wordt altijd gekeken naar zowel
de risico- als beschermende factoren. Het diagnostisch onderzoek zet officiële
tests in, voert observaties uit, gesprekken over ervaringen/opvattingen van kind
en ouders en projectief onderzoeksmateriaal (tekeningen, beeldcommunicatie in
spel) om informatie te verkrijgen. Het diagnostisch proces begint dat de
onderzoeker met kind, ouders en eventuele andere betrokkenen in gesprekken
gaar om de vraag voor het onderzoek te verhelderen en om de problemen en
mogelijke verklaringen daarvan volgens de betrokkenen in kaart te brengen. De
onderzoeker kiest naar aanleiding hiervan in overleg met hen wat zal worden
onderzocht. Tijdens het proces van onderzoek werkt de onderzoeker vanuit een
gelijkwaardige relatie nauw samen met ouders en kind. De uitkomsten van het
onderzoek krijgen pas betekenis als zij hierin hebben meegedacht en
meegedaan. De onderzoeker voegt daar zij kennis aan toe, waardoor de situatie
goed in beeld gebracht kan worden, evenals wat nodig is om die te verbeteren.
Bij de empirisch-analytische invalshoek ligt de nadruk op het zo objectief en
controleerbaar mogelijk in kaart brengen van belangrijke feiten binnen de
opvoedingssituatie: ‘meten is weten’. Het gaat vooral om waarneembaar gedrag.
Er wordt gebruikgemaakt van gestandaardiseerde tests (cijfermatig) en de
uitkomsten worden bewerkt en vergeleken met een normgroep. Op grond
daarvan kunnen uit
spraken worden gedaan over de betekenis van deze uitkomst (voor verdere
ontwikkeling). Daarbij wordt gebruikt gemaakt van bestaande kennis uit
wetenschappelijk onderzoek -> deductie: informatie die gebaseerd is op kennis
vanuit grotere groepen wordt op de unieke situatie toegepast. Uitspraken over
die individuele situatie moeten altijd voorzichtig zijn, want elke individu is uniek.
Het gaat altijd om kansen op wat er kan gebeuren. Bij diagnostisch onderzoek is
sprake van inductie: als tijdens het onderzoek hetzelfde verschijnsel wordt gezien
bij verschillende diagnostische instrumen ten. Het verschijnsel heeft dan een
groter belang en een hoger waarschijnlijkheidsgehalte en kan het worden
meegenomen bij de conclusie. Adviezen bij een empirisch-analytische invalshoek
bij voorkeur de inzet van methodieken waarvan door middel van empirisch
onderzoek is aangetoond dat die bij een grotere groep van kinderen en ouders
met vergelijkbare problemen werkzaam zijn. bij het geesteswetenschappelijk
perspectief gaat het niet om objectiviteit, maar om de beleving van de
werkelijkheid door de persoon, de betekenis die iemand er aan geeft en op grond
waarvan die vervolgens handelt. Het onderzoek richt zich op het willen begrijpen
van deze beleving binnen de context waarin de persoon zich bevindt. De unieke
persoon staat centraal, niet wat die persoon aan algemene kenmerken met
anderen deelt. Gemiddelden en standaardafwijkingen zijn ondergeschikt. Het
onderzoek wordt ingezet om te ontwarren en te ordenen en het gedrag te
kunnen lezen. Volgens Ter Horst zijn feiten onvoldoende om een ander te
begrijpen. Bij de maatschappijkritische of kritisch-emancipatorische invalshoek
gaar het om 3 belangrijke kenmerken:
1. Bij de analyse wordt de situatie van kinderen en hun ouders in een
historische en maatschappelijke context geplaatst. Als er vooral naar
tekorten/afwijkingen van de norm wordt gekeken, worden zij bij voorbaat
al tekortgedaan. Mensen kiezen er niet zelf boor om in een uitzichtloze
situatie te komen en daar hun kinderen in op te voeden. Alleen door ook
aandacht te hebben voor belangrijke factoren (armoede, buitengesloten,