Biologie T4
2 Fenotype, genotype, en epigenetica
Fenotype De eigenschappen van een individu die je ziet in het
uiterlijk. Het fenotype wordt bepaald door het genotype en
milieufactoren.
Genotype Alle genen in een cel. Erfelijke eigenschappen zitten in je
genen. Het genotype bepaalt voor een groot het fenotype.
Gen Deel van een chromosoom dat informatie bevat voor een
erfelijke eigenschap of een deel ervan.
Allel Een van de genen in een genenpaar
Milieufactoren Licht, lucht, vochtigheid, temperatuur, voeding,
opvoeding, ziekten en verwondingen.
Zygote Bevrucht eicel met 46 chromosomen. Bevat voor de helft de
chromosomen van je moeder en de andere helft van je vader.
→ Sommige eigenschappen worden (vrijwel) uitsluitend door het
genotype bepaald, zoals de oogkleur of de bloedgroep van een
mens. Andere eigenschappen door milieufactoren, zoals een
litteken of de lengte van nagels. Bij veel eigenschappen stelt het
genotype grenzen en milieufactoren bepalen hoe dicht de
grenzen worden benaderd.
→ De individuen van een eeneiige tweeling hebben hetzelfde
genotype, en kan dus alleen uit twee meisjes of twee jongens
bestaan. Bij eeneiige tweelingen die gescheiden zijn kan
onderzocht worden welke invloed milieufactoren en genotype
hebben op het fenotype. Twee-eiige tweelingen kunnen
verschillend zijn van geslacht.
, Biologie T4
DNA-sequentie Volgorde van de vier bouwstenen, waaruit een
DNA-molecuul is opgebouwd. Het is de code voor erfelijke informatie.
Genexpressie Het tot uiting komen van een gen. In je hoofdhuidcellen
staan cellen ‘aan’ voor hoofdhaar en in cellen in je ogen staan ze ‘uit’.
Verschilt per cel(weefsel). plaatsvinden. Deze wijzigingen in de
genexpressie zijn omkeerbaar, maar soms stabiel en erfelijk.
ㅡ Fenotype
ㅡ Gen
ㅡ Erffactor
ㅡ Genotype
ㅡ Milieufactoren
ㅡ DNA-sequentie
ㅡ Genexpressie
ㅡ Epigenetica
3 Genenpaar
→ In lichaamscellen komen genen in paren voor. In geslachtscellen
komen de genen en chromosomen in enkelvoud voor. Bij
bevruchting worden de genen samengevoegd en staat het
genotype van de nakomeling vast.
Homozygoot Het allelenpaar voor een eigenschap bestaat uit twee
gelijke allelen (dezelfde genen).
Heterozygoot Het allelenpaar voor een eigenschap bestaat uit twee
ongelijke allelen (verschillende genen
Dominant allel Een allel dat altijd tot uiting komt in het fenotype. Het
kan een homozygoot of heterozygoot zijn.
Recessief allel Een allel dat alleen tot uiting komt wanneer er geen
dominant allel aanwezig is. Het allel is homozygoot voor het
eigenschap.
2 Fenotype, genotype, en epigenetica
Fenotype De eigenschappen van een individu die je ziet in het
uiterlijk. Het fenotype wordt bepaald door het genotype en
milieufactoren.
Genotype Alle genen in een cel. Erfelijke eigenschappen zitten in je
genen. Het genotype bepaalt voor een groot het fenotype.
Gen Deel van een chromosoom dat informatie bevat voor een
erfelijke eigenschap of een deel ervan.
Allel Een van de genen in een genenpaar
Milieufactoren Licht, lucht, vochtigheid, temperatuur, voeding,
opvoeding, ziekten en verwondingen.
Zygote Bevrucht eicel met 46 chromosomen. Bevat voor de helft de
chromosomen van je moeder en de andere helft van je vader.
→ Sommige eigenschappen worden (vrijwel) uitsluitend door het
genotype bepaald, zoals de oogkleur of de bloedgroep van een
mens. Andere eigenschappen door milieufactoren, zoals een
litteken of de lengte van nagels. Bij veel eigenschappen stelt het
genotype grenzen en milieufactoren bepalen hoe dicht de
grenzen worden benaderd.
→ De individuen van een eeneiige tweeling hebben hetzelfde
genotype, en kan dus alleen uit twee meisjes of twee jongens
bestaan. Bij eeneiige tweelingen die gescheiden zijn kan
onderzocht worden welke invloed milieufactoren en genotype
hebben op het fenotype. Twee-eiige tweelingen kunnen
verschillend zijn van geslacht.
, Biologie T4
DNA-sequentie Volgorde van de vier bouwstenen, waaruit een
DNA-molecuul is opgebouwd. Het is de code voor erfelijke informatie.
Genexpressie Het tot uiting komen van een gen. In je hoofdhuidcellen
staan cellen ‘aan’ voor hoofdhaar en in cellen in je ogen staan ze ‘uit’.
Verschilt per cel(weefsel). plaatsvinden. Deze wijzigingen in de
genexpressie zijn omkeerbaar, maar soms stabiel en erfelijk.
ㅡ Fenotype
ㅡ Gen
ㅡ Erffactor
ㅡ Genotype
ㅡ Milieufactoren
ㅡ DNA-sequentie
ㅡ Genexpressie
ㅡ Epigenetica
3 Genenpaar
→ In lichaamscellen komen genen in paren voor. In geslachtscellen
komen de genen en chromosomen in enkelvoud voor. Bij
bevruchting worden de genen samengevoegd en staat het
genotype van de nakomeling vast.
Homozygoot Het allelenpaar voor een eigenschap bestaat uit twee
gelijke allelen (dezelfde genen).
Heterozygoot Het allelenpaar voor een eigenschap bestaat uit twee
ongelijke allelen (verschillende genen
Dominant allel Een allel dat altijd tot uiting komt in het fenotype. Het
kan een homozygoot of heterozygoot zijn.
Recessief allel Een allel dat alleen tot uiting komt wanneer er geen
dominant allel aanwezig is. Het allel is homozygoot voor het
eigenschap.