Samenvatting MTI-2 Q4
HC Spijsvertering
Tractus digestivus
▪ Processen: digestie – absorptie – secretie – motiliteit
▪ Route: mond – slokdarm – maag – dunne darm – dikke darm (– pancreas en lever)
▪ Fasen van de digestie
o Cefale fase: anticipatie van voedsel; voorbereiding
o Orale fase: voedsel in de mond
o Gastrische fase: voedsel in de maag
o Intestinale fase: voedsel in de darmen
Mond- en keelholte
▪ Mond
o Mechanisch verkleinen: kauwen
o Speeksel
• 4 paar speekselklieren parotis/submandibularis/sublingualis/tubarialis
• Bestaat uit water, mucoproteïnen, amylase
• Bevochtigen en smeren voedsel
• Begin digestie zetmeel/polysacchariden (suikers)
• Oplossen voedsel (smaak)
• Antibacteriële werking
▪ Keelholte
o Ring van Waldeyer (tonsillen, neusamandel): bacteriële bescherming eerste afweer
o Kruising voedselweg en luchtweg → gevaar van verslikken
• Slikreflex: medulla oblongata stuurt strottenklepje en zachte gehemelte aan
Slokdarm
▪ Oesofagale sfincters (UES & LES)
o Druk voor (→ openen) en druk achter (→ sluiten)
▪ Peristaltiek en zwaartekracht doorgang ~10s
Maag
▪ Onderdelen
o Fundus: waar extra gasvorming kan plaatsvinden
bovenste deel maag
o Body: afgifte pepsinogeen en HCl
o Antrum: afgifte pepsinogeen en gastrine
onderste deel maag
o Pylorussfincter (pylorus/maagportier): bepaalt
hoeveel voedsel naar het duodenum gaat
,▪ Celtypen in maagmucosa
o Epitheelcellen
o Hals-/nekcellen: aanmaak mucus, beschermlaag
o Stamcellen
o Chief-/wandcel: afgifte pepsinogeen
o Endocriene cellen: afgifte gastrine
o Pariëtaalcel: afgifte HCl en intrinsieke factor
• Functie HCl: verzuren van voedsel tegen bacteriën en omzetting pepsinogeen in
pepsine
• Secretagogen: stof die invloed hebben op de afgifte
van HCl door de pariëtaalcel
- Gastrine
- Histamine
- Acetylcholine (ACh)
H+/K+-ATPase (protonpomp) zorgt ervoor dat H+ worden
afgegeven in het maaglumen
• Remming: somatostatine
• Geneesmiddelen:
- Protonpompremmers
- H2-antagonisten gaan op histamine receptor zitten
▪ Maagproblemen
o Zuurbranden/oesofageale reflux
• Minder efficiënte oesofageale sfincter → reflux van maagzuur in de oesophagus
• Belangrijk bij tandheelkunidge behandeling (liggende houding)
o Maagzweer (ulcer/duodenumzweer) zuur brandt ‘gaatjes’ in maag
• Verminderde effectiviteit van mucusbarrière
Maagwandcellen worden tegen de lage pH beschermd
door een mucuslaag (deze laag is bicarbonaatrijk →
neutralisatie zuren)
• Verhoogde afgifte van het maagzuur
• Infectie door Helicobacter pylori
• Kans op bloeding
o Braakreflex
• O.a. veroozaakt door prikkelen keelholte
• Kan leiden tot metabole alkalose vocht- en H+-verlies → ongunstig voor enzymen
▪ Maag motiliteit
o Receptieve relaxatie: ontspanning om meer voedsel op te kunnen nemen
o Propagatie: stuwende beweging richting pylorus
o Vermalen: verdere vermaling van voedsel
o Pylorussfincter: bepaalt of het voedsel klein genoeg is
• Retropulsie: voedsel wordt teruggestuurd naar hogere regio van de maag om
verder te vermalen
▪ Regulatie HCL secretie in de maag
o Duodenum: bepaalt hoe vaak de pylorus opent en sluit
Voedsel zorgt voor een uitrekking en een verhoging in osmolariteit in het duodenum
Darmen bevatten chemo-, osmo- en mechanoreceptoren
o Korte reflexen naar pylorus om geen voedsel door te laten
• Hormonen worden afgegeven → terugkoppeling naar parëtaalcel → minder zuur
• Signalen naar lever en pancreas → enzymen en HCO3-
o Lange reflexen naar CZS voor verzadigingsgevoel
,Gal
▪ Wordt in de lever gemaakt, opslag in de galblaas
o Sfincter van Oddi: galgang en pancreasgang komen
samen en afgifte aan het duodenum wordt hierdoor
gereguleerd
▪ Bevat emulgatoren → vetvertering
▪ Bevat afvalstoffen: bilirubine afbraak hemoglobine
▪ Bevat zouten
o Galstenen: kunnen de gal- en pancreasafvoer verstoppen
o Galstuwing: gal wordt afgevoerd via het bloed → afvalstoffen komen in de huid terecht
→ geelzucht (=bilirubinestapeling)
Pancreas
▪ Endocrien deel: eilandjes van Langerhans, insuline, glucagon diabetes
type I
▪ Exocrien deel: enzymen en HCO3- spijsverteringsstelsel
o Pancreassap: bevat inactieve enzymen en grote hoeveelheid HCO3- neutralisatie zure
maaginhoud voor verteringsenzymen
• Activering spijsverteringsenzymen
- Eiwitverterende enzymen worden in inactieve staat afgegeven in het
duodenum ter bescherming van de pancreascellen
- Darmepitheelcellen geven enterokinase af → trypsinogeen → trypsine
- Trypsine → andere inactieve enzymen → actieve enzymen
▪ Regulatie HCO3-door pancreas
o Chemoreceptoren merken zure maaginhoud in het duodenum op
o Afgifte secretine → signaal naar pancreas en lever → afgifte HCO3-
o HCO3- komt in duodenum terecht → neutralisatie
o Negatieve terugkoppeling naar secretine
, Darmkanaal
▪ Onderdelen
o Duodenum – 12-vingerige darm
o Jejunum – nuchtere darm ca. 2,5m
o Ileum – kronkeldarm ca. 3,5m
o Colon – dikke darm (karteldarm, endeldarm)
▪ Darmen
o Mucosa
o Submucosa: bloedvaten, submucosale nervus plexus → secretie hormonen
o Muscularia externa: myenterische nervus plexus → motoriek
o Serosa
▪ Verschillen dunne en dikke darm
o Dunne darm
• Circulaire plooien
• Heeft villi → enorme oppervlaktevergroting
o Dikke darm
• Haustra
• Semilunare plooien
• Heeft GEEN villi
▪ Gladde spieren maag- darmstelsel
o Contractiepatronen
• Peristaltische contracties: voortduwing van voedselbrij
• Segmentale contracties: voedselbrij mengen met enzymen en de voedselbrij
langere tijd in de dunne darm houden voor opname voedingsstoffen dunne darm
• Migrating Motor Complex (MMC): opruiming voedselresten; vindt alleen plaats
als je niet eet maag tot terminale ileum
• Braken: middenrif en buikspieren
Digestie en absorptie
▪ Polymeren worden afgebroken tot monomeren en dan via transporters naar het bloed
o Maldigestie: verteringsprobleem
o Malabsorptie: opnameprobleem
▪ Koolhydraten
o Glucose en galactose opname is
natriumafhankelijk
o Natrium-kaliumpomp helpt hierbij
o ORS = Oral Rehydration Solute
• Bevat glucose en zout → snelle opname
doordat het de grondstoffen van de
transporter bevat
HC Spijsvertering
Tractus digestivus
▪ Processen: digestie – absorptie – secretie – motiliteit
▪ Route: mond – slokdarm – maag – dunne darm – dikke darm (– pancreas en lever)
▪ Fasen van de digestie
o Cefale fase: anticipatie van voedsel; voorbereiding
o Orale fase: voedsel in de mond
o Gastrische fase: voedsel in de maag
o Intestinale fase: voedsel in de darmen
Mond- en keelholte
▪ Mond
o Mechanisch verkleinen: kauwen
o Speeksel
• 4 paar speekselklieren parotis/submandibularis/sublingualis/tubarialis
• Bestaat uit water, mucoproteïnen, amylase
• Bevochtigen en smeren voedsel
• Begin digestie zetmeel/polysacchariden (suikers)
• Oplossen voedsel (smaak)
• Antibacteriële werking
▪ Keelholte
o Ring van Waldeyer (tonsillen, neusamandel): bacteriële bescherming eerste afweer
o Kruising voedselweg en luchtweg → gevaar van verslikken
• Slikreflex: medulla oblongata stuurt strottenklepje en zachte gehemelte aan
Slokdarm
▪ Oesofagale sfincters (UES & LES)
o Druk voor (→ openen) en druk achter (→ sluiten)
▪ Peristaltiek en zwaartekracht doorgang ~10s
Maag
▪ Onderdelen
o Fundus: waar extra gasvorming kan plaatsvinden
bovenste deel maag
o Body: afgifte pepsinogeen en HCl
o Antrum: afgifte pepsinogeen en gastrine
onderste deel maag
o Pylorussfincter (pylorus/maagportier): bepaalt
hoeveel voedsel naar het duodenum gaat
,▪ Celtypen in maagmucosa
o Epitheelcellen
o Hals-/nekcellen: aanmaak mucus, beschermlaag
o Stamcellen
o Chief-/wandcel: afgifte pepsinogeen
o Endocriene cellen: afgifte gastrine
o Pariëtaalcel: afgifte HCl en intrinsieke factor
• Functie HCl: verzuren van voedsel tegen bacteriën en omzetting pepsinogeen in
pepsine
• Secretagogen: stof die invloed hebben op de afgifte
van HCl door de pariëtaalcel
- Gastrine
- Histamine
- Acetylcholine (ACh)
H+/K+-ATPase (protonpomp) zorgt ervoor dat H+ worden
afgegeven in het maaglumen
• Remming: somatostatine
• Geneesmiddelen:
- Protonpompremmers
- H2-antagonisten gaan op histamine receptor zitten
▪ Maagproblemen
o Zuurbranden/oesofageale reflux
• Minder efficiënte oesofageale sfincter → reflux van maagzuur in de oesophagus
• Belangrijk bij tandheelkunidge behandeling (liggende houding)
o Maagzweer (ulcer/duodenumzweer) zuur brandt ‘gaatjes’ in maag
• Verminderde effectiviteit van mucusbarrière
Maagwandcellen worden tegen de lage pH beschermd
door een mucuslaag (deze laag is bicarbonaatrijk →
neutralisatie zuren)
• Verhoogde afgifte van het maagzuur
• Infectie door Helicobacter pylori
• Kans op bloeding
o Braakreflex
• O.a. veroozaakt door prikkelen keelholte
• Kan leiden tot metabole alkalose vocht- en H+-verlies → ongunstig voor enzymen
▪ Maag motiliteit
o Receptieve relaxatie: ontspanning om meer voedsel op te kunnen nemen
o Propagatie: stuwende beweging richting pylorus
o Vermalen: verdere vermaling van voedsel
o Pylorussfincter: bepaalt of het voedsel klein genoeg is
• Retropulsie: voedsel wordt teruggestuurd naar hogere regio van de maag om
verder te vermalen
▪ Regulatie HCL secretie in de maag
o Duodenum: bepaalt hoe vaak de pylorus opent en sluit
Voedsel zorgt voor een uitrekking en een verhoging in osmolariteit in het duodenum
Darmen bevatten chemo-, osmo- en mechanoreceptoren
o Korte reflexen naar pylorus om geen voedsel door te laten
• Hormonen worden afgegeven → terugkoppeling naar parëtaalcel → minder zuur
• Signalen naar lever en pancreas → enzymen en HCO3-
o Lange reflexen naar CZS voor verzadigingsgevoel
,Gal
▪ Wordt in de lever gemaakt, opslag in de galblaas
o Sfincter van Oddi: galgang en pancreasgang komen
samen en afgifte aan het duodenum wordt hierdoor
gereguleerd
▪ Bevat emulgatoren → vetvertering
▪ Bevat afvalstoffen: bilirubine afbraak hemoglobine
▪ Bevat zouten
o Galstenen: kunnen de gal- en pancreasafvoer verstoppen
o Galstuwing: gal wordt afgevoerd via het bloed → afvalstoffen komen in de huid terecht
→ geelzucht (=bilirubinestapeling)
Pancreas
▪ Endocrien deel: eilandjes van Langerhans, insuline, glucagon diabetes
type I
▪ Exocrien deel: enzymen en HCO3- spijsverteringsstelsel
o Pancreassap: bevat inactieve enzymen en grote hoeveelheid HCO3- neutralisatie zure
maaginhoud voor verteringsenzymen
• Activering spijsverteringsenzymen
- Eiwitverterende enzymen worden in inactieve staat afgegeven in het
duodenum ter bescherming van de pancreascellen
- Darmepitheelcellen geven enterokinase af → trypsinogeen → trypsine
- Trypsine → andere inactieve enzymen → actieve enzymen
▪ Regulatie HCO3-door pancreas
o Chemoreceptoren merken zure maaginhoud in het duodenum op
o Afgifte secretine → signaal naar pancreas en lever → afgifte HCO3-
o HCO3- komt in duodenum terecht → neutralisatie
o Negatieve terugkoppeling naar secretine
, Darmkanaal
▪ Onderdelen
o Duodenum – 12-vingerige darm
o Jejunum – nuchtere darm ca. 2,5m
o Ileum – kronkeldarm ca. 3,5m
o Colon – dikke darm (karteldarm, endeldarm)
▪ Darmen
o Mucosa
o Submucosa: bloedvaten, submucosale nervus plexus → secretie hormonen
o Muscularia externa: myenterische nervus plexus → motoriek
o Serosa
▪ Verschillen dunne en dikke darm
o Dunne darm
• Circulaire plooien
• Heeft villi → enorme oppervlaktevergroting
o Dikke darm
• Haustra
• Semilunare plooien
• Heeft GEEN villi
▪ Gladde spieren maag- darmstelsel
o Contractiepatronen
• Peristaltische contracties: voortduwing van voedselbrij
• Segmentale contracties: voedselbrij mengen met enzymen en de voedselbrij
langere tijd in de dunne darm houden voor opname voedingsstoffen dunne darm
• Migrating Motor Complex (MMC): opruiming voedselresten; vindt alleen plaats
als je niet eet maag tot terminale ileum
• Braken: middenrif en buikspieren
Digestie en absorptie
▪ Polymeren worden afgebroken tot monomeren en dan via transporters naar het bloed
o Maldigestie: verteringsprobleem
o Malabsorptie: opnameprobleem
▪ Koolhydraten
o Glucose en galactose opname is
natriumafhankelijk
o Natrium-kaliumpomp helpt hierbij
o ORS = Oral Rehydration Solute
• Bevat glucose en zout → snelle opname
doordat het de grondstoffen van de
transporter bevat