Nederlands recht in civiele traditie
(RGBUPRV023)
----------------------------------------------------------------------------------------------------
Deze samenvatting bevat alle belangrijke stof voor deze week van het vak Nederlands recht
in civiele traditie (RGBUPRV023) aan de Universiteit Utrecht in 2026.
De samenvatting bevat handige stappenplannen, overzichtjes en kernpunten per onderwerp.
Perfect om snel en gestructureerd te leren zonder alle stof opnieuw door te ploegen.
Met deze samenvatting heb ik zelf een 10 gehaald voor het tentamen in 2026, dus hij is
helemaal tentamen-proof.
Kijk ook eens naar mijn andere materiaal:
● Heb je meer weken gemist? Ik heb van alle weken van dit vak losse samenvattingen
online staan, evenals een voordelige verzamelbundel.
----------------------------------------------------------------------------------------------------
Week 8: Overeenkomstenrecht — Van het
gesloten Romeinse systeem naar moderne
wilsovereenstemming
Onderwerpen:
1. Overeenkomstenrecht (i): De meest voorkomende bron van verbintenissen is de
overeenkomst. Wij hebben een algemeen, en een open systeem, gebaseerd op
consensus, wilsovereenstemming – titel 5, boek 6 BW. Een aantal bijzondere
overeenkomsten wordt nader gespecificeerd in boek 7. Hoe anders was het eens te
Rome: een gesloten systeem, geen algemeen overeenkomstenrecht, maar
allerhande bijzondere overeenkomsten, die op verschillende manieren tot stand
kwamen. In het oude Rome zien we het formalisme gestaag afbrokkelen. Als in de
hoge middeleeuwen de economie opveert, cultuur en academie opbloeien, het
Romeinse (digesten)recht wordt gerecipieerd, wordt onder invloed van het canonieke
recht elke vormvrije overeenkomst afdwingbaar: pacta sunt servanda –
overeenkomsten moeten worden nagekomen. Veel van de verschillende typen
overeenkomsten uit het Romeinse recht herkennen we nog steeds in ons huidige
recht, en ook veel van de machinerie in het materiele contractenrecht is sterk geënt
op het Romeinse recht. De meest fundamentele doordenking is afkomstig van Hugo
de Groot, waarover Kowalski een mooie dissertatie schreef.
2. Overeenkomstenrecht (ii): Allerhande gelijkenissen en verschillen tussen Rome
en Utrecht springen in het oog: voor wie sluiten we een overeenkomst? Alleen voor
ons zelf of ook voor anderen? We horen het de Hoge Raad nog zeggen – in 1905, en
, in onze eerste week: afspraken binden slechts partijen. In welke mate staat het
partijen vrij om hun eigen belangen te dienen of te verwaarlozen? Mogen contracten
in evenwicht worden gebracht, buiten partijen om door de rechter, door bijstelling van
de inhoud?
1. Fundamenten en ontwikkeling van het overeenkomstenrecht
Rode draad
Het verhaal van week 8 is de eeuwenlange transformatie van het contractenrecht: van een
gesloten, formalistisch Romeins systeem (waarin alleen specifieke, benoemde
contractstypen afdwingbaar waren) naar een open, modern systeem gebaseerd op louter
wilsovereenstemming (pacta sunt servanda).
● Die ontwikkeling verliep via het canonieke recht > de theorievorming van Hugo de
Groot > de vereenvoudiging door Pothier > en de abstractie door Von Savigny.
● Parallel daaraan ontwikkelden kernthema's als derdenbedingen, prijsevenwicht
(laesio enormis), cessie van vorderingen en de doorwerking van de goede trouw zich
mee.
● Tot slot biedt het Byzantijnse recht een spiegel: dezelfde Romeinse bronnen
werden daar op eigen wijze verwerkt en gecodificeerd, met verrassend moderne
trekken.
1.1 Het gesloten Romeinse stelsel
Het Romeinse recht kende een gesloten stelsel van benoemde contracten: men kon niet
zomaar elke afspraak afdwingen. Afdwingbaarheid was gekoppeld aan specifieke
contractstypen. De Instituten van Justinianus (Inst. 3.13.2) deelden verbintenissen uit
contract in vier categorieën in:
● A. Contractus re (reële contracten) — totstandkoming door afgifte van een zaak.
Voorbeelden (Inst. 3.14 pr.): verbruikleen (mutuum, bijv. geldlening), bruikleen
(commodatum), bewaargeving (depositum) en het pandcontract (pignus). De
verbintenis ontstaat pas door de feitelijke overhandiging, niet door loutere
wilsovereenstemming. Opvallend: onverschuldigde betaling (Inst. 3.14.1) wordt hier
ook onder geschaard, maar de Instituten merken zelf op dat dit type niet echt uit
contract voortkomt. Bij verbruikleen kan geen rente worden bedongen tenzij dit
uitdrukkelijk bij stipulatie geschiedt. Bruikleen leeft nog voort in art. 7A:1655 BW
(oud, 1838).
● B. Contractus verbis (verbale contracten) — totstandkoming door vormelijke
woorden (vraag en antwoord), zoals de stipulatio (Inst. 3.15 pr.: "Spondes?
Spondeo" — "Belooft u? Ik beloof"). Keizer Leo schafte later de strikte vormvereisten
af: voortaan volstond begrip en onderling harmoniserend inzicht van beide partijen,
ongeacht de bewoordingen. De stipulatie bleef van groot belang voor boeteclausules
(stipulatio poenae) en derdenbedingen (vgl. Inst. 3.19.19). In de handelspraktijk werd
ze steeds vaker schriftelijk vastgelegd.
● C. Contractus litteris (letterlijke contracten) — totstandkoming door geschrift
(Inst. 3.21). De schuldbekentenis is het enige overgebleven voorbeeld. Dit type ging
een zeer grote rol spelen in het handelsverkeer.
● D. Contractus consensu (consensuele contracten) — totstandkoming door louter
wilsovereenstemming (Inst. 3.22 e.v.). Vier benoemde hoofdvormen: koop en