Introductiecollege passend en inclusief onderwijs
Onderwijsstructuur in Nederland
Hokjes denken
In het onderwijs denken we snel in hokjes. Als een kind heel druk is, denken we al snel aan adhd.
Het gevaar is dat je de omgang met de leerlingen laat beïnvloeden door deze gedachte.
Tijd om te veranderen
We willen dat kinderen met verschillende behoeften samen in één klas kunnen zitten.
Om dit te realiseren moeten we af van het denken in hokjes.
De basis is om te werken richting inclusief onderwijs.
Positieve attitude als fundament
Een positieve attitude is een belangrijke voorwaarde om
te kunnen toewerken naar inclusief onderwijs.
Attitude bestaat uit drie belangrijke componenten:
- Cognitief: De overtuiging, dat je erachter staat.
- Affectief: De gevoelens, het eigen vertrouwen om dit zelf te kunnen.
- Gedragsintentie: Ben je bereid om aanpassingen te doen. Het cognitieve en affectieve
component hebben invloed in het gedrag dat je zal tonen om dit waar te kunnen maken.
Beïnvloedende factoren
De vorm en de zwaarte van de ondersteuningsbehoeften die leerlingen hebben, hebben veel invloed
op de kansen die de docent ziet om het te laten slagen.
Bepaalde factoren hebben invloed op het wel/niet kunnen waarmaken van inclusief onderwijs:
- Kennis en vaardigheden: Als je over kennis en vaardigheden beschikt om kinderen met
bijvoorbeeld gedragsproblemen te helpen, wordt het beter haalbaar en sta je er positiever in.
- Ervaring opdoen met de doelgroep: Hoe meer ervaring je hebt, hoe meer je attituden kan
beïnvloeden en hoe positiever je kunt worden.
- Ondersteuning: Denk aan bijvoorbeeld extra personen in de klas, steun vanuit collega’s of
aanvullende cursussen.
- Zelfeffectiviteit: De overtuiging dat je het zelf kan en dat je begrip kan hebben voor de
kinderen en daarnaar kan handelen.
1
,Inclusief onderwijs
Inclusief onderwijs: Alle leerlingen leren samen in dezelfde schoolomgeving. Er is geen eenduidige
aansluitende definitie. Maar het komt erop neer dat kinderen met en zonder handicap samen naar
school gaan.
Diversiteit is het uitgangspunt en vertrekpunt. We zijn allemaal anders, iedereen heeft zijn eigen
talenten en ondersteuningsbehoeften. We moeten niet in hokjes denken, maar de omgeving zo
creëren dat iedereen optimaal kan leren.
Er is momenteel een streven, maar de situatie is nog niet ideaal. Er wordt continu geleerd en
verbeterd aan de vormgeving hiervan.
Het doel is dat elke leerling tot zijn recht komt en de kans heeft om zijn eigen unieke mogelijkheden
optimaal te ontwikkelen.
Internationale verdragen
Salamanca statement (UNESCO 1994): Alle kinderen hebben individuele mogelijkheden en
leerbehoeften. Scholen moeten een omgeving kunnen creëren om iedereen optimaal te laten leren.
Het gaat uit van een visie waarin wordt geloofd in inclusief onderwijs en wat daarbij verwacht wordt.
De vormgeving staat hier niet in beschreven en mag elk land zelf bepalen. Het gaat vooral om
kwalitatief onderwijs voor alle leerlingen en het belang van differentiëren. Het is meer een statement
en geen wet, maar wel door veel landen ondertekend om daarnaar toe te werken.
Verdrag voor Rechten van Mensen met een Beperking (2006): Het plan om volledige participatie te
creëren. Dus niet twee scholen in één gebouw, waarbij de leerlingen enkel in de pauze samenkomen.
Er mag wel differentiatie plaatsvinden, maar het idee is wel dat ze samen in één klas leren.
Verdrag dat in 2016 ook door Nederland is ondertekend. We staan hier als land achter en we willen
toewerken naar inclusief onderwijs. Het verdrag bevat geen nieuwe rechten.
Sustainable Development Goals (2015): 17 wereldwijde doelen die door de VN zijn opgesteld om de
wereld een betere plek te maken in 2030. Een doel daarvan is “het zorgen voor inclusief en
gelijkwaardig kwaliteitsonderwijs en bevorderen van levenslang leren voor iedereen”.
Sustainable Development
Equality: Iedereen krijgt dezelfde ondersteuning.
Equity: Iedereen krijgt de ondersteuning die zij
nodig hebben. Er wordt ondersteuning gegeven
aan die kinderen die dat nodig hebben, zodat
iedereen gelijke resultaten krijgt.
Justice: Er worden algemene aanpassingen
gedaan aan de omgeving, zodat iedereen de
mogelijkheid krijgt om te leren, zonder
individuele aanpassingen te doen.
2
,Ontwikkelingen in Nederland
Hoe ziet het onderwijs er in Nederland uit – komt altijd terug op het tentamen
Exclusie: Kinderen met ondersteuningsbehoeften kunnen
geen onderwijs volgen en kunnen dus niet naar school.
Segregatie: Er is wel toegang tot onderwijs voor leerlingen
met ondersteuningsbehoeften, maar in een apart gebouw.
Integratie: Er is wel onderwijs voor leerlingen met
ondersteuningsbehoeften in hetzelfde gebouw, maar in
aparte klassen. Er zijn momenten van participatie, bijvoorbeeld tijdens het buitenspelen.
Inclusie: Alle kinderen leren samen in één klas, onafhankelijk van de ondersteuningsbehoeften. Hier
willen we in Nederland naartoe werken.
De meeste scholen in Nederland zitten nu in de fase segregatie en integratie. Er zijn enkele inclusieve
scholen, maar dit is echt nog in een beginnende fase.
Beleidskader
Er zijn drie hele belangrijke wijzigingen geweest in het onderwijsstelsel, om stappen te zetten richting
meer inclusief onderwijs.
1990: Weer Samen Naar school (WSNS)
2003: Wet op de Expertise Centra (WEC) & Regeling
2014: Wet Passend Onderwijs
Weer Samen Naar School akkoord
Doel was om leerlingen met ondersteuningsbehoeften zoveel mogelijk naar regulier onderwijs.
De gedachte was dat leerlingen met ondersteuningsbehoeften en de reguliere leerlingen meer te
laten samenwerken om meer van elkaar te kunnen leren.
Het werd gefinancierd door de overheid
1998: Aanpassing Wet op het Primair Onderwijs. Er kwam speciaal basisonderwijs.
Wet op de Expertise Centra
We hadden in Nederland 17 typen speciaal onderwijs. Er werd veranderd naar 4 clusters en dat wordt
nog steeds aangehouden.
Ouders mochten meer kiezen. Leerlingen met een rugzakje konden óf naar speciaal onderwijs óf
ondersteuning krijgen in het gewone onderwijs. In theorie leek het alsof ouders echt konden kiezen,
maar in de praktijk viel dit erg tegen. De scholen bepaalden eigenlijk vooral welke plek passend was.
3
, Het doel was minder leerlingen naar speciaal onderwijs, maar dit doel is niet behaald. Er gingen juist
meer leerlingen naar speciaal onderwijs.
Het werd gefinancierd door de overheid, maar er zat geen stop op. Door deze regeling gingen
oneindig veel leerlingen naar het speciaal onderwijs, wat de overheid enorm veel geld kostte.
4 clusters in het speciaal onderwijs (REC’s)
Cluster 1: Voor kinderen met een visuele handicap
Cluster 2: Voor kinderen met een auditieve en communicatieve handicap
Cluster 3: Voor kinderen met een lichamelijke-, mentale- of meervoudige handicap
Cluster 4: Voor kinderen met een psychiatrische- en/of gedragsproblemen
Samenwerkingsverband (SWV)
Binnen een samenwerkingsverband zit
regulier en speciaal basisonderwijs.
Speciaal basisonderwijs valt onder het
basisonderwijs en is niet hetzelfde als
speciaal onderwijs. Bij speciaal
basisonderwijs zijn de klassen vooral
kleiner ten opzichte van regulier onderwijs.
Cluster 3 en 4 zitten binnen het samenwerkingsverband. Cluster 1 (visuele handicap) en 2 (auditieve
en communicatieve handicap) worden landelijk geregeld.
Wet Passend Onderwijs
Niet hetzelfde als inclusief onderwijs.
Inclusief onderwijs: Alle kinderen met en zonder beperking gaan samen naar dezelfde school en
zitten bij elkaar in de klas.
Passend onderwijs: Alle leerlingen krijgen onderwijs dat bij hen past, ook als ze ondersteuning nodig
hebben. Regulier onderwijs als het kan, speciaal onderwijs als het moet.
Als regulier onderwijs toch niet gaat, kan er een toelaatbaarheidsverklaring (TLV) worden
aangevraagd, waarmee een leerling alsnog naar speciaal onderwijs kan.
Drie kernelementen van het wettelijk kader Passend Onderwijs
De zorgplicht
De niet vrijblijvende samenwerking tussen schoolbesturen (samenwerkingsverband)
Budgetfinanciering (i.p.v. openeindfinanciering)
4