Rechtsstaat
Week 1
Hoofdstuk I: Inleiding
Een staat is een organisatie die met voorrang boven andere organisaties effectief gezag uitoefent
over een gemeenschap van mensen (bevolking/natie) op een bepaald grondgebied (land/
territorium). Verder is kenmerkend voor een staat dat er een mogelijkheid van toepassing van dwang
ter handhaving van de gemeenschapsnormen is. Erkenning door andere staten is niet een formeel
vereiste, maar wel een aanwijzing dat de staat effectief gezag uitoefent. Er zijn 2 theorieën over de
erkenning van een staat:
1. Constitutieve theorie: je moet erkend worden door andere landen om een staat te zijn.
Volgens Hersch Lauterpacht gaat het hierbij om erkenning van de belangrijke staten.
2. Declaratoire theorie: je kan ook een staat zijn zonder erkend te worden door andere staten.
Hierbij sluit het Verdrag van Montevideo (1933) aan, die stelt dat een staat heeft:
Een bevolking;
Op een territorium;
Met een overheid die effectief gezag uitoefent…
…en die betrekkingen kan onderhouden met andere staten.
De rechtsregels van het staatsrecht zijn de regels die betrekking hebben op de organisatie van de
met gezag beklede organen en de grenzen van hun gezag. Er is een verschil tussen gezag en macht:
Macht is feitelijk: de mogelijkheid om anderen te dwingen. Gezag is gelegitimeerde macht: gezag
wordt uitgeoefend door personen of instanties die macht hebben gekregen via een bepaalde
procedure (of, een enkele keer, vanwege bepaalde kwaliteiten). Vooral die procedure ‘legitimeert’ de
verkregen macht. Gezag is macht op grond van een bepaalde (door de bevolking gegeven)
bevoegdheid. Legitimiteit: Overheidsmacht is legitiem als het door burgers wordt geaccepteerd,
doordat de correcte procedures zijn gevolgd. Max Weber:
Eerste reden waarom je doet wat de staat van je wil is omdat het traditie is.
Als iemand enorm charisma heeft wordt het gezag gemakkelijker geaccepteerd.
We accepteren het als we denken dat we er ons voordeel mee kunnen doen, als het werkt.
Middeleeuwen. Het (staats)gezag was in de West-Europese landen een persoonlijk recht van de
vorst. Feodaal stelsel; Koning geeft deel gezag door aan adel macht is verspreid door koninkrijk. De
koning is heerser bij de gratie God, is de verpersoonlijking van God op aarde. Geen verschil in het
gezag van de Koning voor de overheid (algemeen belang) en persoonlijk belang. Alles wat van belang
voor de koning is, is in het algemeen belang. Hobbes: een absoluut vorst is nodig die alle macht heeft
en met die macht dingen oplegt. De macht van de koning wordt beperkt door het natuurrecht; regels
die niet op schrift staan of door rechterlijke uitspraken tot stand zijn gekomen, maar omdat het zo is.
Locke: door natuurrecht is iedere burger vrij geboren, door oorlog en gevaar gaan burgers
samenwerken en onderwerpen zich aan gezag. Verzetstheorie: weerstand tegen een onrechtvaardig
regime is gerechtvaardigd. De rechtvaardigheid van het gezag als persoonlijk recht werd in twijfel
getrokken door de opkomst van een nieuwe klasse die de sociale bescherming van de gezagdragers
minder nodig had (kooplieden, burgers). De Middeleeuwse vorst was de drager van de cultuur van
het land; wanneer dit niet overeenstemde werd de koning verwijderd. Magna Carta (1215) zijn de
eerste ‘(grond)rechten’ in vastgelegd; Engelse edelen grepen macht en zeiden dat als de koning wilde
1
,dat ze voor hem gingen vechten en belasting betalen, ze inspraak en een Parlement wilden dat
meepraat als koning straf en belasting wil opleggen.
Rousseau’s sociaalcontractstheorie: gezag wordt uit vrijheid afgeleid, gezag bestaat alleen omdat
individuen ervoor kiezen samen te werken om ieders persoon en goederen te beschermen, maar de
individuen blijven vrij. De beperking van individuele vrijheid door gezag wordt geaccepteerd, omdat
de individuen zich deze beperkingen via het sociaal contract zelf op hebben gelegd (= het dilemma
van staatswetenschap; vrijheid door dwang). In het staatsrecht moet altijd een compromis worden
gezocht tussen individuele vrijheid en dwang van de gemeenschap. Nu is het uitgangspunt voor elke
staatsleer: elke burger is gelijkwaardig en heeft recht op gelijke invloed op het staatsbestuur.
Directe democratie is voor de meeste hedendaagse gemeenschappen niet haalbaar, omdat een
vergadering van zeer grote aantallen personen net redelijk tot besluiten kan komen, en omdat bij
een zo grote hoeveelheid mensen niemand zich verantwoordelijk voelt voor de genomen besluiten.
Gezagsuitoefening is binnen een staat/gemeenschap onvermijdelijk, omdat er voortdurend
beslissingen moeten worden genomen wil de gemeenschap (die de staat vormt) voortbestaan. Er zijn
vaak tegenstrijdige belangen, dus prioriteiten moeten worden gesteld, omdat niet alles tegelijk
mogelijk is. Het gevaar hierbij is dat wanneer alle macht bij een gekozen bestuur ligt, op den duur
deze macht wordt gebruikt tegen het belang van de meerderheid der burgers. Hierom heeft
Montesquieu de leer van de Trias Politica bedacht, de scheiding van machten tussen de wetgevende
macht, de rechterlijke macht en de uitvoerende macht. Het originele idee van de uitvoerende macht
was dat de regering de door het parlement gegeven wetten uitvoerde; tegenwoordig doet de
regering veel meer en heeft ze een zelfstandige bevoegdheid (subsidies bepalen, verdragen etc.).
Hiernaast zijn de drie belangrijkste staatsorganen (regering, parlement en rechterlijke macht) niet
meer strikt gescheiden door het systeem van checks and balances. Een andere taakverdeling van het
gezag is territoriale splitsing; de bestuursbevoegdheid ligt niet alleen bij de centrale overheid, maar
ook bij regionale overheden; een federaal stelsel zoals de VS.
Er zijn twee grondregels voor een democratisch staatsbestel die aan onze staatsrechtelijke praktijk
ten grondslag liggen. Legaliteitsbeginsel: geen bevoegdheid zonder grondslag in wet of Grondwet.
Dit is om machtsmisbruik van de bevoegdheid over het dwangapparaat van de staat (leger en politie)
te voorkomen. In Engeland is de ‘rule of law’ soortgelijk, in Frankrijk het ‘principe de legalite’. Het
legaliteitsbeginsel geldt niet voor alle overheidshandelingen, maar wel voor iedere met dwang
gepaarde overheidshandeling. Verantwoordingsplicht: niemand kan een bevoegdheid uitoefenen
zonder verantwoording schuldig te zijn of zonder dat op die uitoefening controle bestaat. De
verantwoordingsplicht/ controle is een belangrijke aanvulling op het legaliteitsbeginsel, omdat ook
over de uitoefening van een bevoegdheid binnen de wettelijke perken verantwoording moet worden
afgelegd. Voor rechters geldt geen verantwoordingsplicht tegenover andere staatsorganen, maar zij
worden wel gecontroleerd door een hogere rechter. Vormen van verantwoordingsplicht van en
controle op overheidsorganen:
Politieke verantwoordingsplicht: van bestuurlijke organen tegenover vertegenwoordigende
organen (vb. ministers tegenover het parlement). Het bestuurlijke orgaan moet inlichtingen
verstrekken, een debat met de volksvertegenwoordiging niet ontwijken en bij verlies van
vertrouwen in beginsel moet opstappen. De plicht heeft betrekking op het eigen handelen en
nalaten, maar ook op het functioneren van ambtelijke diensten die ondergeschikt zijn aan
het bestuursorgaan (door formele bevoegdheid tot het geven van aanwijzingen).
Ambtelijke ondergeschiktheid: ambtenaren moeten verantwoording afleggen aan hun chefs;
de chefs zijn op hun beurt weer verantwoordelijk voor de instructies die zij aan de
2
, ambtenaar geven. Slechte uitvoering taak die de wet opdraagt kan leiden tot disciplinaire
maatregelen. Bewindspersonen (ministers en staatssecretarissen) zijn geen gewone
ambtenaren en zijn daardoor niet onderworpen aan disciplinaire maatregelen.
Bestuurlijk toezicht: een bestuursorgaan wordt gecontroleerd door een hoger orgaan
(zonder sprake van ambtelijke ondergeschiktheid).
- Preventief toezicht: een lager bestuursorgaan moet voor een bepaalde handeling
goedkeuring vragen aan een hoger orgaan.
- Repressief toezicht: een hoger bestuursorgaan kan een beslissing van een lager
bestuursorgaan achteraf ongedaan maken.
Strafrechtelijke verantwoordelijkheid: controle van een rechter op een gezagdrager die een
bepaalde daad heeft gedaan, en die daad volgens een strafbepaling strafbaar is.
Beroep: belanghebbenden kunnen tegen besluiten van bestuursorganen in beroep gaan en
een onafhankelijke rechter vragen het besluit te vernietigen of te vervangen.
Burgerlijke rechter toetst ambtshandelingen : aan art. 6:162 Bw en kan bepaalde handelingen
onrechtmatig verklaren. Het Rijk, de provincie of gemeente waarvan een orgaan die
handeling heeft verricht kan tot schadevergoeding verplicht worden.
Rechterlijke toetsing van wetgeving: controle van rechter op wetgevende organen. Art. 120
Gw: de rechter mag geen wetten in formele zin toetsen aan de Grondwet. De wetgever heeft
zelf te beoordelen of een wettekst in overeenstemming is met de Grondwet of niet; is meer
een politieke dan juridische vraag. De rechter mag wel lagere regelingen aan hogere
regelingen, waaronder de Grondwet, toetsen. Art. 94 Gw: de rechter mag wel wetten in
formele zin aan bepaalde bepalingen van verdagen toetsen.
Rechtsstaat: een staat waarvan de organisatie erop gericht is dat burgers beschermd zijn tegen
machtsmisbruik door de staat zelf. Kenmerkend voor een rechtsstaat is dat de staatsorganen zijn
onderworpen aan het recht. Rechtsstatelijke waarborgen ontwikkeld in de loop van de geschiedenis:
1. De staat erkent dat individuen en particuliere instellingen een staatsvrije sfeer toekomt;
2. Optreden van het bestuur dat voor burgers bezwarend is (vb. belastingen) dient te berusten
op een algemene regel die de bevoegdheid van het orgaan beschrijft;
3. De regels waarin de bevoegdheden van een staatsorgaan zijn omschreven, moeten door een
ander orgaan zijn vastgesteld;
4. Geschillen tussen de burger en de staat moeten door een onafhankelijke en onpartijdige
rechter worden beslist.
Essentieel voor een democratische staat is dat het volk de wetgevende macht kiest aan de hand van
vrije en geheime verkiezingen met redelijke tussenpozen. Presidentieel stelselstelsel: de leider van
de uitvoerende macht wordt direct gekozen. Parlementair stelsel: het volk kiest het parlement en het
parlement benoemt vervolgens de ministers.
Hoofdstuk II: De bronnen van het staatsrecht
De bronnen van het staatsrecht zijn de Grondwet, gewoonterechtelijke regels en een aantal
geschreven regelingen in de vorm van wetten of algemene maatregelen van bestuur.
De eerste Nederlandse staatsregeling was de Unie van Utrecht van 1579; een verdrag gesloten
tussen een aantal soevereine provincies die ter wille van een gemeenschappelijke zaak een deel van
hun soevereiniteit aan een centraal gezag overdroegen. De Bataafse Republiek had in 1798 een
grondwet: Staatsregeling voor het Bataafsche Volk, gevolgd in 1801 en 1805 door Staatsregelingen
des Bataafschen Volk, in 1806 door de Constitutie voor het Koninkrijk Holland en in 1814 door de
Grondwet voor de Vereenigde Nederlanden. In 1815 werd deze vervangen door de Grondwet voor
3