Taal
,Domein 1: Mondelinge taalvaardigheid (11 vragen)
Luisterdoelen:
- Iets te weten willen komen
- Een gevoel willen ondergaan
- Een mening willen vormen
- Een handeling willen uitvoeren
- Een spel willen spelen
Luisterstrategieën
Luisterstrategie Luisterdoel: luisteren om…
Globaal luisteren De rode draad eruit halen
Intensief luisteren Naast de grote lijn ook details te begrijpen
Gericht luisteren Gerichte informatie te vinden
Kritisch luisteren Feedback geven op de inhoud
Spreekdoelen:
- Amuseren -> de luisteraar een bepaalde emotie laten beleven
- Informeren -> de luisteraar informatie geven
- Instrueren -> de luisteraar instructie geven tot het verrichten van een handeling
- Overtuigen -> de luisteraar overhalen tot een mening
Spreekstrategieën:
- Oriënteren op het doel van de spreektaak
- Oriënteren op het onderwerp en de eigen kennis daarvan
- Oriënteren op soort spreektaak
- Oriënteren op gesprekspartner(s) of het publiek: Met wie ga je in gesprek of wie
luistert er naar je? Wat is hun voorkennis?
- Reflecteren op de spreektaak: Begrijp je wat er wordt gezegd en breng de
informatie goed over? Bereik je het doel?
- Monitoren van de spreektaak: Is het nodig om meer te zeggen, beter te luisteren
of vragen te stellen?
- Evalueren van de spreektaak: Wat ging er goed en wat niet? Wat zou je de
volgende keer anders aanpakken?
Sociale taalfuncties zijn erop gericht om contact met anderen tot stand te brengen. Dit
wordt vaak spontaan gebruikt.
Zelfhandhaving Zichzelf verdedigen of bezit Ik wil limonade, dat is van
beschermen mij, jij bent stom
Sturen van anderen Beïnvloeden van gedrag Nu moet jij wat zeggen, en
van anderen toen was jij de politieagent
1
, Zelfsturing Eigen handelingen met Nu ga ik naar de winkel,
woorden ordenen of eerst moet ik de pop
plannen aankondigen vinden
Structurering Structuur van het gesprek, Mag ik nu? Nu ben ik!
hoe iets verloopt Klaar!
Cognitieve taalfuncties worden gebruikt om de werkelijkheid uit te drukken:
- Rapporteren -> het benoemen of labelen van gebeurtenissen
➔ Dat is een beer, die loopt door het bos
- Redeneren -> leggen van beargumenteerde verbanden
➔ Wilde beren kun je niet knuffelen, want ze eten je op
- Projecteren -> het gebruiken van taal om je te verplaatsen in een andere persoon
➔ Ik zou het ook eng vinden om in een lift vast te zitten, dan zou ik gaan gillen
Taalverwerving
o Fonologisch (klanken) -> hoe spreekt het kind klanken/woorden uit?
o Morfologisch (woordvormen/woordvervoeging) -> gebruikt het kind de juiste
vormen van woorden?
o Semantisch (betekenis) -> begrijpt en gebruikt het kind woorden goed?
o Syntactisch (zinsbouw) -> maakt het kind goede zinnen?
o Pragmatisch (taalgebruik in sociale situaties) -> gebruikt het kind passende taal
in een gesprek?
Bij interactionele benadering leert het kind de taal door interactie met de omgeving.
Deze interactie heeft 3 eisen:
- Taalaanbod -> ouders passen het taalaanbod aan op het taalniveau van het kind,
door bijvoorbeeld de juiste voorleesboeken te gebruiken
- Taalruimte -> ouders bieden mogelijkheden om taal te gebruiken in gesprekjes
- Feedback -> ouders geven feedback op de taaluitingen van het kind
Bij creatieve constructietheorie bouwen kinderen zelf actief taal op in hun hoofd.
Kinderen gaan creatief om met taalregels en bedenken deze zelf op basis van wat zij
hebben gehoord. Ze maken eigen zinnen, ook als die nog niet correct zijn.
Taalontwikkelingsfasen
o Prelinguale fase = de fase voordat kinderen echte woorden gebruiken
1. Huilen
2. Vocaliseren (oeh, aah, nog geen echte spraakklanken
3. Vocaal spel (spelen met geluiden, hard/zacht, hoog/laag
4. Brabbelen (bababa, dadada, lijkt al een beetje op echte taal
2